HET SCHEPENZEGEL VAN BOOM 350 JAAR

Terug naar overzicht jaarboek 1995-1996
(Foto: gemeentelijk fotoarchief Boom)

door Dhr. A. RAMAEL (cultuurambtenaar Boom)

HET SCHEPENZEGEL VAN BOOM – 1645 1Gegevens uit: H. Sel, Het Land van Rumst en de Heerlijkheid van Boom, Leuven, 1873.

Het gehucht Boom behoorde tot 1663 bij het Land van Rumst. Jan Baptist van Baume, genoemd naar een klein stadje in Frankrijk, was de 23ste Heer van Rumst en verleende in 1645 het eerste schepenzegel aan de Bomenaars. Hierop stond de beeltenis van Onze-Lieve-Vrouw met achter zich een boom en daarrond de tekst “D – seghel – van – Boom – 1645”. Het zegel bekrachtigde meestal overeenkomsten en verordeningen van juridische aard, die bij wijze van feodaal privilege door een lokale overheid mochten afgesloten worden.

In 1663 werd het gehucht Boom verworven door Joris Bosschaert, die aldus de eerste heer van Boom werd. Hij nam de beeltenis van het schepenzegel van Boom op in zijn familiewapen. Dit zegel was in gebruik tot aan de Franse periode (vanaf 1795). De Franse revolutie betekende een volledige breuk met de structuren van de feodaliteit, het zogenaamde “Ancien Régime” en dus verloor ook het schepenzegel zijn oorspronkelijke betekenis. In 1842, na de Belgische onafhankelijkheid, werd aan de gemeente Boom van staatswege officieel een heraldisch wapen toegekend dat tot vandaag in gebruik is. De beeltenis op dit wapen is vrijwel dezelfde als deze van het schepenzegel van 1645.

HET HISTORISCH KADER

Het maatschappelijk kader in 1645 was dat van de feodaliteit.
Dit wil zeggen, het grondbezit als voornaamste economische en politieke macht, naast de opkomende macht van de steden. Aan de ene kant had men de landadel, met zijn rechten en privileges en aan de andere kant de stedelijke burgerij, die in de loop van de eeuwen zijn vrijheden en privileges had afgedwongen, zich sterk ontwikkelde als een maatschappelijke tegenmacht en uiteindelijk het feodale samenlevingsmodel zal afschaffen. Maar voor het zover was, trachtten rijke handelaars zich in te kopen in de adelstand en eigenaar te worden van grote grondbezittingen, om het voor die tijd geldende maatschappelijk aanzien te verwerven.

De politieke kaart van Europa was in de voorgaande 100 jaar behoorlijk gewijzigd. De Nederlanden hadden in 1645 pas één van de meest diepgaande en, voor het zuidelijk deel ervan, verwoestende conflicten uit hun geschiedenis achter de rug. De bekende Vrede van Westfalen, die het conflict afsloot, werd pas getekend in 1648. Het vrije en protestantse Noorden bloeide in zijn Gouden Eeuw. Het Zuiden bleef een Spaans en katholiek gewest en deemsterde weg in armoede en betekenisloosheid. Boom in 1645 kan men slechts begrijpen in dit historisch kader.

In de feodaliteit kende men geen “naties”, of een nationaal gevoel; men kende slechts de adellijke heer of eigenaar van de plaats waar men woonde. Boom was ook geen gemeente, zoals nu, maar een dorp dat in de loop der feodale tijden eigendom was van een hele reeks van de meest verscheidene heren.

Tot in 1663 behoort het gehucht Boom tot het Land van Rumst, dat tevens naast Rumst zelf, de gehuchten Heindonk en Willebroek omvatte. De feodaliteit werd gekenmerkt door een voortdurende opsplitsing of samenvoeging van grondbezit ten gevolge van erfenissen, huwelijken of veroveringen. Het Land van Rumst ontstond in 1285 toen de kinderen van de heer van Grimbergen, Filip I van Vianden, zijn bezittingen, waaronder Boom en Rumst, onder elkaar verdeelden.

In 1545 werd het Land van Rumst geërfd door de beruchte Willem van Nassau, Prins van oranje, bijgenaamd “de Zwijger”. Reeds in 1559 verkocht deze steeds in geldnood verkerende oorlogvoerende prins zijn Land van Rumst aan een Maastrichtse koopman die zich te Antwerpen had gevestigd. via een aantal erfenissen en huwelijken kwam het grondbezit in handen van een zekere Jan Baptist van Baume, die in 1645 aan de Bomenaars hun eerste schepenzegel verleende. Zijn naam refereert niet naar Boom, maar naar een klein plaatsje in Frankrijk vanwaar hij afkomstig was. In 1663 verkochten de erfgenamen het Land van Rumst in stukken. Boom werd gekocht door Joris (alias Georgius of Goris) Bosschart, die zich in 1665 in de adelstand liet verheffen en daarmee de eerste heer van de nieuwe Heerlijkheid Boom werd.

Boom bleef niet gespaard van de gevolgen van de zogenaamde godsdienstoorlogen. De eens zo rijke, welvarende en vooruitstrevende zuidelijke Nederlanden werden tijdens dit conflict voortdurend geplunderd. steden werden verwoest, de bevolking gedecimeerd, het economische leven ontwricht. vele overlevenden vluchtten weg, als ze konden.

Boom leed onder de nabijheid van een zeer belangrijke militaire strategische plaats, met name het sas van Klein-Willebroek.
De beheersing van deze verbinding tussen Rupel (en Schelde) en kanaal was van zeer groot belang voor het transport van legers en hun voorraden. Bovendien beheerste men van daaruit de toevoer naar de toen reeds zeer belangrijke stad Brussel. De wegen waren in die periode zeer slecht en een groot deel van het jaar vrijwel onbruikbaar. De waterwegen hadden toen het belang van de spoorwegen en autowegen van vandaag. Het kanaal “van Willebroek”, dat Brussel verbindt met Antwerpen en de zee was voltooid in 1561. Omdat Boom zich tegenover de uitmonding van dit kanaal in de Rupel bevond, begon het gehucht aan belang te winnen.

Vanaf 1576 wordt het sas van Klein-Willebroek bezet door Spaanse troepen. Zij bouwden er militaire versterkingen rond. In 1579 zou de plaats tot driemaal toe van bezetter wisselen. Het kwam uiteindelijk in handen van de protestantse troepen, die het verder uitbouwden, tot zij er door de Spanjaarden in 1584 uit verdreven werden.

Voor het bouwen van deze “Rupelschans” werd het dorp van Boom, omwille van de nood aan bouwmaterialen, vrijwel volledig gesloopt. Zelfs de kerk werd afgebroken en de onfortuinlijke Bomenaars moesten zelf de handen uit de mouwen steken om hun eigen dorp af te breken. In 1577 was Boom een spookdorp, met huilende wolven in de straten. Deze dieren leefden in de toen nog bosrijke omgeving (bijvoorbeeld “den Brandt” was de plaats waar de bomenaars hun brandhout verzamelden). Oude plaatsnamen als “Wolvenhoek” op Noeveren en “Wolvenbos” in de Vlietmanshoek (Hoek) herinneren aan de aanwezigheid van deze dieren. Tot in 1725 zijn er gegevens van het afleveren van 127 gedode wolven.

Vele inwoners waren gevlucht, de rest poogde te overleven in met pannen afgedekte kelders. Nog in 1610 was een zijbeuk van de kerk met een zeil afgedekt; 25 jaar lang was er geen pastoor. Pas in 1616 begon de heropbouw van het dorp. Vanaf 1626 zou Boom opnieuw een volwaardig dorp zijn, dat snel groeide. In 1526 waren er 246 haarden in het gehele Land van Rumst (nog geen 2.000 inwoners). In 1645 telde het gehucht Boom 650 inwoners, voldoende voor het aanwijzen van 7 eigen schepenen en een meier voor beperkt bestuur en rechtspraak, d.i. het opleggen van boeten en lichte straffen, tevens het arresteren, boeien, ketenen en geselen zonder bloedstorting. Deze schepenen kregen een eigen zegel waarmee zij hun beleidsdocumenten bekrachtigden, letterlijk: bezegelden. Zij werden evenwel aangesteld door de heer van Rumst. De drossaard van Rumst bleef zijn bevoegdheid over Boom behouden zolang hij zijn functie uitoefende. Onder zijn toezicht en voorzitterschap werd het zogenaamde hoge recht uitgeoefend, d.i. het oordelen over grove misdaden, het uitvoeren van doodvonnissen, het erven van de eigendommen van bastaarden en het aanslaan van verbeurde goederen. Deze gerechtelijke ambtenaar trad namens de heer op in de landsdelen buiten de Vrijheid Rumst, dus ook te Boom.

Het schepenzegel was de ambtelijke uitdrukking van voorrechten of “vrijheden” die aan bepaalde plaatsen door hun heer waren toegekend in het kader van het zogenaamde gemeentestelsel. In die gevallen delegeerde de feodale heer juridisch en beperkt politiek bestuur aan een lokale gemeenschap. Aan de heer moesten zij evenwel blijven belastingen betalen en, indien nodig, gewapende mannen afstaan voor legerdienst.Vanaf de XIVde eeuw kende het Land van Rumst twee schepenzegels, voor de gemeente of de “vrijheid”” Rumst zelf en voor de landsdelen buiten deze gemeente. Eén van de tentoongestelde documenten begint trouwens met de woorden:  “Wij scepenen van buten der vreiheyt van Rumpst. ..”. 

De gemeente Rumst zelf genoot dus van bijzondere Vrijheden.
Joris Bosschart, die Boom en onmiddelijke omgeving in 1663 kocht van de familie van Baume, was afkomstig van Duitse adel uit de stad Grabow. Hij bekleedde het ambt van Koninklijk Muntmeester in de Nederlanden. In 1665 huwde hij met Anna Maria des Pommereaulx, dochter van de toenmalige Burgemeester van Antwerpen. Deze heer van wat van dan af de Heerlijkheid Boom zou zijn, bouwde een kasteel in het centrum van de gemeente. Het stond op de plaats waar nu het hoge koor van de huidige kerk staat. Het domein van het kasteel strekte zich ongeveer uit tussen de Grote Markt (waarop de toenmalige kerk stond – zie het Meetboek van 1721), de Hoogstraat, de O.-L.- Vrouwstraat (de Leopoldstraat bestond nog niet en zou later dwars door het kasteelterrein aangelegd worden) en de Groene Hofstraat.

De toenmalige Bomenaars leefden hoofdzakelijk van de landbouw en van visvangst in de Rupel. Zoals het Meetboek van 1721 aantoont waren er reeds een aantal steengelegen, maar zij bevonden zich nog langs de rivier. De klei-afgravingen hadden het aanzien van de streek nog niet grondig gewijzigd. De grote bloei van de steennijverheid zou pas aanvangen in de XIXde eeuw.2Met dank aan Dhr. Lode Somers voor het opzoekwerk.