HET HOF VAN COOLHEM

Terug naar overzicht jaarboek 1995-1996
(Foto: Facebookpagina Hof van Coolhem)

door Karin Blommaert (bestuurslid Ten Boome)

Zoals u reeds kon lezen in het Activiteitsverslag van onze secretaris bezochten we op 23 juni ’96 met een dertigtal enthousiaste “Ten Boomenaars” het Hof van Coolhem te Puurs. Dit domein van 13,7 ha, gelegen in de parochie Kalfort-puurs, werd in 1987 aangekocht door de gemeente Puurs.1Gegevens overgenomen uit: Wandel – Wijzer in puur(s) natuur. Gemeentelijk domein: hof van Coolhem. Gemeentebestuur Puurs. Algemene info Puurs. Gemeentebestuur Puurs.  

Bij de aankoop bestond het uit een historisch gebouwencomplex, gelegen in een oud parkbos met omwalling, een oude boomgaard, dreven en akkerpercelen. Aansluitend, en van oudsher één geheel vormend, bevindt zich het bijzonder waardevolle, maar ontoegankelijke, natuurgebied “De Moeren” (79 ha), nu in eigendom van het Vlaams Gewest.

De gids, André Schampaert, verwelkomde ons aan de ingang van het domein, waar de mooi gerestaureerde Sint-Bernarduskapel staat. Hij leidde ons eerst rond in het park. Daar toonde hij ons o.a. de duidelijk zichtbare ziektetekens van de bomen. Het parkgebied is vele boomsoorten rijk, waaronder een imposante rode beuk (5,7 m. omtrek) en een Amerikaanse kastanje op het erf.

De gemeente Puurs realiseerde op ecologische basis talrijke
nieuwigheden, zoals een bij en tuin , een schapenweide , een hoogstamboomgaard, een gemengd loofbos, een ‘akkeronkruidreservaat’ en diverse dreven, te midden van een spontaan droog- hooiland-vegetatie. Er werd bovendien een biologisch waterzuiveringsstation aangelegd, dat het afvalwater van de conciërgewoning en de cafetaria volledig zuivert.

Na deze korte, maar erg interessante natuurwandeling belandden we aan de historische opgravingen op het domein. Hier spitsten we natuurlijk onze oren! De bewoning van dit domein gaat op zijn minst terug tot een middeleeuws mottekasteel. De oudste vermelding gaat terug tot 1198. Van 1470 tot 1797 werd het domein en de omliggende regio beheerd door de Cisterciënzers van de St.-Bernardusabdij van Hemiksem. Zij richtten er talrijke gebouwen op, waaronder een nog bestaande, en thans gerestaureerde tiendenschuur uit 1693. Daarna kwam  het domein in wisselend privébezit. De grondvesten van het oude abdij gebouw, afgebroken
na de Franse Revolutie, zijn gedeeltelijk opgegraven en “s zomers goed te bezichtigen. De opgravingen gebeurden in samenwerking met het Interfacultair Centrum voor Archeologisch Onderzoek van de K.U. Leuven.

Het gemeentebestuur nam het initiatief om van het site een OPEN ARCHEOLOGISCH PARK te maken. Op deze plaats werd ook een “historische tuin” aangelegd. Het 5-hoekig grondvlak van de
voormalige abdij werd heropgemetseld. Samen met de aangeplante beukenhaag geeft dit een beeld van de binnen- en buitenmuren. Vooraan bevinden zich de restanten van de toegangspoort. Achteraan ziet men een gedeelte van de vroegere keuken en brouwerij. Een gedeelte van de ruïnes ligt verscholen in de grote vijver. In de vernieuwde schuur werd een milieu-educatief centrum opgericht met ruimte voor permanente en tijdelijke tentoonstellingen, een infobalie en een didactisch uitgerust lokaal. op de bovenverdieping, waar men een goed zicht heeft op de oude dakstructuur, bezochten we het archeologisch museum dat in het voorjaar van 1995 geopend werd. Allerlei archeologische vondsten uit de omgeving zijn op een mooie en aangename manier uitgestald. 

Het oude poortgebouw werd in 1992 verbouwd tot conciërgewoning, werkruimtes en cafetaria. Hier sloten we onze rondleiding af met een gezellig praatje en een drankje. Om de geschiedenis van het Hof van Coolhem voor onze lezers nog eens op te frissen, namen we een gedeelte tekst over uit de brochure Archeologisch Museum Coolhem, geschreven door Geert Segers, licentiaat Archeologie, die betrokken was bij deze en andere opgravingen in de streek.2Segers, G. Archeologisch Museum Coolhem. Gemeentebestuur Puurs.

15e EEUW.
Rond 1470 behoorde Coolhem toe aan Hendrick van oyenbrugghe, genaamd van Coolhem. In dit jaar verkocht hij het goed aan de abdij van Hemiksem, die er het belangrijkste deel van hun allodiale bezittingen van zou maken. De aankoop bestond uit volgende zaken: huis, hoof, heerlijkheid met pachtgoederen en neerhof. In 1480 had abt Blijleven het domein al omgetoverd tot een prachtig buitengoed: hij liet een groot nieuw huis, een keuken, een nieuwe paardestal en een kapel optrekken. Hij liet verder het ganse hof en het huis ‘omtimmeren’ . Het hof zelf werd omgraven met een gracht.
De boomgaard en de kruidhof die hij liet aanleggen, waren eveneens omgracht. Op de motte liet hij een nieuw stenen gebouw zetten dat drie verdiepingen hoog was. Tot slot vermeldt de tekst van 1480 dat hij een poortkamer, een bakhuis “en vele andere dingen” liet bouwen. Tijdens de opgravingen kwamen de bewaarde fundamenten van de genoemde gebouwen deels aan het licht.

16e EEUW.
In de eerste helft van deze eeuw bleef het domein een buitengoed van de abdij. Tijdens de beeldenstorm werd de abdij te Hemiksem niet gespaard van vernielingen. De monniken moesten vluchten en trokken in 1588 in het Coolhem in. Door plaatsgebrek konden ze enkel boeken voor de liturgie, archiefstukken en andere hoogstnodige dingen meenemen. De manuscripten die in 1585 naar Lier waren overgebracht, bleven daar. Het zou 28 jaar duren
voor de pater weer naar Hemiksem konden trekken. Uit de archeologische vondsten blijkt dat de monniken in een vrij luxueuze sfeer leefden. Majolica, een soort luxe-aardewerk, deed zijn intrede. De monniken bleken in dit modeverschijnsel niet achterwege te
blijven.

17e EEUW.
In het begin van deze eeuw verkeerde het Coolhem in zijn grootste bloeifase. Er werd toen ook opleiding gegeven aan jonge religieuzen. Eén van de kamers, de “novissekamer” bevond zich links van de ingang van het complex. Hier werd het onderricht gegeven. Judocus Gillis, die later een bekend abt zou worden, trad in 1613 in de abdij binnen en kreeg zijn eerste opleiding aldaar. Uit een bewaard gebleven bestek van 1601 kan opgemaakt worden dat er grote werken aan de kerk gebeurden.

In een 18e eeuws geschrift van Bouvaert wordt vermeld dat in de kerk 300 personen de mis konden volgen, zij het staande. Joannes Malderus kon de monniken op 31 oktober 1616 weer naar hun abdij aan de Schelde brengen. Lucas Van Uden maakte een schilderij van deze “blijde intrede”.

Ondertussen was Coolhem een “provisorij” geworden waar een “provisor” of “vicarisgeneraal” de leiding waarnam. Het was een complex waar doorlopend één of meerdere conventuelen verbleven om gemakkelijker de administratie van de domeingoederen van Puurs waar te kunnen nemen. Wegens aanhoudende kwellingen van de Hollanders tijdens de oorlog in de dertiger jaren, achtten de paters het verstandiger om in 1634 weer hun intrek in het Coolhem te nemen. Dit keer bleven ze er tot 1636. De archeologie a uit de 17e eeuw zijn zeer talrijk. Naast aardewerk treffen we o.a. ook glas, leder (schoenzolen), een rekenpenning en tin aan. Het
roodgeglazuurde aardewerk bleef in gebruik, maar daarnaast vinden we ook nog steeds Rijnlandse ceramiek (Westerwald, Raeren,.. .). Een opmerkelijke vondst betreft een klembrilletje met een gebogen montuur uit koperdraad, wat thuis te brengen is in de 17e
eeuw.

18e EEUW
De 18e eeuw betekende voor het Coolhem een verdere bloei met weinig uitschieters. Het Coolhem was in deze periode min of meer een verlossing uit het heel strenge en strikte geestesleven in de abdij te Hemiksem. Dat dit inderdaad zo was, mag ook blijken uit het feit dat vele monniken hun oude dag in het domein doorbrachten. Zes bleven er dan tot ze stierven. Te oordelen naar de gevonden archeologische voorwerpen, ontbrak het de monniken aan
niets. Het aardewerk weerspiegelt de levensstandaard van een welgesteld milieu. De Faïence kwam vanaf de 17e eeuw op. Dit soort aardewerk was een geduchte concurrent van o.a. tinnen borden.
Het werd veelal aangeschaft als een goedkope imitatie van het dure oosters porselein. Pas op het einde van de 18e eeuw kwamen serviezen in zwang. Het echte Chinese porselein was duurt wat de paters niet weerhield om het aan te kopen. Meest voorkomend zijn schoteltjes en kleine kommetjes. Gezien het kleine formaat van deze
kommetjes zijn deze gebruikt voor het drinken van thee.

Het gewone keukengoed bestond nog steeds uit het geglazuurde aardewerk, meestal roodkleurig. Dit aardewerk was relatief goedkoop en werd door de plaatselijke pottenbakkers
gemaakt. Kookpotten, ook wel” grapen” genoemd kwamen talrijk voor tijdens de opgravingen. Deze potter. zijn voorzien van 3 poortjes, waardoor ze beter bleven staan in de hete asse of in het vuur. De meeste van de gevonden grapes vertonen dan ook roet- sporen aan de onderzijde.

Jammer genoeg bleef de bloeitijd van het Coolhem niet duren. Ondanks de woelige tijden op het einde van de 18e eeuw werd het complex in 1796 nog aangepast. Het jaar daarop verwierp het municipaal bestuur deze vraag en beval onmiddellijke
ontruiming van de provisorij van Coolhem. Bij deze ontruiming gingen vele kunstschatten, archiefstukken en geschriften verloren.
Voor een korte periode werden de gebouwen gebruikt als gendarmerie, voordat ze uiteindelijk als zwart goed verkocht werden aan Jos Constant van Nieuwenhuysen.

19e EN 20e EEUW.
Rond 1810 liet de toenmalige eigenaar de oude provisorij in al zijn pracht en glorie afbreken om met het geld van de afbraakmaterialen het domein te kunnen onderhouden. De enige gebouwen die bleven bestaan, waren de voorste hoeve en de grote schuur. De eigenaar zag zich wel genoodzaakt een kapel langs de weg naar Ruisbroek te bouwen ter ere van Sint- Bernardus. De devotie voor deze heilige was immers blijven bestaan en de eigenaar had het gedurfd de oude kerk af te breken.

Het was dus niet zomaar een geste, maar eerde een noodzaak om de bevolking niet tegen zich te krijgen. Door de kapel langs de weg te bouwen, verhinderde hij dat de mensen zijn domein konden betreden.  De verdere geschiedenis van het Coolhem is er een van opeenvolgende verkopingen totdat de gemeente Puurs en het Vlaams Gewest uiteindelijk het domein verwierven.