OORLOGSTIENERS

Terug naar overzicht jaarboek 1994-1995

door Paul VAN DER ROOST
(Foto: Hoogstraat Boom uit ‘Zo Was Boom, pagina 15’, Alex Vinck)

1. OPZET
2. FLITSEN UIT DE DERTIGER JAREN
A. Straatbeeld
B. Verkeer
C. Wonen
D. Kleding
E. Lagere School
F. Spel en ontspanning
3. DE AANLOOP TOT 1940
A. Leefpatroon
B. Crisis
C. Mobilisatie
4. OORLOG
A. Begin
B. Verduistering
C. Vluchtelingen
D. Rotterdam
E. De zomer van 1940
F. Werkloosheid
G. Overzicht
H. Tieners in de oorlog
Ontspanning
Aanhoudingen en verwarring
I. Bevrijding
J. Terreur
5. VREDE
6. OORLOGSTIENERS VANAF 1945
7. SLOTBEDENKINGEN
1. OPZET

Wie tijdens de twintiger of dertiger jaren geboren is en wie nog ’t geluk heeft redelijk gezond, alert en geboeid te zijn, kan nu genieten van levensomstandigheden die tijdens zijn of haar jeugd niet te voorspellen waren. Zestigers, zeventigers en ouderen van nu reizen doorheen heel Europa en verder, zij denken nog aan de aankoop van een nieuwe wagen, zij genieten van de laatste snufjes op het gebied
van muziekinstallaties , video en televisie, zij wonen comfortabel met alles erop en eraan en zij genieten volop van de enorme medische en sociale vorderingen.

In hun kinderen en kleinkinderen zien zij zichzelf terug en dan denken zij onwillekeurig aan hun eigen jeugd. Die jeugdjaren situeren zich voor, tijdens en na de tweede wereldoorlog.
In deze bijdrage voor de Boomse Geschiedkundige Studiegroep “Ten Boome” wil ik trachten een beeld op te hangen van de Boomse tieners uit die tijd, de OORLOGSTIENERS . (kortweg: OT) .

Dit beeld zal onvolledig zijn en wordt vooral bepaald door mijn eigen
ervaringen in een dichtbevolkte industriegemeente als Boom, en opgegroeid midden de grootste bevolkingsgroep: het milieu van arbeiders en kleine bedienden. Boom is op vele vlakken te vergelijken met andere gemeenten uit de Rupelstreek en met de volkse buurten uit kleine en zelfs grotere steden.

De periode van 1930 tot nu (1995) was het overschouwen waard,
want nooit tevoren is op zo’n korte tijd zoveel veranderd. De nadruk ligt op de situatie tot 1945. Nadien zijn de vroegere specifieke verschilpunten tussen kleine en grote leefgemeenschappen geleidelijk verdwenen. De tekst is hoofdzakelijk een eigen “getuigenis”. Enkele beschouwingen zullen voor sommigen als subjectief overkomen. Dit is niet te vermijden.

2. FLITSEN UIT DE DERTIGER JAREN
A. Straatbeeld
Echte straatbeelden vindt men uitgebreid in de twee werken van Alex Vinck “Zo was Boom” en “Boom tussen de twee wereldoorlogen”. Deze twee boeken zijn van onschatbare waarde.
Hopelijk zijn ze nog verkrijgbaar… zo niet, dan verdienen zij heruitgegeven en sterk gepropageerd te worden. In deze bijdrage voor “Ten Boome” verwijs ik meermaals naar deze uitgaven. Ik kan mij trouwens niet voorstellen, dat men als lid van de heemkundige kring die boeken niet zou bezitten.

Het stratenpatroon is sedert 1930 weinig gewijzigd. Fel veranderd is het uitzicht. Alle straten waren gekasseid. Op de voetpaden in het centrum en in de voornaamste straten lagen vierkante klinkers; elders oude bakstenen op hun kant of verhard zand! Het geheel gaf een hobbelige indruk. Hier en daar werden dallen gelegd.
In “Zo was Boom” p.3, 4, 5, 6, 7, 9, 15 kan men zich een klaar idee vormen. De meeste OT hebben het zo nog gezien, hoewel de gefotografeerde personen tot een vorige generatie behoorden. Uitzondering vormt de foto p.19: deze dateert van enkele jaren voor de oorlog. Ik ken al de mensen die erop voorkomen, want ik woonde er vlak bij in dezelfde Bomestraat.

Als straatverlichting hingen hier en daar gaslantaarns tegen de huisgevels of op een paal; zij gaven een vaal, gelig schijnsel, juist voldoende om zich in de straat of op een pleintje te oriënteren. Op de hoek van de Gas- en Brandstraat stond de gasfabriek (sinds 1866 in uitbating). Bij valavond verlieten enkele werknemers de fabriek, gewapend met een lange stok waarop een toorts brandde. Zij verspreidden zich (soms per fiets) over heel de gemeente om de lantaarns aan te steken. Het waren “de mannen die de gas deden branden”. Men beweerde dat sommigen nu en dan tot ’s morgens onderweg waren, maar dat zal wel achterklap geweest zijn, hoewel…

B. Verkeer

Tijdens de dertiger jaren waren de straten bijna voortdurend “autovrij”. Enkele gegoede handelaars, nijveraars en dokters bezaten een auto. Geen wonder! In het dagboek van een bekend Vlaams schrijver leest men dat hij in 1935 voor een “Ford” 38.000 fr betaalde! Het loon van vele arbeiders en bedienden schommelde toen rond 1.000 fr per maand. (In 1933 besliste de regering tot inkrimping en afhouding van lonen. Alleen de inkomens onder de
10.000 fr per jaar ontsnapten eraan.) Motorfietsen met en zonder zijspan maakten opgang. Vrachtwagens waren er méér te zien, vooral voor het vervoer van bakstenen, van de brouwerijen uit de omtrek en voor leveringen aan winkels. Bijna alle verkeer gebeurde met paard en kar, ook per stootkar en zelfs per hondenkar.

De paarden van de melkboeren, bakkers en andere dagelijkse passanten hadden geen bevelen nodig: zij kenden hun stopplaatsen “uit het hoofd”. De geur in de straten werd niet bepaald door de uitstoot van benzine of diesel. Het waren vooral de paarden die de straatgeur bepaalden door hun overvloedige plaatselijke neerslag en door de stapels vijgen. Zij hielden daarbij geen rekening met plaats en omstandigheden. Het openbaar vervoer was zeer in trek. Vanaf de markt vertrokken lijnbussen naar Antwerpen via Niel of langs “de steenweg”. De spoorweg gaf verbinding met Aalst, Gent, Antwerpen, Kontich. De buurtspoorweg kwam het meest aan bod. Hij verbond ons met Rumst, Duffel, Lier, Mechelen, Reet, Antwerpen. Na de elektrificatie van de tramlijnen bleef de
stoomtram dagelijks rijden voor colli’s en andere goederen. Eens, bij een overstap in de “tramstatie” van Rumst, las ik in een ingekaderd reglement, dat de machinist en de stoker van een stoomtram nooit samen hun locomotief mogen verlaten. Dat zal wel! Op de
Varkensmarkt stond de tram nog maar amper stil, of die twee braken zich bijna armen en benen om eerst in café “’t Kelderke” binnen te stuiken.

Het gebruik van de fiets werd veralgemeend, tenminste toch voor volwassenen. Prille tieners gebruikten meestal de fiets van ouders of van oudere gezinsgenoten. Kinderen reden per “trottinet” .
Tijdens die periode werd de kledij van het vrouwvolk van j aar tot jaar korter. Daardoor vertoonden meisjes en jonge vrouwen op de fiets alsmaar aantrekkelijker vergezichten. De commerce speelde daarop in en men lanceerde elastische linten ter verbinding van de
rokzomen met de enkels. Zonder succes, integendeel, de preutsheid was spoedig verdwenen. De parade van knieën en billen was definitief gestart en alleen de kwezels hadden daar spijt
van.

Voetgangers en fietsers waren baas in de straten. Als na een druk bijgewoonde kerkdienst, toneel- of filmvoorstelling de massa buitenkwam, dan nam men resoluut heel de rijweg in beslag.
Er werd nogal veel van huis tot huis verhandeld. De petroleumkar , de groentekar en het wit zand hadden hun eigen manier van aankondigen. In sommige huizen strooide men wit zand ter versiering in allerlei figuren op de grond. In de cafés strooide men ook zand vooral rond de toog. Men vulde er ook de “speekbakken” mee. Die bakjes waren de mikpunten van de vele tabakpruimers (sjiekers). Vanuit hun mondhoeken spoten de pruimers regelmatig het overtollige sap als een bruin straaltje van méér dan tien
centimeter ernaartoe . Meestal vloog die schicht er rakelings naast, tot ergernis van de cafébazin.

Onze kleinkinderen spreken van een “ijsje”. Wij noemden het “ne crèmegelas”. Voor het belletje dat de komst ervan aankondigde, hadden we een speciaal oor. De allerkleinsten kregen een” toreke” van tien centiemen. Gewoonlijk nam men een wafel van vijf en twintig centiemen of een oester van een halve frank. Voor één frank vulde men een hele pint! De beperkte mogelijkheden van die tijd hadden enorme pluspunten tot gevolg: stilte en matige drukte. Er was geen permanent geluid van verkeer en van bouwwerven. Alle klanken kwamen helder en natuurlijk over. De intensiteit van de geluiden was gering en men onderscheidde duidelijk de diverse klanken tegelijkertijd: paardenhoeven en het trage gedokker
van de karren met hun ijzeren wielbanden, kindergejoel tijdens de speeltijden in de scholen, baggers en puffende treintjes in de steenbakkerijen, het gefluit van tram en een verre trein of
sleepboot, klokken en klokjes uit heel de omtrek …

Als tijdens de vrije uren en op zondagen de muziekverenigingen langs de straten marcheerden of op de kiosk concerteerden, kon men daarvan op grote afstand echt genieten en van nabij ging geen detail verloren. Evenwel, naarmate de dertiger jaren vorderden, nam de verkeersdrukte bestendig toe.

C. Wonen
De doorsnee oorlogstiener was voor en tijdens de oorlog niet weelderig behuisd. Rijhuizen hadden veelal dezelfde indeling: twee kamers achter elkaar, al dan niet doorlopend, maar bijna steeds door dubbele deuren afgesloten. Het dagelijks leven speelde zich af in één enkele ruimte, want er brandde slechts één vuur: meestal een keukenstoof (cuisinière). In die ene ruimte werd gekookt, gebruikte men de maaltijden, ontspande men zich. Sommige huizen hadden een open of overdekte koer. Een hof was er niet steeds bij en in sommige straten stapte men door de huizen recht het geleeg in. Los van de woning stond soms een “stal” als achterbouw waarin men tijdens de warme periode verbleef. In die stal was er meestal een
“vapeur”, een gemetselde stoof die het keukenvuur verving. Onze moeders en grootmoeders kookten op kolen en soms op gas.

Elektrische fornuizen waren zeldzaam. Het is eenvoudiger te melden waarover ze niet beschikten: elektrische keukenapparaten , stof zuiger, dampkap, badkamer, diepvriezer, droogkast , .., Elektrische strijkijzers en koelkasten waren zeldzaam. Elektrische wasmachines waren primitief: men moest ze vooraf aanzwengelen en dan pas de elektriciteit aanzetten. Warm water voor de was bekwam men langs de keukenstoof of door onderaan in de machine kolen of gas te stoken. Bijna elk huis was aangesloten aan het elektriciteitsnet . De installatie was zeer beperkt: in de gang en in elke kamer telkens één lichtpunt (een “ballonneke” van 25 tot 60 Watt) en niet overal een stopcontact…

De mensen waren zuinig op het electriciteitsverbruik, alsof het verlichtingsniveau niet hoger mocht liggen dan dat van de vroegere gasverlichting. Drijfkracht nam men enkel bij schrijnwerkers en soortgelijke bedrijven, en verwarming met elektriciteit was zo goed als onbestaande.  Men mag uit dit alles niet afleiden dat onze woningen vuil en vervallen waren. Zeker niet!
Maar het vergde veel energie en tijd om de huizen rein te houden. Er waren ook buurten waar het bijna onmogelijk was hygiënisch te leven, omdat er onvoldoende voorzieningen ter beschikking stonden: geen riolen, één toilet voor meer gezinnen. . . .

Toch was het gunstig in een industriegemeente te wonen. Rond 1935 legde men in het centrum de waterleiding aan en dat betekende een grote stap vooruit.

D. Kleding
Voor de oorlog zaten de oorlogstieners op de lagere school en hun vrije uren brachten ze door op straat of in ’t geleeg . Die toestanden waren in de kleding duidelijk te merken. Op de hoogste trap stond de “zondagse” uitzet. Men kocht geen “nieuwe” schoenen maar wel”
zondagse”. Zo ging het met alle “zichtbare” kledingstukken. De OT droegen die zondagskleding niet de ganse dag. Integendeel, na kerkgang of ander bezoek werd onmiddellijk overgeschakeld naar een uitrusting die het midden hield tussen zondagse en
schoolkleding. Voor nieuwe kleren trok men naar de kleermaker of naaister, maar ook de confectie rukte op.

Schoolkledij was het over’ t algemeen proper en net, maar ze werd gedragen tot ze totaal versleten was en men er helemaal uitgegroeid was. Na enige sleet werden broeken en ellebogen “gelapt”. Voor schoolkledij was er altijd wel een tante of ander familielid die zich
aan “snit en naad” waagde (met wisselend succes). Jongens kregen gewoonlijk hun eerste lange broek ter gelegenheid van hun plechtige communie. Meestal was het een golfbroek smokkelbroek) . Al de jaren van de lagere school en ook nog nadien droegen ze korte
broeken. Omdat men gedurende die jaren méér in de lengte dan in de breedte groeit, was de lengte ruim bemeten. Een nieuwe broek reikte wel niet echt tot onder de armen, maar men had het gevoel toch. De pijpen waren redelijk lang, maar na een jaar waren ze te kort. Als men een nieuw “flanellen” onderhemd aangesmeerd kreeg, viel dat ook steeds te lang uit (tegen de krimp). Na honderd meter stappen, hing het uit de broekspijpen. Andere rakkers waren er dan
vlug bij om met een flinke ruk het koddige effect nog te verhogen.
In de winter werden schoenen soms vervangen door rubberen botten of houten klompen.

Over onderkleding kunnen we kort zijn. Als die aan de wasdraad hing te drogen, was dat wel lachwekkend. Van de oudere mannen hingen de lange onderbroeken spookachtig te zwieren. Van de meisjes over jonge naar oude vrouwen waren de vorm en de afmetingen van broek en hemd een aanduiding van hun leeftijd: van zakdoekformaat tot legertent. Vele jongens droegen hun eerste onderbroek pas bij de militaire dienst! (omwille van de ruwe
soldatenstof) . Een erekruis voor hygiëne werd aan hen nooit afgeleverd. Toch bood het systeem wellicht fysieke voordelen: onlangs vertelde een professor (op TV) doodernstig dat de voortplantingskwaliteit van de huidige mannen vermindert omdat hun genitale onderdelen te gespannen en te warm gehouden worden. Daar hadden vele OT dus geen last van: ruimte
was er genoeg en zelfs bij vrieswind was de ventilatie verzekerd.
Voor spel en vrije tijd droeg men wat voor schoolgebruik niet meer kon dienen.

Over ’t algemeen kan men getuigen dat de moeders van de OT hun uiterste best deden om hun kinderen fatsoenlijk en naar de gangbare normen te kleden. In heb de indruk dat bij de meisjes
de problemen niet groot waren. Zij zijn van aard zorgzamer en koketter.

E. Lagere School
In Boom waren de talrijke lagere scholen verspreid over alle wijken, wat enorme voordelen bood. Voor zover ik kon nagaan, was de sfeer in die scholen onderling vergelijkbaar evenals de kwaliteit van het onderwijs. Zij werden beheerd door het Rijk, de Gemeente en door
gespecialiseerde Congregaties. Dit gaf aanleiding tot wedijver, wat tot op zekere hoogte positief is. De klaslokalen van de OT waren verwarmd door een kolenkachel (soms centrale verwarming).
De leerkracht moest het vuur voor schooltijd aansteken en nadien onderhouden. De houten banken droegen de sporen van vroegere generaties: vol inkervingen en zelfs gaten doorheen de nochtans dikke schrijfvlakken. In de lagere jaren schreef men de reken- en
taaloefeningen met een griffel op een lei. De lei kon echt van leisteen zijn, maar die was gegarandeerd na enkele uren gebarsten. Meestal was de lei een samenstelling van geperst karton met twee dunne, verharde schrijfvlakken. Om af te vegen had men een stukje natte spons in een doosje. Vermits dat sponsje steeds droog en verhard was, werd de lei rechtstreeks en kordaat “bespeekt” en de klus werd met de hand afgewerkt. Voor die bevochtiging werd
soms ongevraagd assistentie verleend door een kameraadje. Zulk ernstig incident eindigde steevast en onmiddellijk op een korte maar hevige kloppartij. Tijdens de “hogere” jaren kwam de inkt aan de orde. In elke bank stak een wit, stenen potje waarin de inkt op peil werd gehouden door de leerkracht. Daarin doopten we onze ballonpen en het morsen kon beginnen. Thuis hoefden ze niet te vragen op welke dagen we met inkt hadden gewerkt.

F. Spel en ontspanning
De OT waren tijdens hun kinderjaren echte straatrakkers . De straat en ’t geleeg waren de gedroomde terreinen waar men zich ongeremd kon uitleven. Door het geringe autoverkeer waren de straten ook veilig en men kon ongestoord op de rijweg alles en nog wat ondernemen. Als het spel even moest ophouden, was het bijna steeds om een fietser door te laten. De spelletjes waren eenvoudig opgevat en veel verscheidenheid was er niet. Bij de jongens was het knikkeren (met glazen marbels) zeer geliefd en dat kon hen urenlang bezighouden. Ook balspelen waren zeer in trek. Ongelooflijk hoe de meisjes met drie en vier ballen tegelijk konden jongleren tegen een muur of zo maar in de lucht. Ook koordspringen en
“perkhinkelen” waren hun specialiteit.

Bij de jongens stond het balspel bijna synoniem van
“voetbal”. Er werd vooral gevoetbald op de lege “plaatsen” van de gelegen en op enkele zandpleintjes. De middelen waren eerder primitief: zonder “echte” voetbal, zonder gepaste kleding en schoenen. Men kende de spelregels en die werden grondig toegepast. Als twee straatploegen het tegen elkaar opnamen, werden die regels nogal verschillend geïnterpreteerd en menig partijtje eindigde met slaande argumenten. Het geleeg was een ideaal speelterrein en de mogelijkheden waren er zo aanlokkelijk dat vooral de jongens er hele dagen konden doorbrengen van de ene attractie naar de andere. Vooral de mogelijkheden in (en op) de loodsen (lezzes) met hun balkkonstrukties en de overvloed aan kleine spoorwagentjes werden danig uitgebuit. Het geleeg was in feite verboden terrein en men moest dikwijls op de vlucht, maar dat maakte het geheel nog aantrekkelijker. Buiten de schooluren kwam men nog weinig in contact met klasgenoten. De vrije tijd werd
doorgebracht met kinderen uit de buurt, ongeacht de school die gevolgd werd. Dat bracht ons nader tot elkaar, hoewel de politieke en levensbeschouwelijke achtergronden van gezin en school danig konden verschillen. Straatploegen en straatclubjes waren algemene regel.

Tussen sommige straten boterde het niet steeds en dan ging het er eventjes heftig aan toe. Er waren nogal veel grensconflicten en vrije doorgang werd niet steeds verleend. Ik kan me niet herinneren ooit thuisgebleven te zijn voor regen of kou. Wij waren erop uit
zoveel mogelijk in open lucht te ravotten en als we ’s avonds thuis belandden was onze pijp uit. Ons speelgoed was niet uitgebreid: lees- en tekenboeken, blokkendozen, speelkaarten .., Zeer
prettige ervaringen had ik met de “Meccano” -constructie-elementen. Ik bezat ook enkele “moteurkes” en dat schiep oneindige mogelijkheden.

Kermissen waren in Boom voortdurend aan de orde, niet alleen op de Grote Markt maar ook in alle wijken. Benevens de traditionele snoep-, wafel-, frit-, smoutebollen- en schietkramen waren er kleine molens met auto’ s, fietsen en namaakdieren, “wippentaters”, paardenmolens en ook een “toemolen” die beschutting bood tegen regen en wind en die aangedreven werd door een centraal opgestelde stoommachine. We maakten ook het ontstaan mee van de “botsautokes”. De begeleidende muziek kwam van orgels en ook van grammofoonplaten met versterkers. Het uiteindelijke klankniveau lag niet storend hoog, zodat het geheel gezellig en amusant overkwam.

In Boom waren drie cinemazalen . Op de vrije schoolnamiddag draaide men tegen verminderde prijs voor de kinderen. We kregen tientallen “stomme films” voorgeschoteld met “Charly”, “De dikke en de dunne”, enz., plus een massa “Cowboyfilms”. De cowboys waren gedurig aan de slag tegen ,de indianen. De indianen werden veelal afgeschilderd als wilden, dom en wreed. Dat de blanken er bijna in geslaagd zijn de indianen uit te moorden, hun gebied uit te persen en daarbij culturen vernietigd hebben die soms op een hoger peil stonden dan die van de blanken zelf, heeft men ons (toen) niet getoond.

Ook de opgang van de tekenfilm maakten we mee. Tekenfilms noemden we onveranderlijk “ne mikkimoes”, ongeacht de inhoud. De geniale Walt Disney produceerde de eerste lange tekenfilm: “Sneeuwwitje”. Het succes was overdonderend. Via ziekenkassen, jeugdverenigingen, scholen, toeristische groepen, enz. werden meer en meer ontspanningsmogelijkheden georganiseerd. Dit komt verder ter sprake.

3. DE AANLOOP TOT 1940
A. Leefpatroon
De betekenis van de ingrijpende gebeurtenissen tussen 1930 en 1940 en de commentaren daarrond vanwege volwassenen, kranten, radio ontgingen de OT grotendeels. Toch zouden vele begrippen, feiten en meningen uit die periode in hun gemoed bewaard blijven en vooral tijdens de oorlogsjaren duidelijk te voorschijn komen. Onze grootouders hadden als kind en als volwassene de onbeschrijfelijke, ellendige sociale toestanden in de Rupelstreek
meegemaakt, die reeds zo dikwijls en zo indringend werden beschreven door historici en sociologen. Ook “Ten Boome” besteedde daar al ruime aandacht aan. Onze ouders, geboren voor en rond de eeuwwisseling, groeiden op in een langzaam
verbeterend klimaat. Ook zij werden oorlogstieners! Zij konden herademen en heropleven tijdens de twintiger jaren, maar dat hebben wij niet bewust meegemaakt.

Vanaf de jaren dertig begon de afstraling vanuit de volwassenen naar de OT toe. Zonder het echt te begrijpen stelden wij vast, dat de mensen onrustig, ongerust, bekommerd werden. Zij maakten zich zorgen over de toekomst en vooral over de toenemende verslechtering van de internationale politieke toestand.
Onze grootouders en ouders hadden nog maar amper tien jaar tevoren een oorlog achter de rug en weerom doemde dat spook voor hen op. De termen “voor de oorlog” en “Na de oorlog”
klonken vertrouwd ter sfeer- en tijdsbepaling. De wonden van die oorlog waren nog niet geheeld. Boom had een zware tol aan mensenlevens betaald: van de 578 militairen waren er
102 gesneuveld. Velen waren verminkt, gehandicapt, in de longen aangetast en levenslang gehinderd door gifgas. Die tragedie werkte diep na in het gemoed van de volwassenen. Men schildert de Rupelstreek soms af als een onrustige, woelige regio, vol fanatiekelingen die met hun ten top gedreven tegenstellingen elkaar het licht van de zon niet gunnen. Dat beeld is fout! Men mag fanatisme niet verwarren met vastberadenheid en fierheid, nodig om zich als mens te doen respecteren. Die vastberadenheid heeft men in de streek gedemonstreerd, en hoe! Eerst de Sociaal-democraten, spoedig gevolgd door de Christen- democraten, hebben met bloed en tranen een einde gesteld aan de onmenselijke toestanden van de vorige eeuw. Die strijd was lang en hard, maar alle democraten hebben SAMEN gestreden, ongeacht politieke, filosofische of religieuze achtergronden. Ik bedoel hier vooral de drijfkracht die uitging van allen die ijverden voor verbetering van het stoffelijke en geestelijk welzijn van de werkende klasse: vakbonden, ziekenkassen, vele toegewijde vrijwilligers, zowel leken
als religieuzen.

Toen na de eerste oorlog de twee democratische groepen bijna even sterk waren, liet dat zich in positieve zin gevoelen op alle mogelijke gebieden. De samenhorigheid werd stevig in de hand gewerkt door het toenemend aantal gemengde huwelijken. Ikzelf groeide op in zulk gemengd gezin. Mijn vader was lid geweest van de Volkskinderen (jong-socialisten) en daar ben ik nu nog fier op.
Mijn moeder was de jongste van twaalf uit een Christelijk gezin. In de meeste gevallen betekende het een verrijking en het
bracht de families zeker nader tot elkaar. Ook het onderwijs werkte toenaderend. Met de heer Robert Lombaerts had ik na de oorlog
meermaals zeer aangename contacten. Meestal om  muziekfragmenten uit te zoeken als achtergrond of ter accentuering van zijn talrijke en gevarieerde publieke evenementen.
Hij was leraar aan de Rijksmiddelbare School. Tijdens vele ontmoetingen wist hij met overtuiging en met onverholen vreugde te vertellen, dat binnen de Rijksschool en ook binnen de Gemeentescholen, de sfeer tussen de leerkrachten onderling tolerant was en vol begrip voor eenieders overtuiging. Ongetwijfeld heeft zulke houding vele generaties van leerlingen gunstig beïnvloed. Wij kunnen met zekerheid stellen, dat het aandeel van de heer Lombaerts ook op dit gebied aanzienlijk was. Op een van de
herdenkingen na zijn overlijden werd zijn houding door Mevrouw Lombaerts-Van den Bril raak getypeerd: oecumenische benadering avant la lettre. De Boomse gemeenschap heeft deze
innemende, veelzijdige en ijverige mens en kunstenaar vereeuwigd en daar zal wel iedereen gelukkig om zijn.

Tenslotte nog een mening, eveneens uit de eerste hand. Mijn schoonvader was van 1931 tot 1956 politiecommissaris in Rumst. Voordien was hij bij de Rijkswacht en hij had gewerkt en met zijn uitbreidend gezin gewoond in zes verschillende gemeenten vanaf de Nederlandse grens tot diep in het Pajottenland. (ook te Boom in 1924). Hij was van mening dat de Rupelstreek de rustigste en verdraagzaamste regio was die hij beroepshalve had gekend. Hij
kon het weten!

Tijdens de verkiezingsperiodes werd de sfeer wel meer gespannen, zeker, maar bij ons niet méér dan elders. Wellicht waren en zijn er altijd mensen van elke gezindheid, die, als het ware van vader op
zoon, sinds de vorige eeuw opgekropte wrokgevoelens koesteren, met zich meeslepen en verder uitzaaien. Zij kunnen het niet laten te veralgemenen en tendentieus na te trappen ten overstaan van mensen die zich niet meer kunnen verdedigen. Het zal wel een minderheid zijn, die zich hiertoe laat verleiden. De politieke ontwikkelingen met de opkomst van radicale, racistische krachten voorbij onze oostgrens voorspelden niet veel goeds en (bij na) overal werd de groei van het nazisme met wantrouwen gevolgd.

B. Crisis
Rond 1933 eisten nog andere problemen de aandacht op: de algemene crisis die de wereldeconomie aan’ t wankelen bracht en aanleiding gaf tot zeer verspreide werkloosheid, sociale onzekerheid, stakingen. Naar de jongeren toe bood Boom een infrastructuur aan, waaruit heel de Rupelstreek en ook
Klein-Brabant voordeel haalden. Benevens het Lager Onderwijs bestond in Boom een uitgebreid net van Middelbaar en Technisch Onderwijs, Academie voor Schone Kunsten, Muziekschool, … beheerd door Rijk, Provincie, Gemeente en door gesubsidieerde instanties. Boom was dus zeer vooruitstrevend en er kwamen jongeren op af uit heel de omgeving. Voeg daarbij nog turnkringen, zwemclub, voetbalclubs, jeugdbewegingen, bibliotheken, muziekverenigingen …

Naast de traditionele schoolreizen werden er vanuit de vakbonden en ziekenkassen vakanties van langere duur georganiseerd, zoals in “Boom tussen de twee wereldoorlogen ” (A. Vinck)
wordt vermeld. De lijst is onvolledig, dat kan niet anders.
In de Kerkstraat was het St.Jozefpatronaat gevestigd, rond 1936 omgedoopt en opgenomen in de landelijke Chirojeugd. De groep was enorm actief en bloeiend. Ooit trokken we met 350
leden naar een Provinciale bijeenkomst en de 4 à 5 deugddoende vakanties in de Kempen (Nijlen en Geel-Bel) lieten een onuitwisbare indruk na. In 1936 werd de wet op het betalend verlof toegepast. Deze plotse mogelijkheid stimuleerde de toeristische verenigingen en voor velen gingen de grenzen open.

Ook het fietstoerisme bloeide op: de eerste fietsen met “drie vitessen in de as” verschenen in de handel en door de “dérailleur” werden alle hellingen haalbaar. Kortom, vanaf het midden der dertiger jaren bood Boom aan de OT dezelfde mogelijkheden als een grotere stad. In de dichtbevolkte en aaneengesloten huizenrijen was er veel dagelijks contact tussen de bewoners. Te voet of per fiets kon men iedereen op korte tijd bereiken en optrommelen. Men moet hierbij bedenken, dat bijna niemand over telefoon
beschikte!

Tijdens het warme seizoen werden de avonden op straat doorgebracht, vooral in de volkse buurten. Ook in mijn straat, “de Bomestraat”, werden stoelen en bankjes op het voetpad gezet
en men praatte over alles en nog wat. Moegespeeld kwamen wij uiteindelijk bij die volwassenen terecht en we luisterden stil naar al die gesprekken. Ik zal niet beweren, dat we daar op hoog niveau werden opgeleid, maar uit het amalgaam van indrukken door al die
mensen zo spontaan en ongecompliceerd verteld, kregen we toch inzicht in maatschappij en beroepsleven.

Naarmate de avond vorderde werden de gesprekken zachter. Bij kalm weer hoorde men vanuit de waterputten, beken en rietpartijen der steenbakkerijen ontelbare kikvorsen met hun specifiek geluid. De buurters zochten hun huizen op met een” sloppel ” en met de vaststelling: het weer blijft goed want “de vesse kwake”.

In sommige straten en buurten haalde men de neus op voor die avondlijke bijeenkomsten … ik vond het stemmig.
Men spreekt soms van “lange winteravonden”. Tijdens de vooroorlogse periode waren die niet zo lang omdat men vroeg naar bed ging! De werktij den waren lang, dat wel! Bovendien waren de meeste beroepen zeer arbeidsintensief. Op zaterdag en zondag duurden de avonden wél lang, maar dan ging het er gezellig aan toe, niet het minst in de talrijke cafés maar ook in familiekring.

De inbreng van de radio kan niet overschat worden. Niet alle mensen beschikten over een radiotoestel maar voor bepaalde terugkerende programma’s ging men bij familie of buren.
Alle facetten die konden bijdragen tot volksontwikkeling kwamen uitgebreid aan bod: muziek, luisterspelen, kinder- en jeugdprogramma’s, sportreportages … De nieuwsberichten
(men noemde ze “gesproken dagblad”) behandelden zowel buiten- als binnenland en alle mogelijke onderwerpen. De algemene kennis en de belangstellingssfeer van de bevolking namen fel toe.

Rond 1936 kwam men op het schitterende idee om radiodistributie aan te leggen. De centrale in de Kerkstraat en het kabelnet langs de huisgevels waren vlug bedrijfsklaar. Men ontving een zestal zenders en de abonnementsprijs was gering, om het even of men veel of weinig luisterde. Men diende ter plaatse geen electriciteit toe te voegen, want de energie kwam geheel uit het radionet. De kwaliteit was niet vergelijkbaar met de huidige Hi-Fi toestellen,
maar voor die tijd betekende de radiodistributie een ware revelatie.

Op medisch gebied was Boom zeker niet achterop tegenover de omliggende gemeenten. Er waren (denk ik) een tiental dokters en er was een ziekenhuis in de Kerkhofstraat :  ” ’t Gasthuis”. Geneesheren-specialisten waren er niet (?) en in het ziekenhuis werden operaties uitgevoerd door chirurgen die niet in Boom woonden. Ernstige zieken werden gewoonlijk door hun huisdokter of per taxi naar de kliniek gevoerd. Soms gebruikte men de “wieg”. (zie “Zo was Boom” p40. De foto dateert van 1936 of later, want de distributiekabel met spandraad is duidelijk te zien) .

In het centrum hadden een viertal apothekers zich gevestigd. Voor de oorlog werden de meeste kinderen thuis geboren. Het
beroep van vroedvrouw stond hoog in aanzien. De meeste mensen stierven thuis. Voor terminale zieken werd heel de familie ingezet. In een ziekenhuis kwam men enkel terecht voor operaties en voor uitzonderlijke gevallen. Er waren toen geen penicilline, geen
antibioticum, geen … Sommige ziekten woekerden nog fel: pokken, kinkhoest, kinderverlamming, tering…

De ordehandhaving werd in Boom verzekerd door een brigade van de Rijkswacht en door de Gemeentelijke Politie. In “Boom tussen de twee wereldoorlogen” p105 is een fraaie foto opgenomen van de politiemannen zoals alle OT die gekend hebben. (Commissaris,
veldwachter, 13 agenten). Het waren meestal vaderlijke figuren en sommigen hadden een bijnaam.

Tijdens de oorlog hielp ik na schooltijd een nonkel-bakker bij het bestellen van brood. Met de zware mand en de logge fiets reed ik in de Velodroomstraat zoveel mogelijk op de verboden zandweg liever dan op de bonkige kasseiweg. Dikwijls kruiste ik dezelfde “garde” die eveneens de zandweg nam. Als hij nu en dan op de kasseien reed, dan riep hij: “Op de steenweg rijden, manneke, want de gendarmen staan ginder”.

Nog een pittige anekdote, mij dikwijls verteld door Frans Tollenier , leraar aan de Gemeentelijke Muziekschool. Toen één van zijn vrienden (Bomenaar) afgestudeerd was aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen, werd dit heuglijk feit gevierd in een café aan de Grote Markt te Boom. Er werd lustige muziek gespeeld en de sfeer was opperbest. Rond middernacht kwamen twee gardes binnen, zogezegd om het burengerucht te
laten ophouden. Nog geen uur later waren ze op hun kousen mee aan ’t dansen! Het was niet mijn bedoeling het Boomse politiekorps te kleineren. Integendeel, het waren mensen die vanaf hun aanstelling in Boom woonden en leefden. Zij waren streng als ’t nodig was, maar zij lieten voor iedereen de zon in ’t water schijnen.

c. Mobilisatie
In 1936, tijdens de Spaanse Burgeroorlog kwamen talrijke Spaanse kinderen in Belgische gezinnen terecht. Zelf heb ik méér dan één jaar een Spaanse jongen naast mij op de bank gehad. Ik was getuige van zijn schrijnend heimwee naar zijn gezin en streek. Ook was hij
ongelooflijk bekommerd om hun veiligheid. Dit gebeurde in het zesde leerjaar van de Broedersschool. De Broeder van de klas spande zich enorm in om de aanpassing van die jongen in de hand te werken. Ik denk, dat hij daar al zijn vrije tijd in stak, want dagelijks
waren er nieuwe initiatieven. Dit werkte aanstekelijk op al de klasgenootjes en na enkele maanden was de Spaanse jongen flink aangepast. Ook in andere klassen en scholen warenvluchtelingen opgenomen.

De OT snapten niet veel van alle wijzigingen in het dagelijks leven. Wel was het opvallend, dat meer en meer militairen in het  straatbeeld verschenen. Het werd voor de OT pijnlijk
voelbaar toen de mobilisatie begon en stapsgewijs opgedreven werd. Vaders van OT, nonkels, oudere broers en kozijns werden wederopgeroepen. Soms werden zij na enkele weken of
maanden ontslagen om kort daarna teruggeroepen te worden. Het gezins-, familie- en gezelschapsleven werden geheel’ overhoop gehaald en ook de geldelijke gevolgen waren duidelijk voelbaar.
De volwassenen verslonden de kranten en zaten gekluisterd aan de radio-nieuwsberichten. De OT waren zich niet bewust van de ernst. Toch herinner ik mij zeer levendig enkele klankbeelden op de radio van de vele massabijeenkomsten in Duitsland. Tienduizenden
reageerden als één blok tijdens de toespraken van de hoge nazibonzen. De agressieve toon klonk mij onwezenlijk in de oren. De inhoud ontging mij grotendeels, maar het globale effect was beangstigend.

De Belgische Legergroepen werden meermaals verplaatst. Op een herfstavond in 1939 was er een doortocht van militairen doorheen Boom. De groep kwam uit de richting Terhagen en voorop reden moto’s met zijspan die op de kruispunten de weg aanwezen. De eigenlijke colonne bestond uit talrijke kanonnen, telkens voortgetrokken door vier paarden, en enkele compagnies voetvolk met vooraan een overste te paard. Op zich was het een voor die periode alledaags gebeuren en toch maakte die doortocht diepe indruk op de toekijkende Bomenaars. De schaarse straatverlichting en de schommelende petroleumlampen van de troep schiepen
een speciale sfeer. Al deze militairen en ook de paarden waren doodvermoeid en vervuild door een lange, stoffige tocht. De soldaten waren niet meer zo jong, integendeel, het waren
reservisten. Behalve de zware hoefslagen en het trage gedokker der kanonnen was er geen geluid, tenzij opporrende, korte bevelen tot de paarden.

De soldaten van het voetvolk waren zwaar beladen met pak en zak. Zij spraken geen woord en tijdens hun voorbijgaan was de stilte bijna compleet. Via de Tuyaertsstraat en de Antwerpsestraat ging de trage tocht richting Antwerpen. Toen alles voorbij was, kwamen de tongen los. Mannen vloekten en maakten zich kwaad, vooral omdat men op dat late uur nog niet aan halt houden toe was en omdat alle soldaten zo zwaar beladen waren. Vrouwen waren
zichtbaar bedroefd en vol medelijden met deze mannen, die, ver van gezin en familie, in de late donkere avond op weg waren naar “ergens te velde”. Velen dachten aan hun eigen echtgenoten en zonen.

We stonden met enkele snaken samen, allen met kippenvel. Ik was toen dertien jaar; het was de eerste gebeurtenis in verband met oorlogstoestanden, die blijvend en gedetailleerd in mijn
geheugen gegrift bleef.

De OT en ook veel ouderen hadden rond 1938 een vette kluif aan
de successen van de voetbalclub Boom FC. De club was opgerukt tot de hoogste afdeling die men toen Ere-afdeling noemde. Plots kon men om de twee weken al de topspelers en topscheidsrechters van het land van dichtbij bezig zien zonder zich te moeten verplaatsen. De uitdrukking “van dichtbij” is letterlijk op te nemen want op het terrein van Boom FC stond men slechts enkele meters van de krijtlijnen verwijderd. Om zich op het nieuwe niveau te kunnen handhaven, bouwde men een tweede tribune. Achter een van de doelen richtte men hoge betonnen staanplaatsen op. Dit was een serieuze streep door de rekening van de tientallen vaste klanten die met laddertjes naar het plein kwamen en zo boven de schutsels gratis de matchen volgden. Hun aantal plaatsen werd gehalveerd!

Vanaf het najaar 1938 werden de OT gewaar, dat er iets ingrijpends in hun jonge leven zou gebeuren. In de volksmond klonk het dan: “den Duits komt terug”. Op school werden de internationale gebeurtenissen wel aangeraakt, maar we konden die niet op hun ware betekenis inschatten. Ook in krant en radio kwamen al die termen terug: fascisme, nazi’ s, aanhechting van Oostenrijk,
Duitse inval in Polen, oorlog tussen Frankrijk en Engeland tegen Duitsland. . .

De algemene mobilisatie trof ons zeer in ons kinder- en tienergemoed. Alle reservisten werden opgeroepen. Politieagenten deelden straat per straat de bevelschriften rond. De mensen hielden hen in de gaten en konden voorspellen waar aangebeld zou worden. Enkele uren nadien zag men de opgeroepenen met hun valiesje naar de tram of naar het station trekken. Allen waren uit hun uniform gegroeid en sommigen konden er zelfs niet meer in. De families bleven verdrietig en ongerust achter.

De militairen werden niet aan hun lot overgelaten. In hun verblijfsplaatsen werden ontspanningsavonden georganiseerd met toneel, muziek, film… Ook op het thuisfront werden allerlei acties op het getouw gezet om hen lectuur en geschenken te bezorgen.
De radiostations brachten speciaal tot de militairen gerichte programma’s.

4. OORLOG
A. Begin
Zeer vroeg in de morgen van 10 mei 1940 werd iedereen gewekt door ongewone geluiden. Het was een zonnige morgen en hoog in de lucht zagen we talrijke vliegtuigen die beschoten werden vanaf de grond. Elke ontploffende granaat vertoonde een wolkje en even nadien volgde de knal. De vliegtuigen vlogen in grote formaties en het geluid klonk monotoon, sterk en aanhoudend. Ditmaal was het menens, het was geen oefening. Via de radio kwam er
bevestiging: de Duitse legers waren België en Nederland binnengerukt te land en in de lucht.

Het geloei der sirenen, die elke alarmtoestand aankondigden, zou vele jaren bijna voortdurend onze oren teisteren. In deze bijdrage tot “Ten Boome” tracht ik het leefwereldje van de toenmalige tieners te schetsen. Ik was 14 toen de oorlog uitbrak en 19 toen hij op 8 mei 1945 eindigde (althans in Europa). De feiten die mij frappeerden verhaal ik zoals ze toen voorkwamen. Het verhaal is nu en dan onvermijdelijk vertekend door de latere kennis omtrent achtergrond, aanloop en gevolgen en ook wegens de gebrekkige en tegenstrijdige informatie tijdens de oorlog. Het verloop van de
oorlog werd reeds meermaals en uitgebreid behandeld door historici en andere bevoegden.

Alle media worden ingezet. De mozaïek van feiten en meningen wordt alsmaar verder gecompleteerd en tevens gezuiverd van vooroordelen en misvattingen. Kortom: professioneel
bewerkte documentatie is er in overvloed. Mij n tekst is gekleurd doorheen de eigen bril en met de betrachting alle vooringenomenheid te vermijden, voor zover dat haalbaar is. De eerste oorlogsdagen werden gekenmerkt door een vloed van tegenstrijdige berichten en kwakkels. De volwassenen waren zenuwachtig en angstig. De scholen waren gesloten en vele bedrijven werkten onregelmatig of helemaal niet. Radioberichten werden met spanning beluisterd.

B. Verduistering
Vanaf de eerste oorlogsdag was men verplicht alle buiten stralend licht te beletten. Dat klinkt eenvoudig maar in praktijk viel dat niet mee. De geburen controleerden elkaar en elk schijntje, dat toch nog buitenglipte, werd gerapporteerd. Tijdens lente en zomer met lange dagen en korte nachten viel de duisternis op straat nogal mee. Herfst en winter gaven méér problemen. Men kan zich nu niet meer voorstellen wat “pikdonker” betekent. Zelfs als de straatverlichting uitvalt, is het nog niet helemaal donker, want doorheen het hele land is de lichtuitstraling van steden en grote gemeenten, autowegen,
industrieterreinen, enz. in de lucht te merken. Als het tijdens de oorlogswinters bewolkt was of als het ’s avonds en ’s nachts regende dan zag men gewoon geen steek. Als daar nog mist bij kwam, dan was het zoeken en tasten om z’n weg te vinden. Bij heldere hemel pasten wij ons vlug aan en voelden wij ons op straat even zelfverzekerd als overdag.

Voor astronomen was het hoogtij, want de sterrenbeelden stonden zeer contrastrijk afgetekend. Zaklampen durfde men niet meer voluit aanwenden; bovendien waren de pillen niet meer te
verkrijgen, of te duur en van slechte kwaliteit. Men lanceerde een soort magneto (zoals op de fiets) die door knijpbewegingen een korte impuls leverde aan het lampje.

C. Vluchtelingen
Enkele dagen na 10 mei trokken de eerste vluchtelingen door Boom. Ik woonde in de Kerkhofstraat 8 en zoals alle tieners schuimde ik de hele dag het centrum en de veerdam af. Het aantal vluchtelingen nam dagelijks toe. Velen kwamen uit Limburg en ook uit Diest en
Aarschot. Het was een troosteloze stoet van karren en paarden, stootkarren, kinderwagens, fietsen, voetgangers, .., Door allerlei versperringen, omleidingen, opgeblazen bruggen, enz. waren zij verplicht vanaf Lier en Duffel over Reet of Rumst naar Boom te trekken en daar de Rupel en Vaart over te steken. Het weer was prachtig en warm, wat de tocht bemoeilijkte. Zij bereikten Boom langs de Kapelstraat en vooral langs de Kerkhofstraat. Die mensen hadden honger en vooral dorst en zij zagen er vuil en vermoeid uit. De bewoners van genoemde straten en ook uit het centrum deden hun best om de vluchtelingen te helpen. De twee waterpompen aan de Advokaatstraat en aan de Varkensmarkt kwamen er overvloedig aan te pas.

Vele Bomenaars vroegen zich af waarom die mensen eigenlijk op de vlucht waren, want op dat ogenblik was bij ons geen bevel tot evacuatie gegeven. Steeds was er dezelfde uitleg: de meeste mensen kwamen uit streken waar de Duitsers tijdens de vorige oorlog brutaal te keer gingen. Velen hadden dat toen meegemaakt en de schrik voor herhaling van die wreedheden dreef hen op de vlucht.
Spoedig zou “de vlucht” bijna algemeen worden. Mannen en jongens vanaf 16 jaar werden ertoe verplicht. Er was onzekerheid omtrent de maximumleeftijd.

Door de groeiende paniek werden uiteindelijk vele families meegezogen en ze vertrokken richting kust en Frankrijk. Zij gingen of reden allen een hachelijk avontuur tegemoet. Na korte
tijd werden West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk één kluwen van miljoenen militairen en burgers. Zij zaten allen gekneld in de tang van het Duitse leger, dat in een Blitzkrieg vooruitgevlogen was. Toen op 28 mei het Belgische leger capituleerde, ging een golf van
opluchting door gans het land. Zij die “thuis” bleven, kregen gelijk, maar dat was van te voren niet te voorspellen. Elf Boomse militairen waren gesneuveld en ook burgers werden gedurende de vlucht gedood, meestal bij bombardementen langs de Franse kust. Onder hen ook jonge mannen, die ik persoonlijk kende en die zeer bedrijvig waren in het Boomse verenigingsleven (vooral Chiro) .

De familie Van Wouwe die (ook nu nog) zoveel talentrijke muzikanten leverde, werd bijzonder zwaar getroffen. Vader Van Wouwe en vijf zonen waren spelend lid van de socialistische harmonie “Vooruit”. “Zo was Boom” (A. Vinck, p.54) toont ons een fiere vader Kamiel met zijn zonen. Drie van hen stierven tijdens de vlucht! Met Léon, die evenals ik piccolo en dwarsfluit speelde, heb ik nadien jarenlang samengespeeld in het orkest van de muziekschool. Vanaf de bevrijding in september 1944 werd het orkest veel gevraagd ter opluistering van allerlei plechtigheden, vieringen en herdenkingen. Vooral tijdens toespraken werd het hem soms te machtig.

D. Rotterdam
Uit de vloed van oncontroleerbare geruchten bereikte ons ook de tijding over een Duits bombardement op Rotterdam. Men sprak van grote verwoesting en vele slachtoffers. Men betwijfelde de juistheid van dit bericht, men achtte het onmogelijk en in strijd met alle
menselijke waardigheid dat men zomaar een open stad zou vernielen en daarbij de bevolking als onkruid zou verdelgen. Toch werd kort nadien het bericht bevestigd: het bombardement
had plaats op 14 mei, de vijfde dag van de oorlog. De oude binnenstad, het hart van Rotterdam was vernield en er vielen talrijke slachtoffers onder de burgerbevolking. De ontzetting en de angst waren groot en Nederland capituleerde op 15 mei.

E. De zomer van 1940
Niettegenstaande de geleidelijke terugkeer van de gevluchte Bomenaars bleef het dagelijks levenspatroon ver beneden het vroegere peil. In september werden de scholen heropend en dat
hield de OT voltijds bezig. De houding van de modale Duitse militairen was niet direct van aard om de bewoners schrik
in te boezemen, maar toch voelde men vanuit de bezetters een strakke,’ compromisloze dwang. De propagandamachine werkte volop en vrij regelmatig trokken honderden jonge, zingende soldaten door de gemeente. Zij blaakten van overtuiging en hun liederen klonken hoekig en “gekapt”. De teksten waren agressief en hooghartig. De meeste OT waren niet bang, denk ik, maar wel voorzichtig.

Sommige scholen waren gedeeltelijk bezet door allerlei Duitse eenheden. Na de indrukwekkende colonnes en paniek zaaiende , huilende Stuka’ s van begin mei ontdekten we dag na dag de organisatie, de uitgebreidheid en de verscheidenheid waaruit de Duitse oorlogsmachine was opgebouwd. Maandenlang trainde men in Boom jonge Duitse pantsersoldaten. Als zij ’s avonds vrij langs
de straten flaneerden met hun zwarte uniformen en hun grote, speciaal gedeukte mutsen met doodshoofden “versierd”, dan voelde ik een hevige afkeer. Die jongens konden wellicht niet zelf bepalen in welke eenheid zij zouden terechtkomen. Zij hadden weinig contact met de Bomenaars en ik denk, dat zij zich de Boomse meisjes en vrouwen anders hadden voorgesteld, want die hielden zich duidelijk afzijdig en negeerden hen. Ik denk dat het
merendeel van de Boomse bevolking die houding gedurende de ganse oorlog heeft aangenomen, nog toenemend met de tijd en met de alsmaar groeiende onverdraagzaamheid der bezetters.

F. Werkloosheid en allerlei tekorten
Door de ontreddering van de economische bedrijvigheid, zoals de sluiting van vele fabrieken en het gebrekkig verkeer, ontstond in heel het land grote werkloosheid. De nazi’ s profiteerden hiervan en lokten de Belgen naar Duitsland om daar tewerkgesteld te worden. Velen kwamen vrij dikwijls “over en weer”, gepakt en beladen met vooral voedingswaren die bij ons schaars of helemaal niet meer te verkrijgen waren. Voedseltekort noopte de overheid reeds in de zomer tot invoering van de rantsoeneringskaart.

Niet alleen de onregelmatige leveringen waren hiervan de oorzaak, maar er werd ook op grote schaal gehamsterd. Immers, men herinnerde zich de hongerjaren van de vorige oorlog en de
ouders waren vooral bezorgd om hun opgroeiende tieners. Ook zwangere vrouwen vroegen bijzondere aandacht. Behalve de gevaren en beperkingen waaraan iedereen onderhevig was,
ontstonden voor de tieners bijkomende moeilijkheden. Die eerste zomer viel nogal mee, maar vanaf de winter 40-41 werd het erger. De groei naar de volwassenheid werd sterk belemmerd en vertraagd. Het voedsel rantsoen leverde te weinig bouwstoffen voor de lichamelijke ontwikkeling van de tieners. Er diende dus gezocht naar aanvullende voeding. Meestal kwam men terecht op de “zwarte markt” waar men schromelijk overdreven prijzen eiste.
Als in vredestijd een grote industriegemeente of een stad vele voordelen biedt, dan is dat niet meer zo in oorlogstijd. Weinige bewoners hadden voldoende hof of tuin om zelf een en ander
te winnen. Men ging dus “de boer op” in de omliggende en zelfs verder gelegen gemeenten. Sommige boeren gingen zich te buiten aan woekerpraktijken. .. andere bleven redelijk en vol begrip,
zoals ik meermaals mocht ervaren. Hoe dan ook, men moest gedurig op zoek en de zeer strenge oorlogswinter van 1941 heeft de mensen pijn gedaan.

G. Overzicht
In deze bijdrage tot “Ten Boome gaat, het, wat de oorlogsperiode betreft, over de “Tieners tijdens de oorlog”. Het algemeen verloop in een notendop is wel noodzakelijk. Tot na de eerste oorlogswinter verminderde de militaire drukte. Tenminste in onze contreien,
want de “Slag om Engeland” woedde in volle hevigheid. Het oppermachtige Duitse vliegwezen bombardeerde genadeloos de Engelse steden. De RAF, alhoewel in de numerieke minderheid, hield heldhaftig stand en de overtocht naar Engeland ging niet door!

Op straat zongen de Duitse kolonnes tot vervelens toe: “und wir fahren gegen En-ge-land, Enge-land”. Dat liedje konden ze opbergen. Na de school- of werktijden was er de voortdurende
zorg voor voedsel en vuur. Brood was soms oneetbaar: een papperige brij waarvan de “klak” loskwam. “Aanschuiven” werd een begrip. Urenlang in de rij staan in alle weersomstandigheden en voor alles en nog wat werd bijna dagelijkse bezigheid. De tochten naar de boeren werden gevaarlijker omdat de controles erop fel verscherpten. De burger-controleurs werden versterkt door de Rijkswacht en door de Duitse gewapende milities. “Smokkelen” via tram of trein werd een riskante onderneming.

Toen de reeks Duitse overwinningen werd onderbroken, kantelde de oorlogsvoering en langzaam voelde men dit in het ganse land. Vanaf 1942 vlogen bijna dagelijks Engelse en Amerikaanse bommenwerpers naar Duitsland. Hun ééntonig maar machtig gebrom was letterlijk niet uit de lucht. Telkens was er luchtalarm maar men bleef gewoon aan ’t werk of in bed… Dat de oorlog naar België, Nederland en Frankrijk zou terugkeren werd ondermeer duidelijk vanaf 5 april 1943. In volle namiddag werd Mortsel door Amerikaanse bommenwerpers zwaar getroffen. Er vielen 936 slachtoffers waaronder 209 kinderen jonger dan 15 jaar. (In
drie scholen stierven 189 kinderen). Van de 1342 gewonden bleven 587 blijvend gehandicapt. Duizenden bewoners werden dakloos. Men noemde dit een “tapijtbombardement”. Het was verschrikkelijk. Enige tijd later en tot ver in 1944 werden nog een vijftiental steden en agglomeraties geteisterd.

Kardinaal Van Roey richtte zich tot de Amerikaanse en Engelse regeringen om de bombardementen te stoppen. Wie op een compacte, vulgariserende, historisch verantwoorde, ernstig wetenschappelijk geadviseerde en vlot lezende manier informatie wenst omtrent de bezetting, verwijs ik naar de in boekvorm uitgegeven begeleiding bij BRT-programma’ s, deel 2, “Een bezet Land”. Auteur: Hedwig Jacquemyns. Uitgeverij: De
Nederlandsche Boekhandel. (Antwerpen/Amsterdam)

H. Tieners in de oorlog

De tieners van 13, 14 jaar zijn moeilijk binnen te houden. Nog voor de Duitsers Boom inpalmden, viel een Duits vliegtuig in de wijk “Hoek’. Het toestel was plat en schuivend geland boven op enkele droogloodsen. Toen wij met enkele jongens uit de straat ter plaatse
kwamen, waren Belgische soldaten druk in de weer om de Duitse bemanning gevangen te nemen. De soldaten joegen ons met aandrang weg…, wij hadden inderdaad geen aandacht
voor de risico’s. Eveneens voor de aankomst der Duitsers werd heel Boom plots opgeschrikt door een enorme knal en een geweldige davering. Verschrikt rende iedereen de straat op. Kort nadien vernamen we, dat de brug over de vaart opgeblazen was door de Belgische Genie. Men verwachtte nog erger geweld als de brug over de Rupel zou opgeblazen worden. De bevolking werd ervan
verwittigd en wij kregen de raad (’s anderendaags) gedurende enkele uren onze huizen te verlaten en liefst in hof en op pleinen te blijven. Er gebeurde schijnbaar niets. Met enkele jongeren uit de buurt muisden wij eruit en in looppas bereikten wij de veerdam via het sloepje naast de “Palace”. Jawel, de nieuwe (1939) brug lag in ’t water. Vanaf de Boomse oever tot aan het hefmechanisme was de brug omzeggens ondergedoken. Blijkbaar niemand had iets
gehoord of gevoeld.

Ontspanning
Het ontspanningsleven van de OT was sterk aan banden gelegd. Om diversen redenen waren vele organisaties niet meer leefbaar. Toch ben ik zeker, dat sommige verenigingen niet helemaal afhaakten maar zo ongemerkt mogelijk actief bleven. Ik was reeds lang lid van de Chiro en in de loop van 1941 ook spelend lid van de Koninklijke Harmonie ” Rupelzonen” . De harmonie verscheen niet meer op straat maar men repeteerde zoveel mogelijk elke week,
met af en toe een “repetitie-concert”. De Chiro werkte eveneens bescheiden voort en de proost Eerwaarde Heer De Vos,
onderpastoor, wist handig de vlam in de pan te houden. Heel wat leiders waren ondergedoken of verplicht tewerkgesteld in Duitsland. Wij waren daardoor veel vroeger dan normaal bij de
leiding betrokken. Ik herinner mij een gewestvergadering in Antwerpen, gehouden in een grote school van het centrum. Aan alle ingangen waren wachtposten opgesteld om bij gebeurlijke controle door de Gestapo tijdig dekking te zoeken en weg te glippen.

Het was in de lente van 1944 en de oorlogskansen van de geallieerden verbeterden aanhoudend. De algemene Chiroleiding ontwikkelde de naoorlogse werking! Het was spannend en toch waren we rustig en zelfverzekerd. Het stille, voorbereidende werk voor “na de bezetting” werd trouwens door de meeste groeperingen tijdens de bezetting al aangevat. Door al dat clandestiene werk waren er weinig openingen naar buiten toe, en zo kon het gebeuren dat ontelbare leeftijdsgenoten elkaar nog bitter weinig ontmoetten tenzij in het eigen kringetje. De gemeentelijke muziekschool werkte ijverig voort. Door de leraars werden we echt vaderlijk benaderd en dat deed ons deugd. Met eerbied en dankbaarheid vermeld ik hier de namen van directeur Louis De Laet en van mijn leraars Jan De Wachter en Frans Tollenier. Ook de orkestklas repeteerde wekelijks en dat was telkens een gebeurtenis waar ik verlangend naar uitkeek. Het schoolorkest bestond uit een allegaartje van gevorderde leerlingen, meisjes en jongens, enthousiaste volwassenen en leraars. Er heerste een als vanzelf gegroeide band van vertrouwen en samenhorigheid. In die tijden van wantrouwen en verklikking was dit zeer welkom. Tijdens de bezetting werd enorm veel gelezen. In de bibliotheken werd door talrijke vrijwilligers prachtig werk geleverd.

Aanhoudingen en verwarring
In de loop van 1941 was er plots ontstellend nieuws in Boom: minstens tien jonge mensen werden aangehouden door de bezetters. Dit nieuws werd niet van de daken geschreeuwd, het
werd doorgefluisterd met de nodige omzichtigheid. De bevestiging na de onzekerheid drong diep in ons gemoed. Ik kende persoonlijk een drietal van de aangehoudenen, het best van al Louis Eyckmans, amper zeventien. Hij woonde slechts vijftig meter verder, waar zijn ouders een bekend lokaal en feestzaal uitbaatten. Tijdens onze kinderjaren was hij een dagelijkse speelkameraad. De ware toedracht omtrent die aanhoudingen werd niet openlijk onthuld,
hoewel de vermoedens later bewaarheid werden. Het zette ons, oorlogstieners , aan tot grote voorzichtigheid in gedrag en woord.
Het klimaat van onzekerheid nam nog toe naarmate de oorlogskansen zich tegen Nazi-Duitsland keerden.

Voedsel en andere noodzakelijke dingen werden schaarser en bovendien onbetaalbaar. Men droeg houten schoenen ofwel werden schoenzolen beslagen met vierkante ijzeren nagels. De OT die hun “groeischeut” kregen, liepen er bij alsof hun kleren gekrompen waren. Voor de meisjes speelde de lengte van rok of kleed eigenlijk geen rol, maar bij de jongens was er overal “water in de kelder”. Men werd ongelooflijk vindingrijk in het verwerken van allerlei
overschotten en de kieskeurigheid verdween grotendeels.
Evenwel, een klein deel van de bevolking ging erop vooruit. De “oorlogsprofiteurs” van allerlei slag deden gouden zaken, dikwijls zonder scrupules. Zij waren soms zo arrogant deze door de oorlog geboden kansen openlijk in hun kledij en hun gedrag te demonstreren. Ook in de bereiding van allerlei voedsel werden alle varianten geprobeerd. Begin 1943 werden we plots overstelpt met haring. Het werd een delicatesse die in vele vormen op tafel
kwam, en die ons toch langdurig in grote hoeveelheid werd bedeeld.
Snoep en citrusfruit werden een verre herinnering. In de school kregen we rond december een appelsien en een stuk chocolade. De bezetter draaide de schroeven vaster aan: opeisingen,
verplichte tewerkstelling, wegvoeringen van joden en van vele anderen die om één of andere reden in ongenade vielen. .. kortom, het was een vermoeide en vermagerde bevolking die op 6
juni 1944 vernam, dat de geallieerden in Normandië geland waren.

Vanaf dat ogenblik leefden we met vernieuwde hoop naar de bevrijding toe. Uit mijn beknopt relaas over de bezetting mag men niet afleiden dat de OT enkel kommer en kwel hebben gekend. Vast niet! Met weinig middelen en zonder comfort hebben we in beperkte kring, onder trouwe vrienden er het beste van gemaakt. Ik denk dat bij de meeste OT de rode draad van hoop steeds aanwezig was.

I. Bevrijding
Langs de verboden Engelse radiozender vernamen we dagelijks de vordering van de geallieerde invasielegers. Vanuit de Chirolokalen in de Kerkstraat hebben we de zielige terugtocht van het eens zo grote Duitse leger dagenlang gadegeslagen. Zij kwamen hoofdzakelijk via de boulevardbrug . De Wehrmacht-soldaten trokken met alle mogelijke middelen richting Antwerpen. Velen waren te voet en van hen ging geen dreiging meer uit. Anders was het gesteld met sommige leden van die talrijke Nazi-milities waarvoor men liefst uit hun vizier bleef. We vernamen dat Brussel op 3 september was bevrijd en men verwachtte de Engelsen zeer
spoedig. Die maandagmorgen ontsnapte ik thuis uit de Kerkhofstraat . Er was bijna niemand buiten.

Aan het “kruis van de steenweg” keek ik in de Leopoldstraat en ongeveer ter hoogte van de café “Scheepvaart” stapte de Boomse politiecommissaris Rummens in de richting van de veerdam. Het was opmerkelijk stil in ’t centrum en hij hoorde mijn zwaar benagelde schoenen. Hij keerde zich even om en gaf mij een duidelijk teken om mij te verwijderen. Ik doorliep de Hoogstraat en voegde mij bij enkele mensen aan de hoek van de Kerkstraat . Onder hen ook
een goede vriend, eveneens Chiroleider. Na enig wachten en veel nerveus gepraat hoorden wij doorheen de ideale klankbuis die de Groene Hofstraat is, een toenemend geratel en gedaver. ..
Het eerste voertuig dat traag op de markt verscheen, was een Jeep. Vlak daarop volgden de pantsers op rupsbanden. Op de markt hield men even halt en als bij toverslag kwam het volk zowat overal vandaan. Vele Bomenaars waren toen niet” thuis”. Zij waren om zéér diverse redenen in ’t buitenland. Niet alle families hielden feest. Voor zover het nog verwarde sociale klimaat toeliet, begon
voor de meesten onder ons een reeks van feesten, die alsmaar grootser werden opgevat naargelang het einde van de oorlog naderde.

De ontvangst van de Engelse, Amerikaanse, Canadese en ook Belgische soldaten was ongelooflijk enthousiast. Ook voor die jongens zal het wel heuglijke herinneringen opgeleverd hebben!
Overal in het land startte vanaf de bevrijding de jacht op echte vermeende “zwarten”. Tijdens de bezetting waren er verklikkers, verraders, profiteurs die anderen onder druk zetten. .. enz.
Al dezen dienden geoordeeld en gestraft. Het waren echte misdadigers. Er waren ook mensen, die zonder reden werden gevat op grond van jaloezie, afrekening, wraak of vermeende feiten.
Zij hadden het niet gemakkelijk om vrij te komen en hebben soms zeer veel geleden. Zij werden veelal bijgestaan door integere, onbesproken mensen die risicovol in de bres sprongen. Daarvoor was gedurende een lange periode na de bevrijding méér dan gewone
moed nodig. De OT hebben dit alles eerder terzijde meegemaakt, omdat zij nog niet bij de volwassenen werden gerekend. Zij trokken er wel de nodige lessen uit, denk ik.

J. Terreur
Vanaf juni 1944 beschoten de Duitsers Engeland met V-wapens. Het kon de oorlogskansen niet doen keren. Op Antwerpen en omgeving werden zonder ophouden V-wapens afgevuurd van begin oktober 1944 tot einde maart 1945. De V1 was een klein, log vliegtuigje, aangedreven door een straalmotor en met één Ton
springlading. Men kon een V1 horen en zien in de lucht, ook ’s nachts. Als de motor stilviel volgde het huilend neerstorten en de inslag op de grond. Men kon dus min of meer de nadering waarnemen en zo mogelijk beschutting zoeken. 70% ervan werden door vliegtuigen of afweergeschut geraakt en ontploften in de lucht.

De V2 was een echte raket die sneller vloog dan het geluid. Bij het neerkomen hoorde men twee sterke knallen. Eerst was er de doorboring van de geluidsmuur en vlak nadien het neerstorten en de ontploffing. Een V2 kon niet onderschept worden en na de doorboring van de geluidsmuur restte geen tijd om dekking te zoeken. De plaats waar een V-wapen zou neerkomen, was slechts bij grove benadering te bepalen.

Men beweerde dat de haven van Antwerpen het doelwit was, maar in het havengebied vielen iets méér dan 200 projectielen tegenover 1.100 V1 en 1712 V2 in 58 verschillende gemeenten van de regio! Het lukraak afschieten van die V-wapens was dus een laffe terreuractie, gericht tegen een weerloze bevolking. De bijna zes maanden durende beschieting veroorzaakte bij vele mensen een zware depressie. Soms was een inslag echt gruwelijk zoals in Antwerpen waar in één klap 128 mensen werden vermoord en nog erger op Cinema “Rex” met 567 doden. In totaal vielen er 4.500 doden en 7.000 gekwetsten. De schade aan gebouwen en instellingen was onoverzichtelijk. Ook Boom betaalde zijn tol met 18 projectielen. Er waren doden en gewonden vooral in de
wijk “Hoek”. Zo herinner ik mij nog 8 maart 1945 alsof het gisteren gebeurde. Na mijn vierde werkdag aan de NMBS te Mechelen werd de tram uit Rumst iets voorbij de Sint-Annakapel opgehouden:
op de Varkensmarkt was een V-wapen ingeslagen… Op en rond de Varkensmarkt was de verwarring compleet. De schade was enorm.

Ook ons huis werd (voor de tweede keer) geteisterd. Deze keer was het onbewoonbaar zonder grote herstelling. Zwaar trof ons het
overlijden van enkele geburen: Wiske Staes uit de porseleinwinkel en Jeanneke De Maeyer, 15 jaar, dat frisse en vriendelijke meisje dat we bijna dagelijks ontmoetten met steeds een knipoog en vrolijke groet… Zo maar laffelijk van op grote afstand uit het leven gerukt, brutaal en onverhoeds. Elk slachtoffer is er één te veel, zeker, maar als het noodlot zo dichtbij toeslaat, komt het nog veel erger aan. Wij waren er kapot van.  Ondertussen werden door de oprukkende geallieerde legers de nazi- concentratiekampen bevrijd. Wat men daar ontdekte had niemand voor mogelijk gehouden. Miljoenen joden, zigeuners, verzetslieden, dissidenten of vermeende tegenstanders werden vergast, geëxecuteerd of stierven van ellende en ontbering. Wat ’n schande voor een regime dat er in slaagt zijn aanhang aan te zetten tot massamoord en
volkerenmoord. Dit was dictatuur en racisme in de allerergste graad.

5. VREDE
8 mei 1945. Eindelijk kon men vrij ademen. Als vanzelf startte een reeks vieringen en herdenkingen. Opgekropte gevoelens barstten eruit en aan de volkse feesten kwam maar geen einde! De kwaliteit en de beschikbaarheid van alle product en namen gestadig toe. Dit was ook zeer te merken aan het bier! Het fluitjesbier van 0,8 % alcohol werd in één klap omgetoverd in kwaliteitsbier van 6%. De gevolgen waren opvallend! De oorlogstieners konden voor de eerste maal in hun leven onbeperkt feesten en “uitgaan”. Zij lieten de kansen niet liggen en gingen er duchtig op los! Die trend van levenslust en ontspanning hebben zij als reactie op de oorlogsmiserie heel hun leven meegedragen. Ook hier zullen de uitzonderingen de regel bevestigen.

6. OORLOGSTIENERS VANAF 1945
Voor de Europese oorlogstieners brak een periode van vrede aan, gepaard met een nog nooit geziene evolutie in wetenschappen (ook de medische) en techniek. Hierna volgt een kort (en dus onvolledig) overzicht van enkele markante gebeurtenissen en verworvenheden. We nemen aan dat de gemiddelde oorlogstiener 20 jaar was in 1945. Bij jaartal en leeftijd dient veelal de term “ongeveer” gehanteerd.
– 1945 – OT 20j. – Plots werden de OT weer met beide voeten op de grond gezet. De strijd tussen Amerika en Japan was nog niet afgelopen. De Japanners leidden kamikaze-militairen op (zelfmoordpiloten). Hun eerste opdracht was meteen de laatste. Amerika reageerde door het gebruik van een totaal nieuw wapen; de atoombom. Begin augustus werden twee steden totaal verwoest. Midden augustus ging Japan door de knieën. Het aantal doden was
ongelooflijk hoog en men voorspelde jarenlange nawerking door radioactieve straling. Afschuwelijk..
– Vanaf 1945 en volgende jaren worden de OT in versneld tempo opgeroepen voor de legerdienst.
– 1947 – OT 22j. – OT koopt eerste fiets “met drie vitessen in de as”. prijs: 3.500 – 4.000 fr.
Het gemiddeld maandloon van een OT: 3.000 – 4.000 fr.
– Nieuwe spelling van de Nederlandse Taal officieel in gebruik.
– 1948 – OT 23j. – Long-playing fonoplaten verdringen langzaam maar zeker de 78 toerenplaten.
– 1950 – OT 25j. – Koningskwestie zet land in rep en roer.
– 1952 – OT 27j. – Voorzichtige start van FM-radio uitzendingen. Enorme verbetering van de muziekweergave !
– 1953 – OT 28j. – 1 februari: door combinatie van springtij met noordwesterstorm worden België, Engeland en vooral Nederland getroffen.
– 1954 – OT 29j. – Start televisie.
– 1955 – OT 30j. – OT koopt eerste eigen wagen (veelal tweedehands) .
– 1956 – OT 31j. – Eerste autostrade: Brussel – Oostende.
– 1957 – OT 32j. – Begin ruimtetijdperk: Rusland lanceert eerste Spoetnik.
– Serieproductie van bandopnemers, prijzen dalen.
– Fotocopie: zeer aarzelend nog, duur en niet perfect. Tien jaar later is het gemeengoed geworden, goedkoop en van hoge kwaliteit. Massale toepassing!
– 1958 – OT 33j. – Wereldtentoonstelling in Brussel.
– 1960 – OT 35j. – Staking over eenheidswet: chaos in volle winter.
– 1962 – OT 37j. – Automobielinspectie, vooral gericht op de tweedehandswagens.
– Winter 1962 – 1963: strengste tot dan toe.
– TV lanceert hulpactie Boomerang.
– Klankversterking op hoog vermogen verovert de markt.
– Cassettespeler en radiocassette worden populair.
– 1969 – OT 43j. – Eerste landing op de maan.
– 1972 – OT 46j. – TV- en FM-distributie langzaam veralgemeend. Er ontstaat een nieuw werkwoord: zappen.
– 1973 – OT 47j. – We bekijken en beluisteren onze eerste video-opname van een eigen concert, gemaakt door een groothandelaar-specialist. De veralgemening van zowel toestel als camera is nog niet
begonnen. – Micro-processors in ieders hand: de zakrekenmachine. Een wonder!
– 1975 – OT 5Oj. – Eerste kerncentrale: Doel I.
– 1980 – OT 55j. – Compact-Disc dringt zich op als ideale geluidsdrager.
– 1985 – OT 60j. – Computers en toebehoren dringen overal door.
– 1990 – OT 65j. – Fax valt letterlijk in huis.
Door heel de naoorlogse periode lopen enkele gedragslijnen en patronen, die door vele OT werden gevolgd en gestimuleerd. We vermelden er hier een tweetal.
– Hoe oud is het gezegde: “een Belg loopt met een baksteen in de maag” ? Voor de OT was deze spreuk alleszins zeer toepasselijk.
Na 1945 werd de woningbouw flink in de hand gewerkt door allerlei officiële en private initiatieven. Met behulp van voordelige leningen en premies werden de kandidaat woningbouwers fel aangemoedigd. Na de OT hebben hun kinderen ook die baksteen ingeslikt
en dit alles leidde tot belangrijke uitbreiding van woongebieden, waarvan men vroeger het bestaan niet kende.
– Vanaf 1946 werd de mobiliteit van de werknemers van jaar tot jaar aangezwengeld omdat het openbaar vervoer fors en gestadig verbeterde. Vooral Brussel werd de aantrekkingspool van de pendelaars. Ook en vooral de OT trokken massaal naar de hoofdstad en werden tewerkgesteld in ministeries, parastatalen, banken, verzekeringen, grootwarenhuizen, horeca en noem maar op.

Vele OT kwamen terecht in een klimaat van: “un Wallon vaut deux Flamands”. Eigenaardig genoeg, bij het verdelen van betrekkingen draaide men dat rekensommetje om ! Ook franskiljons profiteerden van deze grove onrechtvaardigheid. Door de toenemende democratisering van het onderwijs – van middelbaar tot en met de
universiteit – geraakten meer en meer bewuste Vlamingen op alle mogelijke posten. Zij verzorgden hun Nederlands en gebruikten het ook. Na vele jaren werd gelijkwaardigheid afgedwongen, weerspiegeld door groeiende werkverschaffing voor Vlamingen in Brussel en dus met gunstige gevolgen voor het hele Vlaamse land.
Om zover te geraken was er méér nodig, dat is zeker. Maar de dagelijkse inbreng “op het terrein” was toch belangrijk … en niet zo gemakkelijk als men zou denken.

Het gebeurt wel meer dat jeugd- of klasleiding, op bezoek in Brussel, inlichtingen vraagt aan een politieagent. Om op de kinderen indruk te maken, wordt dan Frans gehakkeld. “Sprekt moe Vloms, uffrake” antwoordt dan de agent” ik goen da direct explikeire”. Want het dient erkend: de meeste Brusseleirs zelf zijn niet kontreir.

7. SLOTBEDENKINGEN.
Vermits mijn teksten hoofdzakelijk als “eigen getuigenissen” opgevat zijn, hoop ik dat er wel iemand opdaagt om de interessante periode 1930 – 1995 vakkundig en grondig in al haar facetten onder de loupe te nemen. Zelfs als men zich beperkt tot de Rupelstreek, is er overvloed aan materiaal. Uitbreiding naar Klein-Brabant en Vaartland is het overwegen waard.

De OT zijn nu gemiddeld 70 jaar oud en hun kinderen gemiddeld 40. Die kinderen nemen  overal de leiding en zij bepalen de trends. De kleinkinderen zijn pas de pampers ontgroeid of staan te trappelen op de rand van de volwassenheid. Zij krijgen in één klap alle
verworvenheden in de schoot geworpen. Als een van onze (elf) kleinkinderen (10 jaar) het gelapt krijgt, faxt hij moppen naar kameraadjes. .. De grootouders – oorlogstieners krijgen er
binnen- en buitenpretjes van en pikken hun graantjes mee.
Niet alleen wetenschap en techniek evolueerden snel. Ook het sociale, politieke en religieuze klimaat veranderde totaal.

IN HUN DIEPSTE BINNENSTE HOPEN DE OORLOGSTIENERS HARTSGRONDIG DAT HUN NAKOMELINGEN ERIN SLAGEN PAAL EN PERK TE STELLEN AAN DE TOENEMENDE GEVAREN DIE HEN OMRINGEN EN BEDREIGEN.

Bij een overzicht zoals “OORLOGSTIENERS” is men geneigd “vroeger” en “nu” onderling te vergelijken. Deze vergelijking zal verschillen van persoon tot persoon. Voor mij had elke
periode haar eigen charme en we hebben ervan gemaakt wat haalbaar was. Toch één eigen mening: van de huidige tieners wil men te vlug al volwassenen maken.

Vele -gelukkig niet alle – tieners laten zich meeslepen in die razende jacht naar het volle leven. Zij slaan een heel seizoen over! Dan denk ik, dikwijls aan een zin uit een dissertatie van Peter Stracke S. J .: “Wat is een Zomer zonder Lente?”.
Anno 1995: de OT van zeventig kan, als hij dat wenst, zich te pletter zappen vanuit zijn luie zetel. Uit een bos van TV- en radiozenders krijgt hij de feiten voorgeschoteld terwijl ze gebeuren .,. alles in perfecte klank en kleur, en zo nodig in super-close-up, vertraagd en
herhaald.
Anno 1935: terwijl het in Europa en ook daarbuiten gistte en kookte, zaten tijdens de zomeravonden in de Bomestraat de zeventigers tegen hun huisgevel op een stoel, de leuning naar voor gekeerd. Als mijn moeder even op straat een luchtje kwam scheppen, vroegen ze:
“Clemanske, wa d’ emme ze geroepe oep de raddejo ?”.

Kontich, 18 augustus 1995