BIJDRAGEN TOT DE GESCHIEDENIS VAN HET SPOORWEGVERKEER TE BOOM

image_pdfimage_print


II Het beleidskader

1. De Spoorweg

A) De Belgische Staatsinbreng (1830-1844)

Net zoals in de 18de eeuw werd de jonge Belgische Staat na 1830 geconfronteerd met de vraag hoe men het handeisverkeer tussen de Noordzee en Midden-Europa kon stimuleren ondanks het feit dat alle natuurlijke verkeersmogelijkheden afgeschermd waren. Op 5 mei 1835 werd het spoorwegtraject Brussel- Mechelen ingereden. Deze 20 km spoorlijn waren er gekomen na een beslissing van het parlement op 1 mei 1834. Het doel was immers om een basisnetwerk van staatsspoorwegen aan te leggen waarbij Antwerpen met de Rijn zou verbonden worden en Mechelen met Frankrijk. Dit laatste zou een Franse militaire reddingsoperatie moeten vergemakkelijken indien de Nederlanders, zoals in 1831, de afscheiding manu militari zouden willen beëindigen.

5 mei 1835-de eerste Belgische treinrit
(Foto: Wikipedia)

Daarnaast speelde ook de politieke druk uit Luik mee. Door de afscheiding van het Noorden was de Luikse ijzerindustrie in een economische crisis terechtgekomen. Die vrees voor een Luikse opstand maakte ook dat de Staat tijdens de door speculatie veroorzaakte ijzercrisis van de jaren 1839-1844 ijzer aankocht voor de verdere uitbouw van het staatsspoorwegennet. Hiermee kon de Staat ook tegemoet komen aan de particularistische verzuchtingen van een aantal steden, die uiteraard een spoorweg wilden bekomen. Een van de ideeën was een spoorlijn Oostende-Keulen, met aftakkingen naar Antwerpen en Mechelen. Met de wet van 26 mei 1837 werd de aanleg van een staatsspoorlijn door elke provincie goedgekeurd, wat vooral op gejuich werd onthaald in de provinciehoofdplaatsen van Namen, Limburg, Luxemburg en vooral West-Vlaanderen.

B) De concessies (1844-1870)

De wet van 19 juli 1832 en het koninklijk besluit van 29 november 1836 was reeds het wettelijk kader geschapen om openbare werken in concessie te geven. Met de wet van 15 april 1843 besluit het parlement evenwel om die concessies niet te laten toekennen door de koning, maar wel door het parlement. Elke concessieaanvraag diende dan ook aangevraagd te worden en goedgekeurd te worden door Kamer en Senaat.

Trajecten waar winst werd verwacht kregen een spoorlijn. De privé-maatschappijen deden dit zonder verdere planning, wat immers belangrijk was was om zo snel mogelijk het geïnvesteerde kapitaal terug te verdienen. Vele buitenlandse investeerders waren Britten, aangezien het Britse spoorwegnet vanaf de jaren 1850 gesatureerd was.

Geschiedenis van de gemeente Boom