BOOMS IDIOTICON

image_pdfimage_print

gateind stobbe van omgehakte boom
gerzelen griezelen, knarsen
gibberen giechelen
grondheren(de ) de doden
haamhout dwarshout aan strengen
haarzak valsspelen
de’t halfste middenste
(h)eist draagbeugel aan emmer
hemdrok vest
hezen,hozen water uitscheppen
heest grote houten lepel
hoks haaks, scheef, eigenaardig
houteke stijf onhandig mens, kind
jeukenissen geslachtsdelen
keef kevie, tenen mand, toestel om te leren lopen
keersriet kaarsvet
kisbet kisberd, zijschof van een kruiwagen
klappen gemoedelijk spreken
kletskoor dun touw- eigenlijk vlassen uiteinde van een zweep
knoefelen met moeite, droog eten
koffersool kartonnen boekomslag
konzjem quinzaine: betaaldag voor arbeid
ket kalfskoppastei;Noors=vlees Zweeds=kôtt
knoeps knorps, kraakbeen
kortweilig driest, overmoedig; Duits:kurzweil=verzet
kretsel kreitsel, hinder, verdriet, kreitachtig
krewellig driest, wild
krochen geweld doen; Duits:Krieg
kroksteen kern van een kers, pruim
kweik mond
ne lauwe, labbekak flauw kind
laas breder begroeide beek tussen droogloodsen
langen nemen, halen
lap oorveeg (oudhoogduits: lappo= vlakke hand)
linken binnenzijde van gewrichten, ook striemen
loekefoe naam voor de uil
loes zuigpropje voor kinderen; Duits=lutschen
loemerte schaduw, lommer
loet ovenkrabber
môsteek madesteek in fruit
mak rug, schouder;manier om jets te dragen
meesteren verzorgen, meester=dokter
moor kookketel
mosselingst hingst=hengst, soort vissersboot
milt hom van de mannetjesharing

Geschiedenis van de gemeente Boom