Het Hondefretterspad

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1994-1995

door Louis Somers

De Bomenaars worden in de volksmond “hondefretters” genoemd en daar zijn ze natuurlijk fier op. Hoe zulks gekomen is, herinneren er zich niet zoveel meer. Om deze geschiedenis op te frissen, besloot de geschiedkundige studiegroep “Ten Boome” in samenwerking met het Boomse Gemeentebestuur het “Hondefretterspad” te ontwerpen en in een mooi verzorgde brochure uit te geven.1

Als fietsroute vanuit Boom naar Grimbergen loopt het pad over een gedeelte van de traditionele weg, die de hondenopkopers af legden. De brochure bevat eveneens een samenvatting van het hondefrettersgebeuren en korte beschrijving van de plaatsen die men onderweg tegenkomt. De voorliggende tekst is echter de integrale versie van het opzoekwerk van Louis Somers.

1. HULDE AAN HET VOLK VAN DE RUPEL EN HET HUISDIER.

Onze herinneringen aan de periode 1940-1945 zijn deze van voedselschaarste, hamsteren, de zwarte markt en alle middelen die aangewend werden om per familie de monden open te houden.

Gelukkig dat kunsthoning en panharing regelmatig voorhanden waren en vele monden tijdig gevuld hebben ! Ook tijdens de oorlogsjaren 1914-1918 maakte de voeding het grote probleem uit. De toen aangewende middelen om de bevolking aan mondvoorraad te helpen waren echter spitsvondig en spectaculair ! Hierdoor is onze gemeente Boom op een leuke wijze in de folklore gebracht.

Onze gemeente kende onder wereldoorlog 1 enkele groepen “sluwe durvers”, die op één of andere wijze ontsnapt waren aan deportatie naar Duitsland, door o.a. actief lid te worden van de vrijwillige brandweer. In de wijk “achter ’t gasthuis” of op de Schomme treffen wij van die stoere mannen, zoals Jef De Lathouwer en “Peer den Haring” (Buelens). Een nicht van Peer, Wiske Verhoeven, echtgenote van “Frans De Vlam”. (Van Breedam) had nog twee broers Soo en Jul Verhoeven. Deze mannen gingen geregeld naar Mechelen en de Antwerpse vogelmarkt om honden te kopen.

Ook Noeveren bleef niet achter. Een ploeg, die regelmatig te voet naar Brussel ging om honden te kopen, wilde zo het tekort aan rundvlees oplossen! De geijkte weg naar Brussel vertrok via Klein-Willebroek en liep over het jaagpad van de boottrekkers langsheen het kanaal. In de grootstad kochten zij op de zondagmarkt honden op!

De begoede Brusselse burger was naargelang de oorlogsjaren vorderden niet meer in staat zijn dier te voeden en het werd aan onze “opkopers” van de hand gedaan. Zo luidt althans de historische versie. Of onze “opkopers” nu al die honden wel kochten, blijft toch de vraag. Af en toe zal er ook wel een hond hen tegen het lijf gelopen zijn en werd deze ‘gratis’ opgekocht.

Tot daar de mondelinge overleveringen die wij thuis te horen kregen. Ze werden zeer smakelijk verteld door vader Somers, die zichtbaar spijt had dat hij er nooit had kunnen bij zijn. Nonkel Soo Somers, de oudste van hun talrijk gezin, die behoorde wel tot de “sluwe durvers”. Het gebeurde zelfs dat men tweemaal per week te voet naar Brussel ging, dus op één dag te voet heen en terug, dan moest men wel zijn man kunnen staan.

Op de terugweg waren er wel eens problemen. En hiervan hebben wij nu nog een levende getuigenis. Onze buurvrouw, Maria Cop-Ceuppens, J. Wautersplein 8, woonde als klein meisje aan het kanaal te Humbeek. Zij heeft meerdere malen gezien dat er een grote ploeg mannen met honden voorbij marcheerde, komende van Brussel in de richting van Willebroek. “En die ploeg mannen had een kruiwagen bij om de vermoeide honden, die door hun poten zakten op de kruiwagen te laden, om alzo de dieren thuis brengen.”
En ’t gebeurde ook volgens de overlevering van onze moeder Sylvie Possemiers dat men vermoeide honden in de nek of over de schouders moest dragen. Dat was volgens haar zoals op het schilderij van “Het Lam Gods”.

Elke thuiskomst van een ploeg hondenopkopers lokte telkens veel belangstelling bij de bevolking. Zij werden zelfs tegengewandeld tot Klein-Willebroek. Iedere “opkoper” had dan wel drie tot vier honden bij zich en volgens de overleveringen waren zij steeds met een talrijke ploeg om de mars langsheen het kanaal te ondernemen. De dag na de thuiskomst ondergingen alle honden hetzelfde lot. Men kon niet te lang wachten, want eten had men niet voor hen. Met de kop tussen de knieën van de slachter kreeg de hond een klop van “den houten hamer” op het voorhoofd en het kwaad was geschied.

Wanneer het gebeurde dat er zich eentje losrukte, dan was het wel een heel waagstuk om deze terug te pakken te krijgen, struggle for live! De geslachte dieren werden veelal in onze grootstad Antwerpen aan de man gebracht. Daar was vanzelfsprekend meer tekort aan levensmiddelen dan op den buiten. Ook de nabij gelegen stad Mechelen werd bevoorraad. De naam Mechelen is verwerkt in een volksliedje over de hondengeschiedenis.

Heel dit gebeuren geschiedde zonder toezicht. Men handelde in de grootste overtreding tegen de bestaande wet op de vleeskeuring. “Den Beenhouwersbond” verzocht in september 1916 om een keurdienst in te richten en deed een of officieel verzoek aan het Schepencollege op 4 september 1916. Er ontstond ook heel wat beroering vanwege hondenverenigingen van Hoboken en Antwerpen, zo vermeldt immers het verslag van het Schepencollege van 15 juli 1916.

Ook de stad Brussel maakte melding aan het Boomse gemeentebestuur”dat er alle zondagen op de hondenmarkt te Brussel oude trekhonden werden opgekocht door personen van Boom, en dat die honden dienden om afgemaakt te worden tot verbruik van levensmiddelen-voortbrengselen”! De bezettende overheid, die te Boom verbleef in de “Kommandantur”, een herenhuis gelegen nabij het gemeentehuis in het nummer 68 (nu parking Superpost), was zo verstandig om van de nood een deugd te maken. Op 6 augustus 1917 werd het politiereglement op het slachten van honden in de gemeenteraad goedgekeurd.

In afwachting van de beslissing van de gemeenteraad was op 11 juni 1917 een hondenslachterij in werking getreden in de gebouwen van de paardenslachterij van Dhr. Miller. Opgericht in 1904 was deze, gezien de omstandigheden, niet meer in werking. Volgens het kadasterplan, afgedrukt in het boek “Van een Boom aan De Rupel”, was de plaats van het gebouw in de Antwerpsestraat, 320
(thans verdwenen in de open tunnel), op 120 tot 140 m. afstand van de hoek van de ’s Herenbaan in de richting van Antwerpen.

Volgens voornoemd politiereglement moest het slachten van honden uitsluitend daar gebeuren en nadat de dieren gekeurd waren op wormen. Het slachten geschiedde op Maandag. Nonkel Soo is er als de kippen bij geweest om zijn “lieverdjes” te laten slachten. Zijn naam prijkt op het eerste blad van het register dat aangelegd werd in 1917 in uitvoering van bovenvermeld politiereglement. Elk familielid van nonkel Soo werd zeker bedacht met zijn rantsoen. En wie in 1917 zijn eerste tanden had, heeft er van geproefd. Daar zorgde vader Somers wel voor, die van grappen hield. Zo kreeg mijn broer als tweejarige zijn portie in de mond geduwd. Dit was natuurlijk tegen alle protesten van moeder in, want hondenvlees was taai en bitter en zo iets was niet voor jonge kinderen. In zijn eenvoudige helderziendheid voorspelde vader dat Boom met “de hondenopkopers” in de geschiedenis zou treden.

Het meest opmerkelijke van heel de Brusselse-Boomse hondengeschiedenis is, dat men te Antwerpen en ook te Mechelen het meest van al vlees heeft gegeten. Maar de Bomenaars hebben er de naam en de faam van “Hondefretters” aan overgehouden! Het volkslied: Boe Boe ’t is van den hond. Hulde aan de zangcultuur.

Hendrik Conscience leerde zijn volk lezen. En Peter Benoit leerde zijn volk zingen. Maar de weg was lang die de betere zangcultuur moest afleggen vooraleer zij over de goede volksklasse heen, de arbeidende massa had bereikt. Tegen die tijd was de zangcultuur fel afgezwakt. Men gaat zoeken in de folklore van het arbeidersgezin, dat de lange werkweek met een korte zondag beleeft.

Een onbekende enkeling zong en beïnvloedde hierdoor de massa, die de zanglust overnam. Men zong uit geldingsdrang en manifesterend tegen de lange zware dagtaak. Men zong tijdens die korte zondagpauze, of tijdens de wijkkermis in de kroeg. En wat men zong, dat deed er niet toe! Maar men liet zich horen. Simpele straatliederen waaronder onder andere Boeboe ’t is van den hond!

Hond eten is ouder dan de oorlogsperiode 1914-1918. Men deed dit in de Boomse eethuizen reeds lang voor 1900. Toen de eerste steenlegging plaatshad van de houten brug op 21 juli 1837 waren er journalisten aanwezig die in Boomse eethuizen hond gegeten hebben. Dit kon in de af spanning “De Scheepvaart” in de Leopoldstraat, gesloopt in 1994, en ook in café “Logement” dat gelegen was waar nu de viaduct ligt in de Colonel Silvertopstraat!

Het liedje over hond eten bestond ook. Karel Hellemans, secretaris van een metaalvakbond, vertelde ons dat hij als zesjarige in 1912 Chareltje De Maeyer, broer van Réné de garde, het liedje over hond eten hoorde zingen.

Men mag onze mensen de waarde van de tekst niet ten kwade duiden! Hun levenswijze kan ons doen denken aan Breughel en de wijze waarop hij het boerenleven op zijn schilderijen voorstelde. De periode waarin onze ouders en of grootouders zijn opgegroeid, was die van de jeneverploeg. In het centrum van Boom aan de trappen van het viaduct over de Colonel Silvertopstraat bevinden zich twee levensgrote honden, uit arduinsteen gebeiteld. (zie foto)
Zij bewaken als het ware deze trappen, die leiden naar de Rupelbrug, die op 8 juli 1939 door koning Leopold III ingehuldigd werd.

Vanop de Rupelbrug overschouwde men eveneens het grootste baksteenproducerende gebied ter wereld. Begonnen te Hemiksem met de paters Bernardijnen in 1246, hield zij zevenhonderd jaar ambachtelijk stand, tot de elektronica in het begin van de jaren 1960 verandering bracht. Met zestig familiebedrijven in 1940 en tachtig schouwen van ringovens, die allen getooid waren met een sierlijke rookpluim, was dat ooit een garantie voor zesduizend arbeidsplaatsen.

Digiprove sealCopyright beveiligd door Digiprove © 2017 Marc Verlinden
  1. de brochure kan in onze bibliotheek geraadpleegd worden.

Geschiedenis van de gemeente Boom