VICTOR DE MEYERE

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1996-1997
(Foto: Victor De Meyere FAB8067)

door Prof Dr. S. Top K.U.Leuven
Verwelkoming door Karin Blommaert Bestuurslid Ten Boome

Goedenavond, dames en heren.

Ik ben blij u vanavond te mogen verwelkomen op de voordrachtavond van Ten Boome, die zal handelen over Victor De Meyere. Daarnaast ben ik ook erg trots u vanavond één van mijn
Leuvense professoren te mogen voorstellen: Prof Dr. Stefaan Top.
In de licenties Moderne Geschiedenis kregen wij de kans via enkele keuzevakken nader kennis te maken met aangrenzende onderzoeksterreinen en deelaspecten van de “Grote Geschiedenis”.

Ik  moet u bekennen dat het vak “Volkskunde” van prof Top heel wat geïnteresseerden had. Wat daarvan de oorzaak was, hebben we niet wetenschappelijk onderzocht, maar het feit dat er veldwerk aan te pas kwam, leek velen wel aan te spreken ! Ikzelf ging hier in Boom op zoek naar echtparen die hun 50-jarig jubileum gevierd hadden, om zo de specifieke volksgebruiken hieromtrent te ontdekken.

Maar dit even ter zijde. Prof Dr. Top werd geboren in het West-Vlaamse Langemark in 1941. Na zijn Grieks-Latijnse humaniora studeerde hij Germaanse Filologie aan de Leuvense universiteit. In
1974 doctoreerde hij met een proefschrift over de Bende van Bakelandt. Naast zijn onderwijsopdracht als hoofddocent aan de K.U.Leuven, verricht Prof Top onderzoek op het terrein van het volkslied, het volksverhaal, de feestcultuur, zeden en gebruiken en de volksgeneeskunde.

Dat Prof Top in de volkskunde een eminent figuur is, mag blijken uit zijn drukke activiteiten als voorzitter en redacteur van verschillende verenigingen en tijdschriften. Zo is hij voorzitter van de Kommission fur Volksdichtung van de Société Internationale d’Ethnologie et de
Folklore, van de stuurgroep Volkskunde van Belgisch – en Nederlands Limburg, van de Federatie voor Volkskunde in Vlaanderen vzw en co-voorzitter van de Werkgroep Volkscultuur van het Algemeen Nederlands Verbond. Hij is hoofdredacteur van het tijdschrift Volkskunde, redacteur van het tijdschrift

De Brabantse Folklore en Geschiedenis en van het jaarboek Ethnologia Flandrica, hij is eveneens eindredacteur van de volkskundige almanak, `t Beertje. Prof Dr. Top is tevens lid van het Dagelijks Bestuur van de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde. Victor De Meyere is een bijzonder boeiende figuur, omdat hij op twee verschillende terreinen van de humane wetenschappen zeer bedrijvig is geweest en niet onbelangrijke sporen heeft achtergelaten. Dit overzicht van zijn werk is niet exhaustief bedoeld; we willen alleen enkele interessante
accenten leggen op zijn wijd vertakte bezigheden als creatieve kunstenaar en vooral als gedreven volkskundige.

Enkele biografische gegevens
Op 13 april 1873 zag Victor De Meyere in Boom het levenslicht als derde kind van het gezin Honoré Frans De Meyere, geboren Gentenaar en politiecommissaris in Boom, en Maria Louisa
Verhaegen, geboren in Wuustwezel. Naar verluidt, kende moeder De Meyere heel veel oude liederen en verhaaltjes, zodat het geenszins verwondert dat de zoon daardoor gefascineerd
werd en later aan die orale overleveringen bijzondere aandacht zou besteden.

Na zijn schooltijd in Boom gaat de jonge De Meyere naar het Koninklijk Atheneum in Antwerpen, waar hij de “begeesterende” Pol De Mont als leraar ontmoet. Victor voltooit zijn middelbare studies niet, maar legt met succes examen af van kandidaat-deurwaarder. Hij komt zo terecht op de griffie van het Antwerpse gerechtshof De jonge De Meyere blijft echter contact zoeken met het rebelse en onconformistische kunstenaarsmilieu in de metropool, zodat al vlug
blijkt dat voor hem geen carrière is weggelegd in gerechtelijke kringen. Dank zij een tip van Emmanuel De Bom wordt hij vanaf 1900 bediende op het stadhuis. Als stadsambtenaar brengt hij
het tot bureeloverste van de stedelijke gezondheidsdienst. In 1936 gaat hij met pensioen. Twee jaar later sterft hij onverwacht aan een hartkwaal op 27 december 1938 in zijn woning, Lange
Lozanastraat 148 te Antwerpen.

Zijn moeder (mondelinge overleveringen), Pol De Mont
(literatuur en volkskunde) en Emmanuel De Bom (stadsdienst) zijn de drie personages die niet alleen zijn leven maar ook zijn levenswerk in hoge mate hebben bepaald.

Victor De Meyere als literator

Pol De Mont brengt de geïnteresseerde en begaafde jonge De Meyere in contact met de binnen- en buitenlandse poëzie en stimuleert hem tot dichten. Als twintigjarige debuteert De Meyere in het tweede nummer van de eerste jaargang (1893) van het gerenommeerde en toonaangevende literaire tijdschrift Van Nu en Straks. In 1894 publiceert hij zijn eerste dichtbundel Verzen.

Er volgen nog bundels in 1903 (Avondgaarde) en 1904 (Het Dorp). De Meyeres poëzie wordt evenwel niet zeer gewaardeerd. Bovendien wordt hij beschuldigd van plagiaat, zodat de dichter in hem roemloos ten onder gaat en vanaf 1904 zwijgt. Deze teleurgang houdt misschien ook verband met de mislukking van zijn eerste huwelijk in het begin van 1900 (in 1895 had hij I. Thijs uit Willebroek
getrouwd).

Na de publicatie van een romantisch drama in verzen (1899) vindt De Meyere echt zijn literaire draai wanneer hij novellen begint te schrijven (vanaf 1904) en hij enkele jaren later met streekromans zoals De Roode Schavak (1909), Nonkel Daan (1922) en vooral De Beemdvliegen (1930) de literaire wereld verbaast.

Het is hier niet de bedoeling alle literaire werken de revue te laten passeren, wel de hoofdkarakteristieken ervan te belichten. Dat Victor De Meyere nooit zijn geboortestreek heeft vergeten, blijkt vooral uit zijn proza, waarin het krioelt van allusies op het Rupelgebied. Herkenbare plaatsnamen (Boom, Niel, Ruisbroek, Wintam) en populaire figuren bevolken zijn verhalen, die ook alle bol staan van allerlei gegevens uit het dagelijks leven. De volkscultuur in al haar facetten scoort zeer hoog bij de prozaïst De Meyere, die herhaaldelijk aandacht besteedt aan uitingen van volksdevotie, volks- en bijgeloof, volksgeneeskunde, volksgebruiken rond de levenscyclus, enzovoort. Deze hechte en ondubbelzinnige verbondenheid met volk en land heeft wellicht een te grote impact gehad op zijn creativiteit, zodat zijn verhalen meer uitmunten door
hun documentaire waarde dan door hun literaire kwaliteiten. Hoe dan ook valt het op dat Victor De Meyere een doorgewinterd volkskundige is met literaire aspiraties, die geen heil ziet in “L’art
pour l’art”. Integendeel, zijn literaire werk wil hij bewust en met opzet een sociale en maatschappelijke dimensie geven.

Naast het zuiver literaire werk als poëet, dramaturg en prozaïst heeft V. De Meyere ook zijn medewerking verleend aan andere literaire projecten zoals Prudens Van Duyse, Gedichten,
verzameld en ingeleid door Victor De Meyere (Aalst-Bussum 1907, 2 vol.) en Ecrevisse, De Bokkenrijders in het Land van Valkenberg. Ingeleid door Victor De Meyere (Antwerpen 1910).

Victor De Meyere als volkskundige

Het ziet ernaar uit dat V. De Meyere vanaf 1900 de weg naar de volkskunde definitief heeft gevonden. Op dat moment waren in Antwerpen enkele Franstaligen al jaren zeer actief bezig met het verzamelen van interessante objecten uit de materiële volkscultuur. Twee onder hen waren de Franstalige dichter-advocaat Max Elskamp en de advocaat Edmond De Bruyn, die samen met Emile Van Heurck, Laurent Fierens, Paul Buschmann sr., Pol De Mont en anderen behoorden tot de vriendenkring “Conservatoire de la Tradition Populaire” ook wel “Vereniging tot bewaring der Vlaamsche volksoverleveringen” genoemd.

Deze vereniging had in 1903 haar medewerking verleend aan een succesvolle volkskundige tentoonstelling georganiseerd in het Brusselse justitiepaleis. Het was hun doel deze verzameling
van volkskundige voorwerpen permanent tentoon te stellen in Antwerpen. De stadsambtenaar De Meyere slaagt erin de stad, in het bijzonder Burgemeester Jan Van Rijswijck en Schepen voor
Schone Kunsten Frans Van Kuyck, over de streep te trekken, zodat op 18 augustus 1907 tijdens de Gemeentefeesten, het “Museum voor Folklore” in de Heilige Geeststraat voor het publiek
toegankelijk wordt gesteld. Meteen is dit het oudste volkskundig museum in Vlaanderen. Edmond De Bruyn (verzamelaar van het eerste uur en collega van Max Elskamp) werd de eerste conservator
en Victor De Meyere adjunctsecretaris (Georges Serigiers was eerste secretaris). Pas op 7 augustus 1933 wordt V. De Meyere benoemd tot conservator van het Antwerps volkskundemuseum.
Terwijl De Meyere nog zeer actief is als literator – zijn eerste novellenbundel Uit mijn Land verschijnt in 1904 en zijn laatste tevens bekendste roman De Beemdvliegen in 1930 – verdiept hij
zich in de studie van de volkscultuur.

Een eerste belangrijk resultaat daarvan is zijn boek De
Volkswoning en hare versiering. Folkloristische studie, die verschijnt in 1912 als veertiende jaarboek van De Scalden in Antwerpen. In de inleiding breekt De Meyere een lans voor de “folklore” als “de wetenschap die ons inlicht overhet weten van een volk” (blz. 9). Hij gaat heftig tekeer tegen de dilettanten -hij bedoelt hier de verzamelaars – die eigenlijk niet weten en beseffen waarmee ze bezig zijn en zowel groen als dor materiaal bijeenbrengen. Welnu hun activiteiten schaden de “folklore”, die niets te maken heeft met
“factoren van hoogere beschaving” maar met “het nederig-levende, primitief-denkende volk, het volk dat nog van weinige individualiteiten doordrongen is, het volk waarin het Volksdom zich het best weerspiegelt” (blz. 9), Duidelijk geïnspireerd door de sociologie, met name zijn professor Guillaume De Greef, deelt De Meyere de “folklore” in in zeven grote onderverdelingen: liefde en
familieleven, bestaan, schoonheidszin, geloof, wetenschappen, rechtsleven en bestuur, maatschappelijk leven (blz. 11-14). Deze opdeling is voor die tijd weliswaar nieuw, maar beslist ook vatbaar
voor ernstige discussie. In het kader van een artikel over “De Vlaamsche Folklore” in het Jaarboek van de Vlaamsche Toeristenbond 1927 heeft V. De Meyere deze indeling herhaald (blz. 205-207).

De eigenlijke studie – het boek is in feite eerder een accurate beschrijving van wat de auteur in en rond een volkse woning observeert – bevat drie naar kwantiteit ongelijke delen: de huiskamer (blz. 15-61), de slaapkamer (blz. 63-67) en de tuin (blz. 69-75). Deze indeling biedt De Meyere de kans te schrijven over onder meer meubilair, keramiek, diverse soorten prentkunst, gereedschap, planten en bloemen en hun volksgeneeskundige en andere kwaliteiten. Deze hoe dan ook interessante publicatie is een soort descriptieve en af en toe interpreterende inventaris van allerlei voorwerpen die zich toen in het Antwerpse “Museum voor Folklore” bevinden en die men, zo suggereert de auteur, in (elke) volkswoning in Vlaanderen weer kan vinden. We betwijfelen of dit wel zo is, want “volkswoningen” waren toen zeker ook heel verschillend ingericht, tenminste als men rekening houdt met de geografische setting en de sociale status van de bewoners, hun beroepsleven, de samenstelling van het gezin en andere relevante factoren. Van deze mogelijke differentiëring is helaas geen spoor te bespeuren…

Al is kritiek op de aanpak van het boek en of de definiëring van de “folklore” door de auteur gegrond, toch moet erkend worden dat Victor De Meyere met deze publicatie totaal nieuwe paden in
de Vlaamse volkscultuur bewandelt. Dit werk, hoe onvolkomen ook, is een eerste aanzet en beslist innoverend, want het verruimt het volkskundig perspectief gevoelig. Het is immers de eerste keer dat in Vlaanderen volle aandacht wordt besteed aan diverse facetten van de materiële cultuur uit het dagelijks leven. Tevens levert V. De Meyere met dit boek het bewijs dat hij de collectie van het Antwerpse “Museum voor Folklore” door en door kent en dat hij de
geïnteresseerden op het belang van dit verzamelde materiaal wil wijzen. Vermoedelijk wil hij de verzamelaars ook betrouwbaar leesvoer aanreiken, opdat ze voortaan met wat meer kennis van
zaken hun hobby zouden kunnen bedrijven.

In 1920 treedt V. De Meyere toe tot de redactie van het tijdschrift Volkskunde, waaraan hij reeds sedert 1912 geregeld meewerkt: een huldebijdrage over Alfons De Cock naar aanleiding van het
verschijnen van diens Natuurverklarende sprookjes ( zie Volkskunde 23(1912) 47-55); in samenwerking met Leo Verkein publiceert V. De Meyere over “Volkshumor en volksgeest” en
“Vlaamsche moppen’ (Volkskunde23 (1912) 127-141; 24 (1913) 61-66, 119-123, 25 (1914) 172176, 187-192); een artikel over “Het Foklore-Museum te Antwerpen’ (Volkskunde25 (1914) (6681) en
een boekrecensie (Volkskunde 24 (1913) 40).

Met redacteur Alfons De Cock lijkt V. De Meyere goed op te kunnen schieten, want in de jaargang 1912 van Volkskunde complimenteren ze elkaar (cfr. supra en blz. 165-166: lovende bespreking van De Meyeres Volkswoning door A. De Cock). Vanaf De afleveringen 4 -5 -6 van de jaargang 34 (1929) voert V. De Meyere de redactie en het
beheer van Volkskunde. Niet te verwonderen dat dit tijdschrift voor hem een uitzonderlijk platform is om de eerste resultaten van zijn wetenschappelijk werk uitvoerig mee te delen. Vanaf jaargang 41
(1937) deelt hij, helaas voor een zeer korte tijd, de redactie met professor Jan de Vries uit Leiden.

Een totaal nieuw geluid brengt V. De Meyere met zijn verrassende vierdelige sprookjesverzameling De Vlaamsche vertelselschat, die van 1925 tot 1933 in boekvorm verschijnt bij De Sikkel in
Antwerpen. Voordien waren de meeste van deze teksten gepubliceerd in Volkskunde 27 (1922) – 38 (1933) en in een zestal afzonderlijke boekdeeltjes (1926-1927). In de inleiding tot deze 489
sprookjes, die alle subgenres vertegenwoordigen (namelijk dieren-, novelle- en wondersprookjes, verklarende en legendarische sprookjes, grappige vertelsels, verhalen over de gefopte duivel,
overgangsvormen sage-sprookje), bericht de auteur over de genese van deze merkwaardige verzameling: hij heeft vroeger verhalen gekregen van seminaristenvrienden van Pol De Mont en
Albrecht Rodenbach; vertellers hebben hem sommige verhalen bezorgd, en zelf is V. De Meyere actief gaan optekenen.

De belangstelling voor het volksverhaal is er gekomen door kennis te maken met de verzamelingen van het duo Pol De Mont-Alfons De Cock. Aandacht voor de verteller en zijn vertelstijl heet De Meyere ontdekt bij het lezen van werken van de gewaardeerde Franse
volkskundige Paul Sébillot, een monument in de geschiedenis van de “ethnologie Francaise”, vooral van de Bretoense volkscultuur.

De Vlaamse vertelselschat van Victor De Meyere heeft nationaal en
internationaal een voorbeeldfunctie en dit om volgende redenen. Vooreerst toont V. De Meyere veel belangstelling voor de verteller en de manier waarop hij/zij met het verhaalgoed omgaat. Vandaar vermeldt hij geregeld de sekse, het beroep en de leeftijd van zijn informanten, wat in die tijd vrij uitzonderlijk is. In elke bundel zijn vele bladzijden wetenschappelijke aantekeningen voorzien. Zij bevatten verwijzingen naar Vlaamse en internationale varianten, die De Meyere kent dank zij de publicaties van Antti Aarne, Bolte-Polivka en vooral van Maurits De Meyer, die in 1921
voor het eerst het Vlaamse sprookjesmateriaal volgens de internationale criteria heeft gerepertorieerd: het betreft Lescontes populairen de la Flandre. Aperçu général de l’étude du conte
populaire en Flandre et catalogue de toutes les variantes flamandes de contes populaires d’après le catalogue des contes types par A. Aarne (FFC N:o 3), Helsinki 1921 (FF Communications N:o 37).
Iedereen is het dan ook eens om te stellen datDe Vlaamsche vertelselschat de beste sprookjesverzameling is die in ons land tot stand is gekomen en dit zowel omwille van de uitzonderlijke inhoud als omwille van de wetenschappelijke kwaliteiten.

Als zijn sprookjesproject afgewerkt is, keert V. De Meyere terug naar zijn eerste liefde, namelijk de materiële volkscultuur. In 1934 publiceert hij zijn opus magnum Vlaamsche volkskunst. Meubelen,
plateelwerk en porselein, ijzer-, koper- en tinwerk, glaswerk, vlechtwerk, schilderkunst, snij-,boetseer- en beeldhouwwerk, volksprenten, godsdienstige huisversieringen, knipwerk, huiselijke
werken, juweelen, snuisterijen (Antwerpen, De Sikkel, 332 blz., ill.). De ondertitel maakt duidelijk dat de auteur zijn onderzoeksdomein zeer ruim opvat en dat hij als het ware een deel van het
Antwerpse volkskundemuseum de revue laat passeren in dertien hoofdstukken. Dit boek is rijkelijk geïllustreerd en bevat honderden buitentekstillustraties, waarvan vijf met de hand gekleurde
volksprenten (originele houtsneden). Het is dus zonder meer een bibliofiele uitgave, die vandaag de dag wegens de hoge drukkosten onbetaalbaar is geworden. Merken we op dat de inhoud van dit
werk ook vroeger reeds verschenen was in Volkskunde 26 (1920-21) – 3 5 (1930) en dat er eveneens in 1934 een Franstalige editie onder de titel L ‘art populaire flamand op de markt is gebracht
(Antwerpen, Brussel).

Merkwaardig eens te meer is de inleiding (blz. 9-25), waarin wij V. De Meyere als wetenschapper beter leren kennen en vooral zijn ideeën over de volkskunst, die volgens hem veel te lang als een
assepoester werd beschouwd. Figuren als de Provençaal Frédéric Mistral en de Frans-schrijvende dichter Max Elskamp hebben de waarde van de volkskunst al vroeg onderkend en liggen aan de
basis van belangrijke museale projecten in Arles en Antwerpen. Ondertussen is de internationale belangstelling voor de volkskunst toegenomen. De Meyere verwijst hierbij naar de gunstige invloed
van de Volkerenbond, die o.m. een paar internationale congressen over volkskunst mogelijk heeft gemaakt (Praag 1928; Antwerpen-Luik-Brussel 1930).

Het valt op, aldus De Meyere, dat de term volkskunst nogal vaak verschillend wordt geïnterpreteerd en gewaardeerd, vooral als het gaat om de eigentijdse volkskunst en haar revival. Het blijkt dat tussen wetenschappers en ambtenaren op internationaal en nationaal niveau grote verwarring rond het begrip volkskunst heerst, en daarvan geeft De Meyere een paar markante voorbeelden (blz. 1216).

Zelfs in eigen land circuleren tegenstrijdige meningen: Albert Marinus vs. De Meyere (blz. 1618), ook al omdat sommigen (Marinus) spreken van Belgische, en anderen (De Meyere) van Vlaamse of Waalse volkskunst (blz. 18). Hoewel delicaat en moeilijk waagt De Meyere zich toch aan een definitie op bladzijde 19. Verder treedt hij Max Elskamps visie bij dat volkskunst steeds in verband
te brengen is met esthetisch gevoel (blz. 20), wat o.m. door Duitse vaklui ontkend wordt. Ook weidt de auteur nog uit over het ontstaan en de ontwikkeling van het fenomeen volkskunst, die hij in
verband brengt met de primitieve mens (blz. 21-23). Tenslotte vermeldt hij nog een paar typische kenmerken van bepaalde Vlaamse volkskunstuitingen, die hij graag beperkt zag binnen de
contouren van de plastische kunsten. Maar ook daarover blijkt er geen consensus te bestaan (blz. 24-25)…Door de veelheid en heterogeniteit van de behandelde materie – dertien totaal verschillende onderwerpen komen aan bod – kan de auteur niet in detail treden of het thema grondig uitwerken.

Het komt er dus op neer dat V. De Meyere een soort algemene inleiding tot de Vlaamse volkskunst heeft geschreven, waarbij hij de lezer uitnodigt en aanspoort tot verdere observatie en onderzoek.
Op zich is dit werk dus niet af, maar het biedt wel een stevig overzicht van de rijkdom van de Vlaamse volkskunst, die hier voor de eerste maal in haar volle glorie wordt gepresenteerd. In 1938
verschijnt bij dezelfde uitgever Inleiding tot de Vlaamsche volkskunst. De titel misleidt, want dit werk is noch nieuw noch een aanvulling. Het is qua tekst een gereduceerde versie (51 blz.) van de
eerste uitgave, voorzien van de honderden illustraties, die ook reeds in 1934 afgedrukt waren. Ook de inleiding is duchtig ingekort en bevat geen nieuwe elementen. Volledigheidshalve vermelden we
nog een publicatie in boekvorm met volkskundige inhoud, namelijk Het Boek der Rabauwen en Naaktridders. Bijdragen tot de studie van het volksleven der 16e en 17e eeuwen. Het ontstond in
samenwerking van V. De Meyere met Lode Baekelmans en werd in 1914 in Antwerpen uitgegeven. In feite bestaat dit boek uit verschillende oude teksten, door het duo De Meyere – Baekelmans
opnieuw onder de aandacht gebracht. Het eerste is Der Fielen, Rabauwen, oft der S’chalcken Vocabulaer, gedrukt te Antwerpen bij “Jan de Laet in die Rape” in het jaar 1563. In een woord
vooraf delen de auteurs mee dat er van dit werkje maar twee exemplaren bekend zijn: het ene bevindt zich in de bibliotheek van het “Folklore-Muzeum” van Antwerpen, het andere wordt
bewaard in de bibliotheek van ” `s Rijks Hoogeschool van Gent”. Het werk zelf bevat vier delen: een woordenlijst, “der schalcken vocabulaer”, een soort geheimtaal, die de bedelaars en andere
marginalen bezigen (blz. 9-15); voorbeelden van bedrog (blz. 17-49); verhalen die over bedelaars en ander onguur volk worden verteld (blz. 50-57); raadgevingen om zich te beschermen tegen deze
bedriegers (blz. 58-70).

Kluchtige Calliope, uylbeldende, den Aert, Eyghenschappen, ende manieren der Arme Bedelaeren, bestaende in verscheyde manieren van eyschen, Antwerpen “by Jacob van Ghelen op d’Eyer-marckt/ in den Voghel-Heyn”, Anno 1651, vormt het tweede stuk, telt 47
bladzijden met illustraties en is “vooral belangrijk om den handel en wandel van het bedelaarsgild hier te Antwerpen na te gaan in het midden der zeventiende eeuw” (blz. 81 van het “Naschrift”). Een
derde luik wordt ingenomen door Liederen van fielten, rabauwen en schamele liefde-gezellen (zonder vermelding van uitgever en jaartal; 42 blz.). Dat deel telt negentien liedteksten o.m. over bedelaars, feestvierders en liedzangers. Over de herkomst van deze liederen berichten de auteurs op bladzijde 82 van het “Naschrift”, dat verder nog heel wat achtergrondinformatie en taalkundige toelichting levert met betrekking tot de heruitgegeven teksten. 

Niet in boekvorm uitgegeven, maar wel in Volkskunde gepubliceerd is zijn geïllustreerde bijdrage over “De Tooverij in Vlaanderen” (Volkskunde 34 (1929) 87-128). Hij heeft het hier over het
profiel van de heksen en de tovenaars, over bezweringsformules, anti-tovermiddelen en kaartlegsters. De auteur vermeldt op blz. 108-109 de lijst van voorwerpen die bij heksenmeesters
werden gekocht en in het Antwerps museum voor volkskunde bewaard worden. 

Omdat V. De Meyere in Oostduinkerke een villa bezat, nl. “De Fuchsia”, verbleef hij geregeld aan de kust. Als doorgewinterd volkskundige heeft hij daar ook opzoekingen gedaan. De resultaten van dit enquêtewerk heeft hij gepubliceerd in verscheidene afleveringen van Volkskunde 40 (193536) -42 (1938) onder de titel “De folklore van de Vlaamsche kust”. Eens te meer blijkt hieruit dat De Meyere een bijzondere aandacht heeft voor het irrationele denken en handelen van ijslandvaarders en kustbewoners, die geloven in voortekens, maritieme spoken, hekserij en witte magie van pastoor Lootens.

Waardering van de literator-volkskundige Victor De Meyere

Victor De Meyere werd voorzitter van de sectie Volkskunde van het derde Vlaams Filologencongres (1920), het eerste na de oorlog 1914-18. Het was toen ook de eerste keer dat er een zelfstandige sectie Volkskunde was.  De sectie Volkskunde van het 20ste Vlaams Filologencongres te Antwerpen (7-9 april 1953) stond in het teken van de herdenking van Victor De Meyere en Maurits Sabbe.

Geschiedenis van de gemeente Boom