RONDRIT DOOR DE RUPELSTREEK

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1995-1996
(Foto: Fotoarchief gemeente Boom 4479)

door Jozef Verlinden (penningmeester Ten Boome)

Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Christelijke Mutualiteit richtte Ziekenzorg van het verbond Boom voor zijn leden op zaterdag de 21ste oktober 1995 een rondrit door de
Rupelstreek in. Onze penningmeester schreef voor die rondrit (twee maal twee bussen) een pretentieloze tekst, die voor de zieken gemakkelijk leesbaar zou zijn. Wij publiceren hem
hierna zoals hij geschreven werd (met een tweetal kleine verbeteringen)

Niel is één van de drie oudste gemeenten van de Rupelstreek. Voor de stichting van Boom in de 17de eeuw en Terhagen in de 19de eeuw grensde het aan de nog oudere monding-gemeenten Rumst (Zenne in de Dijle en Dijle en Nete in de Rupel) en Schelle (Rupel en Vliet in de Schelde). Hoewel Niel tot het kanton Boom behoort, is in het verleden het contact met die gemeente niet bijster groot geweest, enkele kinderen van gegoede huize gingen er naar het College of naar de rijke nonnen (Presentatie). Later heeft de Provinciale Technische School (PTS) ook ettelijke Nielse vaklui
gevormd.

Niel was tot voor de Tweede-Wereldoorlog vooral gekend om zijn cementfabriek, die de oorzaak was van het vele witte en ongezonde stof op de daken. De fabrieksgebouwen, die op de plaats van het oude fort De Sterre waren opgetrokken, werden gekocht door de Firma Coeck uit Schelle, die betonproducten vervaardigt. Niel is ook voor ons de bakermat geweest van de Christelijke sociale organisatie in de Rupelstreek. De kerk van Niel is een geklasseerd gerestaureerd gebouw. Voor de kerk loopt de oude dreef naar het kasteel, dat nu een verzorgingsinstelling voor bejaarden huisvest en dat daarvoor een kliniek met materniteit was.

Wie oplettend de hoofdingang van de kerk bekijkt, bemerkt op de stijlen rond de deur het jaartal 1773, jaar waarin de kerk werd hernieuwd en hersteld. Op de balk boven de deur staan de voor ons mysterieuze letters AHAVR. In feite zijn dit de initialen of beginletters van de naam van de laatste abdis van Rozendaal. Die abdij lag te Walem achter de kerk en behoorde tot de order der Cisterciënzerinnen of de Zusters Bernardijnen. Ze stond onder het geestelijk toezicht van de abt van Hemiksem. Hij moest zorgen voor de dagelijkse diensten en het bedienen van de sacramenten. Hij benoemde daarom een plaatselijke aalmoezenier, die altijd
een pater uit de abdij van Hemiksem was. Die vijf kleine lettertjes hebben toch een geschiedkundige betekenis. Zij leren ons dat de abdij van Rozendaal “dominus” of heer van de kerk van Niel was; dus de eigenaar. Dat de kerkgemeenschap of parochie van Niel, wat in feite het hele dorp was, derhalve ieder jaar het tiende deel van de landopbrengst aan de abdij moest afstaan. En dat in theorie de abdij (niet de bisschop) ook het benoemingsrecht van de pastoor had in overleg met de kanselarij van het bisdom. Omdat de kerkeigenaar kon beschikken over een deel van de opbrengst van het dorp, was hij
ook verplicht in te staan voor onderhoud van de kerk en de pastorij.

De abdij van Rozendaal heeft hier haar taak zeer voorbeeldig volbracht. Over de kerk staat het huidige gemeentehuis,
dat voor de dertiger jaren het huis van de plaatselijke brouwer was.
Recent werd het uitgebreid om de Nielse bevolking nog beter te kunnen dienen. De pui van het gemeentehuis leent zich uitstekend voor het maken van foto’s bij allerlei ontvangsten, huwelijken of jubilea.

Schelle,- het dorp aan de schelde,- is vooral bekend om zijn scheve kerktoren en zijn elektriciteitscentrale. De drie bakstenen schoorstenen van de centrale, -na de zestiger jaren zijn er twee betonnen bijgekomen,- priemen boven de ontelbare pylonen uit. De centrale werd gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1930 te Antwerpen en is lange tijd één van de modernste en grootste van West-Europa geweest. Maar schone liedjes duren niet lang.
De fabriek, die nu van Electrabel afhangt, is nog altijd bekend onder de naam van “den Escaut”, wat afgeleid is van de oorspronkelijke naam société d’Electricité de l’Escaut of afgekort SEE.

Rond die fabriek werd door de Société Immobiliaire du Laer een cité (natuurlijk alles in het Frans) opgericht met woningen de directie en het personeel. Reeds voor de Tweede- Wereldoorlog werd de oude Tolhuisstraat gebetonneerd en verscheen aan die straat de Franse
fabriek van Air Liquide, die in Deurne had gestaan. De oprichting van die industrieën was de aanleiding tot het stichten van de nieuwe parochie van de Mikman, waarvan het fraaie kerkje (architect Van Ravensteyn) van op de Provinciale steenweg kan bewonderd worden. Wat de oppervlakte betreft is de gemeente Schelle voor de fusie-operatie de grootste Rupelgemeente. Tot voor de industriële revolutie, – een geleerd woord om het ontstaan van de nijverheid en de fabrieken aan te duiden,- was ze ook de rijkste gemeente met het grootste bevolkingsaantal.

Dit blijkt nog duidelijk uit het prachtig barok-interieur van hoofdkerk, die onlangs is gerestaureerd en waarover een geïllustreerd werkje werd uitgegeven door de
kerkfabriek. Een bezoek aan die kerk is aan te raden. Ze bezit naast een enig altaar buitengewoon fraaie houten biechtstoelen, een eenvoudig sober koorgestoelte met vier knappe beeldjes, die de kardinale deugden voorstellen. Onder de verschillende merkwaardige schilderijen is zeker “De Marteling van Sint-Sebastiaan” van de hand van Antoon van Dijck het vermelden waard. Buiten haar scheve maar slanke toren met het prachtige grafzerkje van het kind Nicolaas Suys bezit die kerk de eigenaardigheid van niet in het midden van het dorp maar vlak op de grens van Schelle en Hemiksem te staan.

Zo mooi het interieur is, zo lelijk is het schip van buiten. In 1844 liet pastoor Bals, waarvan het graf nog altijd te zien is onder het gerestaureerde kruisbeeld aan de buitenzijde van het koor, het fraaie middenschip met twee dakkapellen ombouwen tot de huidige boerenschuur. Aan de overzijde van de kerk bemerken we een goed bewaarde herenwoning uit de vorige eeuw. Het was toen de enige apotheek van Schelle. Nu omgebouwd tot openbare bibliotheek.

Bijna onzichtbaar rijden we over de Vliet, – vroeger een belangrijke waterloop – Hemiksem binnen, waar we nog een klein stukje muur van de watermolen bemerken en links en rechts wat sporen ontwaren van de vroegere ceramiekfabriek van Gilliot, in de streek gekend als de “zuute dood”. Het prachtstuk van de gemeente is ongetwijfeld de aloude Sint- Bernaardsabdij. Gesticht in de helft van de 13de eeuw door een abt en twaalf monniken,- we denken aan
Christus en de Apostelen,- vergezeld van een paar lekebroeders (de stichtingsakte vermeldt ook de lastdieren; “cum asinis” “met de ezels”) is zij uitgegroeid tot de grootste algemeen Nederlandse abdij van die tijd, waar plaats was voor een groot aantal kloosterlingen. Van hieruit zou de steennijverheid van de Rupelstreek geactiveerd zijn geweest. Gedurende de troebelen van de Spaanse Tijd is de abdij, ook de kerk van Schelle, verwoest geworden door de Beeldenstormers. Nadien is ze terug opgebouwd geworden; de meeste gebouwen die er nu nog staan dateren uit die periode.
Gedurende de Franse Revolutie werd de abdij opgeheven, de kerk vernield, de paters verdreven. De monnikengemeenschap heeft zich later in de abdij te Bornem gevestigd. Het heemkundig Museum van Hemiksem, op heemkundig gebied één van de beste van het land,
heeft hier samen met het Roelandtsmuseum zijn intrek genomen. Roelandts was de tekenaar van de ceramiekfabriek van Hemiksem, die de faïenceversieringen ontwierp. Vele van zijn werken zijn in de oude abdij tentoongesteld. Het altaar van de O.L.V.-kerk in de Saunierlei te Hemiksem, dat met ceramiektegels werd opgebouwd, is ook van zijn hand.

We steken de spoorweg over. Hier heeft de NMBS een spiksplinter nieuw station laten bouwen, -zoals te Niel,- om het nadien niet te laten functioneren. In het kader van een reorganisatie werd het gesupprimeerd! Even voorbij dit station zien we het sportcomplex van de gemeente en wat verder het verzorgingstehuis van het OCMW. We bevinden ons op het Kerkeneind; de overkant van de Vliet is reeds gemeente Aartselaar. Dit straatgedeelte dankt zijn naam aan het feit dat de eerste kerk van Hemiksem hier heeft
gestaan. Een andere ongekende merkwaardigheid van de gemeente Hemiksem is de watertoren van architect Magniette. Waar de andere watertorens wegens de noodzakelijkheid logge
vatconstructies zijn op een “stokje” of pilaar, heeft hier de bouwmeester de kans gezien om een slanke toren, en laat ons dit onderlijnen, in baksteen, de materie van de streek, op te richten.
Hij behoort tot de mooiste van het land en zou mogen geklasseerd worden.

Het kasteel Cleydael aan de vliet heeft een rijke geschiedenis. Eens woonde hier de muntmeester van het hertogdom Brabant. Het is volledig omwaterd en bezit nog zijn versterkte torens. Het gehele domein is nu in handen van buitenlanders, die er een golfterrein
op uitbaten. In de onmiddellijke nabijheid van dit kasteel en sportdomein ligt aan dezelfde Vliet een verbrandingsoven.
Aartselaar is voor velen een voorstad van Antwerpen; de riante villa’s en de residentiële woningen schijnen dit te onderlijnen. Ook de functie van het vroegere kasteel, het Solhof in het parkje gelegen; blijkt dit te beamen; het werd omgebouwd tot een heus hotel.
De gemeente beschikt dan ook over inrichtingen met stedelijke allure.

We stellen dit vast als we de Kleistraat indraaien en links van ons het gemeentelijk sportcentrum zien met zwemdok. Hier worden regelmatig sportmanifestaties van enige betekenis georganiseerd. Het zwembad staat bekend om zijn chloorvrij zwemwater. Als contrast staat rechts van de baan nog een oude schuur die de last van een grote klimop te torsen.(Aartselaar beschikt ook over een
degelijk ingericht Cultureel Centrum. )

We zetten de reis verder en wenden ons naar het dorp van die gemeente. Op het laar, dit is het plein rond de bezoekwaardige Sint-Leonarduskerk, staat een oude pomp met zuil, die door velen als de vroegere schandpaal wordt gezien. Achter wat groen verscholen bemerken we ook het oude gemeentehuis met zijn gekleurde luikjes (de “blaffeturen”). Tegen de muur van de kerk de grote pronkgraven van de plaatselijk adel; de van Ertborn”s. Ertborn is een Schelse
plaatsnaam. 

We passeren voor de tweede keer de molen van Aartselaar, die als privébezit toch een geklasseerd monument is. De windmolens, een wonder van technisch vernuft; zouden van vlaamse oorsprong zijn. Ze verschijnen in onze streek rond het begin en de eerste helft van de 13de eeuwen gaan dan de oudere watermolens vervangen. De eerste molens waren “banmolens'” : dit zijn molens waarop de plaatselijke bevolking verplicht was haar graan te laten malen; want de heer bezat het “regaal van de wind”. Er waren vroeger windmolens te Schelle, overgeplaatst naar Niel, Rumst, Reet en Boom. 

We rijden in de richting van Reet en zien voor de expresweg aan onze linker kant het begin van de Kontichse Pierstraat (ook een straat van Aartselaar en vroeger ook van Schelle). Dit zou in ons gewest de oudste baan zijn, die wij bij naam kennen. Er bestaat een dubbele verklaring voor die naam, ofwel komt hij van het Latijnse via petrata (besteende weg of kassei) ofwel van poerstraat, wat in
feite zandstraat is. 

Rechts hebben we de verdwenen halte van eveneens verdwenen spoorlijn Boom-Kontich, en die iedereen kende onder de naam van Reet-Statie. We zongen vroeger op de wijze van Te Lourdes op de Bergen het volgende liedje:
Te Reet aan de staasse
daar stond ne blekken tram
ge moestter aan daave
tot aan de makadam.
Daavee, daavee
of anders redde gao nie mee. (2x)

Langs een groot gebouw op onze rechterkant – het oude Hof van tricht,- rijden we in de richting van de Reetse dorpskom.
Dit domein werd door de Gasthuiszuster van Boom verworven, die het toentertijd hebben uitgebouwd: eerst als een bejaardeninstelling en nadien tot materniteit en kliniek. Nu wordt
het terug als bejaardenhome ingericht: weliswaar door een andere instantie. De toren van de kerk van het “heilig” Reet, waar volgens het oud gezegde in de Rupelstreek, “er nooit geen weer is”, staat nog in de steigers voor een doorgedreven restauratie. De kerk is
toegewijd aan de heilige Magdalena, die men hier wegens het feit dat het met de kermis op haar feestdag altijd zou regenen, wel eens verwisselt met Sint-Margriet de “piskous”.

Op het kerkhof rond de kerk van Reet zijn de vorige eeuw heel wat Bomenaren begraven. Toen het huidige kerkhof in de Kerkhofstraat,- de Boomestraat,- in dienst werd genomen,
weigerde het liberale (anti-klerikale) gemeentebestuur de grond te laten wijden. Wie toen te Boom als dode in gewijde aarde wilde rusten, moest voor eeuwig naar Reet gaan wonen (en natuurlijk er geld voor hebben!)

Langs het kasteel van Laar, op de linker zijde, dalen we, in de letterlijke betekenis van het woord, af naar de zeer oude gemeente Rumst. Hier ontmoeten we één van de mooiste plaatsen van de Rupelstreek. In een prachtig panorama overschouwen we hierin de Hollebeekstraat niet enkel de uitgebaggerde steenputten met gezicht op de kerken van Rumst, Terhagen en Boom maar
ontwaren bij helder weer heel wat gebouwen uit de streek tussen Rupel, Mechelen en Brussel, met het Atomium als blikvanger. Rechts van ons bemerken we het kerkje van de Bosstraat en de Bosstraatlei. Tussen die lei en de Hollebeek lag ter hoogte van Terhagen “den batterdo” (van het franse battre d’eau?)
Rumst het drie rivierenland (samenvloeiing van Nete en Dijle in de Rupel- rechtover het Zennegat, was vroeger een zeer voornaam dorp. Het was de zetel van het Land van Rumst, dat zich uitstrekte langs de beide oevers van het “Scelt”, zoals de Rupel door de eenvoudige mensen alhier tot aan de Tweede wereldoorlog werd genoemd. Tot de jurisdictie van Rumst behoorde de huidige gemeente Boom, die maar pas in de 17de eeuw onafhankelijk werd en maar pas bij de Franse Revolutie hoofdplaats van het kanton werd. (Men spreekt van hovaardig Boom!)

Recente opgravingen op het Molenveld en de Steenberg hebben aangetoond dat Rumst een Romeinse nederzetting is geweest; waarschijnlijk een fortificatie of kamp. Vroegere vondsten
zouden verwijzen naar de aanwezigheid van de romeinse vloot.
Op de markt kunnen we het oude Drossaard-huis bewonderen, het oude kasteel is verdwenen. Rumst bezit een degelijk georganiseerd en wetenschappelijk verantwoord steenmuseum “Het Geleeg””, aan de steenfabriek van Swenden gelegen.

Terhagen, dat een tijdje een zelfstandige gemeente is geweest, behoorde eertijds, zoals nu, bij de gemeente Rumst. Als de kunst de originele uitdrukking is van de diepste gevoelens, dan bezit Terhagen een prachtig openbaar kunstwerk. Op de schoorsteen van de steenfabriek vlakbij het sportcentrum, De Klamp, – wie weet nog wat dat woord betekent en vanwaar het komt? – staat in grote witte
letters geschreven: “Pascal ik hou van jou”~. Persoonlijk vind ik dat dit monument zou moeten geklasseerd worden.

De gemeente bewaart nog enkele fraaie patriciërswoningen van de vroegere steenbakkers, in tegenstelling tot de lage huisjes van de steenbakkers gasten. Wanneer we langs onze linkerzijde een groot plein vol wagens bemerken, dan rijden we voorbij de plaats waar
vroeger het kantorengebouw van de steenbakkerij Landuyt stond. Zij was in de Rupelstreek de eerste steenfabriek die uitgebaat werd door een commerciële maatschappij, een naamloze vennootschap, waarvan de aandelen ter beurze van Antwerpen werden genoteerd.

We slaan rechts af en we stijgen naar de Bosstraat, de eerste bij-parochie van Boom. Ze werd na de Eerste Wereldoorlog gesticht door pastoor Seeldrayers, een man uit Hemiksem, die later voor
het gewone volk de onvergetelijke deken van Boom is geworden.
De hoogte van de Bosstraat is de voortzetting van de Vosberg te Rumst, die over Reet verder loopt naar het “stekkesbos” of de Spelten van Schelle en de hoogte van Hemiksem, om haar
sporen nog na te laten in het Waasland (o.a. Temse en steendorp ) .

Die hoogte, die men de cuesta van Boom of de karn van de Rupel heet, is voor een groot gedeelte afgegraven door de steennijverheid. Archeologisch is zij van groot belang, maar dat is vroeger niet onderkend geworden, zodat heel wat is verloren gegaan en wij een streek zonder geschiedenis zijn. Langs de Dirkputstraat en de Schomme komen we in de oude Boomestraat of huidige Kerkhofstraat van Boom. Waar de kleidelvers niet enkel de helling van de cuesta hebben weggevreten, maar ook diepe putten hebben gegraven. Zo passeren we hier de put M, die onder het ministerschap van een ex-Bomenaar Jos De Saegher , werd opgespoten en waarop nu een nieuwe wijk wordt opgericht. Het gemeentebestuur van Boom is zo intelligent geweest om de benaming van de straten hier niet te gaan zoeken in de bloemen- of bomenwereld. Het herstelde de oude veldnamen, die zo voor het nageslacht worden bewaard.1Lees hierover ook het artikel ‘Van Herten Bruin, de Heypleck en Bar Tabac tot Merten Bruyn’ in ons jaarboek 2018

Het merkwaardige van die kleiputten was, dat zij met elkaar door bruggen onder de straten waren verbonden met de ovens aan de oever van de Rupel. Langs de Rupel kan gemakkelijk per schip de brandstof, kolen, worden aangevoerd en het afgewerkte product, de steen, verscheept naar zijn bestemming. Een kleiput werd aanvankelijk door de gemeente Boom aangekocht als recreatiegebied. Hij werd door het Provinciebestuur van Antwerpen
overgenomen en uitgebouwd tot het domein “De Schorre”. De oude “machienkamer”, waarin de steen machinaal werd geperst, van het geleeg Van Herck staat er nog te midden in en doet dienst als taverne, sport- en ontvangstruimte.

Wij rijden langs het Boomse bejaardentehuis, bestuurd door het OCMW, met links op de aangespoten kleiput enkele aangepaste huisjes voor ouderlingen, eveneens afhankelijk van het OCMW. We mogen niet vergeten dat vroeger aan dit oude gasthuis, geleid door de Gasthuiszusters van Boom, een grote kapel was gebouwd; de torenklok herinnert daar nog aan. De aalmoezenier bezat een fraaie woning, die eveneens afgebroken werd. De Varkensmarkt te Boom kent iedereen, alhoewel dit tot voor een jaar geen officiële
benaming was. Op geregelde tijdstippen kwamen hier de veekoopmannen hun grote platte manden met biggen uitstallen om ze zo aan de man te brengen. Daar was vroeger ook de grote
tramhalte van de lijn Mechelen-Rumst- Boom-Antwerpen. Ik heb nog de tijd gekend dat de stoomtram nog reed en zijn marchandise kwam zetten op het zijspoor dat achter ” Sintannekapel”
lag, die toen nog de Kapelstraat vernauwde.

We zegden reeds dat Boom een betrekkelijk jonge gemeente is, die haar betekenis te danken heeft aan de Fransen en die na de onafhankelijkheid van België een agentschap heeft gekregen van de Nationale Bank van België met discontokantoor. Het was gevestigd in de Tuyaertsstraat, daar waar het Boomse museum is geweest (Intussen jammer genoeg ook verdwenen.

Hoe kan de streek geschiedenis maken?) Als de bus over de sleuf van de A12 rijdt, vlak voor de tunnel onder de Rupel en het kanaal of de vaart naar Brussel, zou ze wat langzamer moeten rijden om u de gelegenheid te geven nog eens een prachtig panorama te
laten aanschouwen. Bij vloed of hoog water ziet u hier een stukje Rupel op zijn mooist. Noeveren (ten oever) en Hellegat worden nog beheerst door de industrie. Hellegat met zijn fraaie kerk – wie noemde ze ooit de kathedraal van de Rupelstreek? – is zeer oud. Het hing vroeger af van de abdij van Grimbergen. Er was een veer of overzet, die druk werd benut. Hellegat ontleent zijn naam aan de monding (gat) van de Hellebeek aan de overkant van de
Rupel. Het gaf zijn naam aan een speelfilm.

Te Hellegat heeft men de verlaten kleiputten omgetoverd tot een natuurreservaat, dat zijn naam kreeg van de oude paardestal, die er nog staat en kan bezocht worden. We arriveren op de plaats waar de tocht begon. We reisden letterlijk door berg en dal, door hoog en laag. Het moge aangenaam geweest zijn voor u. 

Weet ge hoeveel watertorens we voorbij gereden zijn?
Als ge een gros deelt door het tiende van het aantal graden van een rechte hoek, dan bekomt ge het vierkant van het getal dat we zoeken en dat we al vernoemd hebben.

Voor wie dit te moeilijk blijkt, die zoeke het in mijn familienaam (het aantal klinkers is gelijk aan dit getal).

Digiprove sealCopyright beveiligd door Digiprove © 2019 Marc Verlinden

Geschiedenis van de gemeente Boom