BOOMS IDIOTICON

Terug naar overzicht jaarboek 1997-1998

…of Rupeliaanse woorden en uitdrukkingen die men elders niet begrijpt.

door Paul Van der Roost , lid Ten Boome

Sinds ik in 1954 als 28-jarige om beroepsredenen (slechte spoorverbindingen) Boom verliet, ben ik er bijna totaal vervreemd. Er is zelfs een periode van ongeveer twintig jaar geweest zonder dat ik in Boom kwam, tenzij “in doorrit ” of om bij een familielid of kennis af te stappen.

Wat mij wel is bijgebleven: de kennis van het onvervalst Booms dialect. Dit dialect werd er bij mij duchtig ingehamerd tijdens mijn kinderjaren en tijdens mijn jeugd.  Ik woonde toen in de Bomestraat nr.8 (Kerkhofstraat), in een dichtbevolkte, zeer volkse omgeving met uitsluitend arbeiders en kleine bedienden (en vele “stammenees”). Mijn vrouw is geboren en getogen in Rumst, waardoor het “Rupels” accent nog versterkt werd. Tijdens mijn legerdienst (vol jaar in Gent) ondervond ik, dat vele Boomse of
Rupelstreekse woorden en uitdrukkingen door andere Vlamingen met begrepen werden. Nadien heb ik als spoorwegbediende het hele land bezocht en er gesproken met mensen uit alle streken

In sommige stations en werkplaatsen waren de (veelal wekelijkse) opdrachten over enkele jaren gespreid, zodat de taalcontacten redelijk grondig waren. Als “standplaatsen” had ik Mechelen, Antwerpen, Hasselt en vooral 24 jaar in Brussel, de grote smeltkroes van alle Vlaamse (én Waalse) dialecten.

Elke streek heeft haar eigen specifieke woorden en uitdrukkingen, maar mij interesseert uiteraard alleen het “taaleigen” van de Rupelstreek. Juist daarom wil ik interesse opwekken bij alle leden van Ten Boome, en een brede medewerking verkrijgen, om na het publiceren van een eerste lijst woorden en uitdrukkingen:

1) van éénieder die zich wil inspannen om die eerste lijst te vervolledigen en alzo tot het samenstellen van een brochure te komen.
2) van filosofen en andere bevoegden onder de leden die woorden en uitdrukkingen zo nodig te verklaren .
Hier volgt dan een eerste lijst:

 

 A) Lichaamsdelen

ne knoesel enkel
`n brô kuit
’n schoecht rug, hoge rug
’n staar voorhoofd
’n foemp, nen doemper, ’n fachel grote neus

B) Personen

ne schave vrolijk mens
ne schoeffelaair gulzigaard
ne schôver brutaal mens, onbetrouwbaar mens
ne kél opvallend mens, meestal vreemd, niet bekend
ne peezôger gierigaard,vervelend mens
ne snosselaair morsen tijdens eetmaal e.d.
ne plekker tooghanger, stukadoor
nen brakker rumoerig, vinnig kind
ne snotter, snotaap kind
ne laa, nen toettelaa, nen tette onmondig twijfelaar
’n joo, ’n jol, ’n wô, ’n smots onfrisse vrouw (j wordt uitgesproken zoals in Jean)
’n lit,’n lange lit slungelachtige vrouw of meisje
’n snelle, ne snelle knap meisje of jongen
nen anne, nen annekla onhandig mens
ne semmelaair traag, besluitloos persoon
soot, sotekes kinderen
nen bradde, nen dikke bradde zwaarlijvig man
’n blôôr openhartig, vrolijke praatlustige vrouw

C) dieren

ne pepel witte vlinder
ne panneplekker fraai gekleurde vlinder
vardevasj slijkworm, ver de vase? , aas voor vissers
ne mierzoaker mier
ne gernoot garnaal
’n pèweps wesp
ne sjeit staart

D) andere woorden en uitdrukkingen

ne vapeer stenen kachel
ne wôôr beglaasd paneel boven deur
plansier voetpad
è frinket,verket vork
moos open afloop vuil water
haarzak oneerlijkheid tijdens spel
schramille gezifte uitgebrande kolen
bles in schoeisel zonder kousen
scharen, hij schaart lichtelijk eigenaardig gedrag
êrembol knikker, marbel
slié, sliékes ziekelijk, nog niet hersteld na ziekte
oeigenaar ei zo na, rakelings
ne kimmelee, ne tosse kimmelee valpartij, sprong
nen totter gaan valpartij
half zijn gat slordig afgewerkt
ne slodder verdienen vlug meegenomen geldwinst
schots werre, aerdig werre onpasselijk worden
van obboke e joar van Hoboken één jaar= uitdrukking waarmee men te kenne geeft, dat men iemands verhaal niet gelooft…zonder het rechtstreeks aan de verhaler zelf te zeggen.
’n blô, blôkes blaffetuur

Broeder Paul Peeters deelde reeds de bekommernis van
Paul Van Der Roost en bundelde in zijn actieve loopbaan volgende opsomming:

Woorden
aaszakken hijgen, snel ademen
achtereen weldra, binnenkort
alijvegroot al evengroot
alle botten gedurig aan; bot=eindje touw:bot vieren
anneketa(nen-) een houteke, onhandig kind
bazeloen werkkiel
bedemen binnenkort, sebiet
betettert onthutst
birzen door dik en dun weglopen; oorspr: jagen
bles, bles in zijn schoenen (Duits:blass=bleek) bloot
blijten wenen
bloemekee bloementuil
boezen overvloedig uitvloeien
boloem gezouten vis
bra braaf=vrijwel
bradde, bradzak dik, dikkerd
brôs(de-) de kuiten, beenspieren
buildrager buidel, kolenlosser
bienderen, bunderen? Wild spelen
dijm gelukzak, gierigaard
dingen(het) kledij
doef stoot, dof
dokken afdokken, neertellen
dol vleesvlieg, soort muis
dollekens ingewanden
doenk donk, hoeveelheid
doorvlegendheid longontsteking
draaienissen duizeligheid
echtig waar, waarachtig echt=wet
eigenste gelijke, dezelfde
bezinderste verschillende
eppelink hoofdkussen Duits:Hâuptlink?
erk stomp, droog karakter
faas glazen stolp
faas, foske zwartzijden boerenpet
flees(fleus, fluks-van vliegen) straks
fooi groepsfeestmaal
flink oorveeg, klink
gôrslagen gadeslaan, sparen, ontzien

gateind stobbe van omgehakte boom
gerzelen griezelen, knarsen
gibberen giechelen
grondheren(de ) de doden
haamhout dwarshout aan strengen
haarzak valsspelen
de’t halfste middenste
(h)eist draagbeugel aan emmer
hemdrok vest
hezen,hozen water uitscheppen
heest grote houten lepel
hoks haaks, scheef, eigenaardig
houteke stijf onhandig mens, kind
jeukenissen geslachtsdelen
keef kevie, tenen mand, toestel om te leren lopen
keersriet kaarsvet
kisbet kisberd, zijschof van een kruiwagen
klappen gemoedelijk spreken
kletskoor dun touw- eigenlijk vlassen uiteinde van een zweep
knoefelen met moeite, droog eten
koffersool kartonnen boekomslag
konzjem quinzaine: betaaldag voor arbeid
ket kalfskoppastei;Noors=vlees Zweeds=kôtt
knoeps knorps, kraakbeen
kortweilig driest, overmoedig; Duits:kurzweil=verzet
kretsel kreitsel, hinder, verdriet, kreitachtig
krewellig driest, wild
krochen geweld doen; Duits:Krieg
kroksteen kern van een kers, pruim
kweik mond
ne lauwe, labbekak flauw kind
laas breder begroeide beek tussen droogloodsen
langen nemen, halen
lap oorveeg (oudhoogduits: lappo= vlakke hand)
linken binnenzijde van gewrichten, ook striemen
loekefoe naam voor de uil
loes zuigpropje voor kinderen; Duits=lutschen
loemerte schaduw, lommer
loet ovenkrabber
môsteek madesteek in fruit
mak rug, schouder;manier om jets te dragen
meesteren verzorgen, meester=dokter
moor kookketel
mosselingst hingst=hengst, soort vissersboot
milt hom van de mannetjesharing

kapotneuken door prutsen onklaar maken
noeneke rietfluitje en dgl. om te neuriën
oppassen zich goed gedragen
paddeknots zo naakt als een kikvors
paren hard lopen
pees heer en dame van troef
pees klap met vlakke hand
penninken janken van de pijn
percies gelijkend op, bijna
permeteren klagen van nood of pijn, jammeren
pertang pourtant, nochtans
pillen met de vingers afpeuteren: brood, eierschaal
pladerms met uitgestrekte armen vallen
profiteren eten
prut oogziekte, vuilnis
prutsen handjesspel, schijnvechten
ra stenen kruik voor opgelegde groenten en fruit
rats plots, ineens
rattekaal radical, ineens, grondig
rijzekens nauwelijks, juist, een weinig
roog eitjes in haring
schalotteren beschadigen, schenden
schandeel schouderband met lussen
schave(ne-)schouwe, schuwe= een guitige, komische
scheen(het-) scherm, gordijn op toneel; Frans=scéne
schoefeleer gulzigaard
schoor-(‘t-) de schorre
schoecht schoft, bult, bultenaar
schots scheef, lelijk, onpasselijk
schoven schof planken schuiven in muurriggels tegen ’t water
schramielen Frans=escarbilles, schreuven, nog brandbare sintels
schremen, schreeuwen schreien, wenen
sebiet, sibots dadelijk, straks
sijske zwart waterkevertje, schrijvertje
 sijskens stuipen
sjafelen klein werk doen
slip inkerving, spleet hemdpand
smeiren lekker eten-van smeer=vet
smots slorig meisje of vrouw
snel gezond uitziend, jeugdig, lief
snokken rukken
snossel kleinigheden, koekjeskruimels
sobet hakbord?
soo(r)t(de-) de klein soot= de kinderen; aanspraak:sotekes
spelnagel spijker met ronde kop-speldnagel

spijs materie, specie
sprok bros, broos, breekbaar
stuiken zwaar vallen
stuik zware klomp fijne klei
steks steeks steil, van “stijgen”
strinkelen struikelen
swenst gedurende, terwijl
staar voorhoofd
tij kinderwoord voor hond
tekken aanraken bij kinderspel
tellefon tire-fond, schroef met vierkante kop
tjokken wiegen
toeken slaan, aframmelen
sop(het-) top, spits
toot tuit van koffiepot, ook voor mond
toverés heks
totter val, bots
tots dot, haarwrong
uitslippen bespotten, met gebaar: in de vinger snijden: slip!slip!varen vreemd aandoen
vas pees, hals-nekgewricht
vastspeten met speld of aan ’t spit rijgen
veraard rood ontstoken door wrijving
vermangelen uitwisselen
verscharen afwisselen, overhand inspringen
verslipt ganzepen met versleten slip
vertuitelen wisselen, Duits= tauschen
weddel houten draaiknop om te sluiten, kikker
weef weduwe
wégaard weerga, tegenhanger
wevenaar weduwnaar
zaat scheepstimmerwerf, ook zandplaat langs de oever
zelfend niet pluizende rand van een weefsel, plat lint
zwak lenig
zwingel klap, oorveeg
zwadderen schudden

bof op(boevoep) vlak tegenaan
daar och omtrent ongeveer
de’t halfste de middenste
kroppede vol barstensvol
kwaad ijzer ijzerroest
rinkeneen ring aan één , gedurig aan
sterke boter plant, middelste geel gedeelte van een lisstengel
van hèr opnieuw
half en half ten dele, zus en zo
van eigen(s) vanzelfsprekend
hobbel en sobbel verward gekreukt
los en door dwarsdoor
hoop en al alles bijeen, hoogstens
zware steenaarde pot
met stukken en brokken geleidelijk
in stukken vaneen gans kapot
van voren af aan helemaal opnieuw
effen af bepaald, rechtuit
door de langen duur tenslotte, eindelijk
van deeg hard, danig, ferm,”bra”
van bijlange niet helemaal niet
alzeleven vermoedelijk, zeker
heel de grondigen dag gans de dag
op ne weerlicht snel
met de ga-te gauw, in’t voorbijgaan
voor de frim voor de grap, de schijn
per fors met aandrang, absoluut
ten halven door middendoor
aloverhand beurtelings
da’s tegen veel valt hard, hinderlijk
eenszoveel dubbel zoveel
ik em aan heb beet
t’avond heden avond
te morgend ’s morgens
te noenend ’s middags
da’s eender om’t even, gelijk
geen(s)van alle allegôr geen enkele
dobbel en dik overvloedig, rijkelijk
gewisseld en gedraaid helemaal, hoe ook
kortvolgens kort daarop
van ene pas soms, tussendoor
uit mijne gerre uit mijn weg
krak’t zelfde helemaal’t zelfde
zij was bij de goeje ze heeft geluk, boft
het geld moest kuis op totaal op

het water wast stijgt, komt op
gij ’s en aap drommelse aap
dat beest draagt rap kennis herkent
van God sta me bij geweldig
hij kan er nie aan over (uit) staat versteld
een vreemd moksel maaksel, zonderling persoon
en al dat gelul heel de boel
met veel certefetieten servitudes, komplementen, formaliteiten
veel rond zijn oren hebben veel bezigheid, zorg
iets aan d’hand hebben een tegenvaller

Wendingen

ne ka ves kikvors, een kouwelijk persoon
pekking krijgen slag
hij zit mol, zit los heeft alles verspeeld
op de poef, poefen op krediet, schulden maken
de weg op zeven doen een nutteloze omweg
niets gekort niets gebaat, geholpen
in de mot krijgen een vermoeden krijgen
in de gaten hebben in’t oog houden
in ’t snotje in’t oog houden
op schok (scheut) gaan herbergen aflopen
het sneet lijk zou men zeggen
gans van zijn melk bleek, ontdaan
dan weet ik er alles van ben ik echt benieuwd
lijk’k weet nie hoe zeer
`k ben blij toe daarmee
achter ’t oepper de hooi-opper=heimelijk
grote vaak, dorst(maar ook pis,kak) honger,schrik
nijvenant naar venant, lijk het komt
zij maar zekers verwacht maar
schat ik meen ik, vermoed ik
ei sjenaar ei zo na, het schol weinig
ja, dât tot daar toe, om’t even
gotseingendoe God zegene u! Wens bij het niezen
’t is sint ’t is speciaal erg, ’t is zonde
van doen hebben nodig
van je leven ooit
het zal er spollen gespannen toegaan, daveren

Vergeten we niet dat ons medelid, Mevrouw L.Van Aken in 1993 haar bijdrage tot het dialectenboek nr.2 leverde. Het boek werd uitgegeven door de stichting “Nederlandse dialecten” te Waalre.
U vindt het artikel blz.141 en volgende.