DE TRONKENMANSWEG

image_pdfimage_print

Grotemoe zat nog altijd stil in de zetel. Antje trok aan haar knie: “Grotemoe, kijk eens wat schone wantschoentjes! Die heeft de juffrouw van ’t kasteel mij gegeven. Grotemoe!” Die scheen wel te slapen; maar neen hoor, was erger. Ik denk dat haar schuifweg over de vloer ten einde liep. Antje speelde naast de ronde kachel op de grond, bekeek hoe de bloempjes op haar wantjes er van binnen uitzagen; dacht: die os en die ezel daar hadden het Kindje Jezus met hun adem verwarmd, … en zo moet Antje in slaap gevallen zijn. Lange tijd later werd ze wakker van de kou. – Het begint, kinderen! – De kachel was uit, het olielampje flikkerde vreemd.

Stijf stond ze op. Waarom zat grotemoe nog altijd stil in de zetel en antwoordde ze niet ? Antje werd bang in de halfdonkere kamer, ze werd gewaar dat er iets misliep en keek naar de deur. Wanneer komt vadertje terug of freule Yvette, die konden toch niet ver zijn? Ze zou haar vadertje tegemoet gaan en zeggen dat hij naar grotemoe moest komen zien. Ze trok een sjerp van de kapstok. Grotemoe, zal ik de jas van vader aandoen? Ze moest op een stoel klimmen om eraan te kunnen en hij is veel te groot. Eindelijk was hij met twee knopen vast. Nu de wantjes terug aan en de kap op. Nog eens naar grotemoe gekeken om te zien of die niets zegde, en dan trok de zonderlinge gestalte de deur uit. Het arme kind kon natuurlijk niet weten dat het voor goed was.

– Ssst, stil, Dirk … laat Leentje maar slapen; heeft ze vannacht geen tandpijn gehad misschien? Schuif wat op en laat ze tegen mij aanliggen. Zo. Buiten verschoot Antje zeer; wat voor een overgrote rode maan was me dat, tussen de hoogste boomtoppen! Daar had je nu Janneke Maan, zo dichtbij en met open mond. Heinde en ver was alles lichtjes blauw, met schaduwen onder de sparren, lijk donkere holen, waar je best ver van weg bleef. Ze scharrelde naar de weg en zag de sporen van de slee; gindsheen was de freule gereden. Het was ferm koud; vier pluimwolkjes dreven hoog over de bleke sterren en geen een van hen dat de andere inhalen kon. De sneeuw kraakte onder haar voetjes en ze kwam moeilijk vooruit. De kou begon scherp in haar kinnetje en neus te bijten. Nu was ze alleen in `t bos, dat er helemaal anders uitzag. Naar grotemoe durfde ze niet terugkeren. En als nu voor één keer de wolven toch eens kwamen? Ze strompelde verder in het spoor; de veel te wijde jas sleepte stijf achterna, de braamstengels wilden haar tegenhouden. Haar handjes begonnen te tintelen en zeer te doen. Ze bleef weer staan. Zie, zie, zie lispelde de wind in de sparrentoppen; ergens veraf riep een treurige uil en dan nog eens, korter bij. Let op, die komt naar hier. Ze kreunde zachtjes, riep op haar vadertje en blies bibberend in haar verstarde vuistjes. Toen werd het langzaam beter, ze voelde de kou zo niet meer. De maneschijn glansde op duizend zilveren kerstbomen.

Antje had horen zeggen dat er vreemde dingen gebeuren op Kerstnacht en dat zou mij ook niet verwonderen. Het Kindje Jezus heeft toch met zijn komst alle mensen uit alle tijden verlost. Ook de wilde lieden, die lang, lang geleden in `t bos aan de Vuilbeek woonden, een volk van ijzersmeden, Dirk, van jagers op beren en woudbizons. En als je goed toeziet, trekken geheimzinnige processies door bos, met kappen en lichtjes, lijk kabouters, en als je naderbij komt, zijn ze weg.

Digiprove sealCopyright beveiligd door Digiprove © 2019 Marc Verlinden

Geschiedenis van de gemeente Boom