Het ontstaan van de Christelijke Vakbond van de Steenbewerkers

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1990-1991

VOORDRACHT GEHOUDEN DOOR Mevr. KARIN BLOMMAERT 1 OP 20 MAART 1991

(Foto: ontwerp vlag van Robert Lombaerts uit archiefstukken die in ons archief kunnen geraadpleegd worden)

Even na acht uur verwelkomt Jos Verlinden 2 de talrijke aanwezigenen inviteert de heer Marcel Van Mol om onze voordrachtgeefster in te leiden.

De verbondssecretaris van het A.C.V.-Rupelstreek prijst zich gelukkig een jonge Boomse historica te mogen feliciteren met haar initiatief de vruchten van haar opzoekingen over het ontstaan vande christelijke vakbond der steenbewerkers aan het sympathiserende gehoor mede te willen mededelen. Bovendien zal Karin in een revue de plaatselijke figuren uit die heldhaftige tijd in de schijnwerpers zetten zonder afbreuk te doen aan de verdiensten, die ook de socialistische en Daensistische militanten vergaard hadden, om daarna de evolutie te schetsen, die zal leiden naar de oprichting van het Nationaal Verbond.

Een kleine historische opfrissing brengt ons de monniken van St.Bernards in het geheugen, die in de 13de eeuw in onze streken het steenbakken aanleerden. Ook in de Kempen, met Turnhout als centrum, zetten geestelijken de eerste stap. Onze boeren zullen een eeuw later van deze kennis profiteren om met hun veldovens de nodige steen te bakken voor hun eigen behoefte. En dankzij de brand van Antwerpen in de 16de eeuw en het stedelijk verbod nog houten huizen op te trekken, zal de vraag naar steen steeds stijgen. Via het zeekanaal wordt Brussel bevoorraad. In de 19de eeuw zien we overal langs de Rupel en de Schelde (tot Rupelmonde en Steendorp) de steenbakkerijen uit de grond rijzen. In de Kempen gebeurt hetzelfde na het graven van de Turnhoutse vaart.

Door eerste mechanisaties op het einde van de 19de eeuw, namelijk het invoeren van de ringoven van Hoffman met een continu bakproces en het in gebruiknemen van de kleibaggers in 1911, steeg de productie meer en meer. Zo werd in 1913 het magisch getal van een miljard steen bereikt. De om ‘zijn kwaliteit’geroemde Boomse baksteen vond eveneens zijn weg op de internationale markt, er werd geleverd in Nederland, Engeland, Frankrijk en de Verenigde Staten.

Helaas hebben wij, door de politiek van de familiale bedrijven en het gebrek aan investeringen, het verval van deze industrie sinds 1960 steeds meer zien toenemen, met het desolate gevolg dat wij allen maar al te goed kennen.

En onze arbeidsmensen, hoe hebben die, ieder in hun evoluerende tijd, het arbeidsproces ervaren ? Wie van ons herinnert zich nog “de Waterroot”? Kleine huisjes, bitter weinig komfort en zonder hygiënische voorzieningen. Gelukkig hij die via een arbeidscontract zo’n huisje mocht huren van zijn werkgever, echter op gevaar af er uit te vliegen indien ooit van werkgever zou worden veranderd.

De organisatie van het werk eiste seizoen- en ploegarbeid. In de winter stak men met kleine spaden de klei om in de zomer de stenen te kunnen vormen, drogen en bakken. Het werk werd niet al te vet betaald. Een arbeidsdag van 19 uur was hierbij geen uitzondering, vermits men rond twee uur ‘s morgens begon te werken tot 9 – 10 uur ‘s avonds. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vele kinderen, die hun ouders kwamen helpen om het gezinsinkomen wat op te krikken, met hun leven de tol van de kinderarbeid betaalden.

Toch zal men tot 1889 moeten wachten om de eerste wet op de kinderarbeid gestemd te zien. De kinderen mochten slechts vanaf 12 jaar gaan werken, tevens werd er een maximum van 12 uur per dag vastgesteld voor jongens tot 16 jaar en meisjes tot 21 jaar.

Zo luidde de wet ! Maar de toepassing ervan was heel wat anders en alle middelen waren goed om de wet te omzeilen of te ontwijken.
Niet te verwonderen dat er in 1894 een grote staking uitbrak onder de werklieden op de steenbakkerijen. Door het beperken van de kinderarbeid zagen zij hun familleinkomen sterk dalen. Ook de patroons van hun kant waren niet tevreden over deze wet, zij vreesden voor een productieverlaging. In Rumst werd een socialistische vakbond opgericht, spoedig gevolgd door Boom.

Op Noeveren braken onlusten uit en de staking breidde zich uit van Rumst tot Niel. Zevenduizend arbelders waren hierin betrokken,zodat het tot grote optochten, manifestaties én gendarmerieoptreden kwam. Om de grote nood op te vangen werd door de socialistische bond brood aangevoerd en uitgedeeld. Door een gedeeltelijke loonsverhoging kwam er een breuk in het stakersfront.

Er kwam een nieuwe wet op de kinderarbeid, nog meer in het voordeel van de patroons. Dit kon niet blijven duren. De katholieke Belgische Volksbond richtte plaatselijke bonden op en overkoepelde de acties. De banmolens moesten verdwijnen en de christelijke mutualiteit “Arbeid en Deugd” werd opgericht.

In de zelfde periode verscheen ook priester Daens uit Aalst op het toneel. Hij zou opkomen voor de politieke inspraak voor het volk. Hij was in de volle zin van het woord een christen democraat. Niet te verwonderen dat er een schisma kwam in de katholieke partij. De Daensisten echter hielden voet bij stek en waren veel radicaler dan de Volksbond, waar voornamelijk patroons en geestelijken het hoge woord voerden. In 1896 – 1897 werd de eerste Daensistische vakbond voor de werklieden van de steen opgericht op Noeveren. Priester Daens werd er ingehuldigd als erevoorzitter, hij hield er toespraken voor een massa enthousiaste werklieden. Daens werd hiervoor door de bisschop geschorst voor een maand.

Aan katholieke zijde bleef men niet bij de pakken zitten. In 1901 gaf pater Rutten het startschot voor de oprichting van de katholieke werken, vooral dan op syndicaal vlak.

In 1904 richtte hij in Gent een Algemeen Secretariaat op, van waaruit hij over gans Vlaanderen zijn propagandastrijd voerde. Samen met zijn medewerkers trok hij door Vlaanderen om christelijke vakbonden op te richten en te begeleiden.  

In 1905 kwam pater Rutten in Boom de werklieden toespreken. In januari 1906 volgde de oprichting van de steenbakkersvereniging “Recht en Plicht”. Ze vestigde zich in de lokalen van de Volksbond in de kerkstraat. Er werd een financiële steun van 125 Fr.losgepingeld van het Ministerie en een bestuur gekozen met als voorzitter Claes, secretaris Hermans en “geestelijk bestierder” B.H. Caluwaerts. Van in het begin werd veel aandacht besteed aan de-ledenwerving en wie afwezig bleef op de vergaderingen, kreeg een boete opgelegd (tot 5 Fr.). Er werd aan de werklieden onderricht gegeven en het probleem van de schriftelijke contracten werd uitgebeend. Dit was immers belangrijk bewijsmateriaal indien er moest opgetreden worden tegen wantoestanden.

Er werd voorzien in juridische bijstand van de leden door de Boomse advokaat Van Reeth. De werking werd steeds intenser, zo werd bijvoorbeeld in 1908 een werklozenfonds opgericht. Er kon 1 Fr. per dag uitbetaald worden aan de werkloze leden en dit gedurende een periode van 18 dagen.

Na een eerste ronde, waarbij plaatselijke vakverenigingen opgericht werden, ijverde pater Rutten voor een centralisatie van deze initiatieven in gewestelijke verbonden. Hij stuurde in 1908 twee afgevaardigden naar Boom om zulke centralisatie door te voeren. Hierbij werden een aantal voordelen voorgeschoteld om de plaatselijke besturen warm te maken voor deze samenwerking:

1) een grotere groep verwerft grotere macht

2) minder problemen bij de uitbetaling van de vergoedingen

3) de leden blijven hun rechten behouden als ze verhuizen naar een andere gemeente.

Het Gewestelijke Verbond der Schelde- en Rupelboorden werd een feit. Louis Duprez werd voorzitter, Evarist Van Quaquebeke secretaris (beide kwamen van Gent) en Constant Van Camp uit Boom werd ondervoorzitter. Zij maakten veel werk van de weerstandskas der stakers, de kas der werklozen, ze trachtten het probleem van de
loonsverlagingen op te lossen en spanden zich in om loonschalen op te stellen.

Einde 1910 ging de centralisatie nog een stap verder en werd er een Nationaal Verbond der Steen- en Ceramiekbewerkers van België opgericht. Het nationaal secretariaat werd In Boom gevestigd, totdat het in 1957 naar Brussel verhuisde. De Bomenaar Hubert Mampaey werd aangesteld als nationaal propagandist.

Hij zorgde voor de dagelijkse leiding en werking van het verbond. Hij stond aan de wieg van de bibliotheek “Rerum Novarum” en was de uitgever van het strijd- en ledenblad “De Steenbewerker”. Dit blad werd veertiendaags aan huis bezorgd bij de leden. Mampaey stelde het blad samen en zorgde voor de propaganda, maar ook voor activiteitsverslagen en opvoedende artikelen. Zo kregen de duivenmelkers er van langs als vijanden van de vakbond, omdat de duiven beletten dat hun baasjes ‘s zondags de vergaderingen kwamen bijwonen. Maar ook de dronkelappen kregen de levieten gelezen, want door hun werkverzuim op maandagmorgen, bewezen zij geen loonopslag nodig te hebben. Onnodig te zeggen dat ook de matigheidsbonden de drankduivel als de grootste volksmoordenaar doodverfden.

Hoogtepunt in de vorming vormde jaarlijks de Sociale Week, die vanaf 1908 in Leuven georganiseerd werd. Voor Boom gingen Hubert Mampaey en Jules Roscam er naar toe. De aldaar opgestoken kennis werd in de Boomse studiekring doorgespeeld aan een breder arbeiderspubliek, om op deze wijze de intellectuele vorming van de leden op een hoger peil te brengen. Het kwam zelfs zover dat onder impuls van Mampaey een sociale week in het klein te Boom werd georganiseerd.

Mampaey diende ook de syndicale acties voor te bereiden. Pater Rutten nam het voortouw en leerde zijn discipelen dat er slechts mocht gestaakt worden als alle verzoeningsmiddelen uitgeput zouden zijn. Reglementen werden opgesteld , de consultatie van het bestuur werd geregeld en het onderhandelen werd aangeleerd zodat er geen wilde stakingen meer mogelijk zouden zijn.

De arbeidsduurvermindering werd teruggebracht tot 14 uur en om het bedrog bij de  arbeidscontracten uit te schakelen werd er geijverd voor collectieve opslag. Gedurende de Eerste Wereldoorlog lag het vakbondswerk in België plat. Mampaey leverde knap werk als secretaris van het Nationaal Hulp- en Voedingscomité in Boom.

Na de oorlog moest de christelijke vakbeweging terug van nul beginnen. Ze profiteerden nu wel van de opgedane ervaringen van de voorbije twintig jaar. De internationalisering was niet meer tegen te houden, zeker onder invloed van de contacten die tijdens de oorlog gelegd waren. Er werden contacten gelegd met de Nederlandse en Duitse steenbewerkers. In België zelfs nam de centralisatie toe.Steeds meer plaatselijke verbonden sloten aan bij het Nationale Steenbewerkersverbond. In 1923 kwam het tot een fusie met de Waalse steengroefbewerkers.

Op sociaal vlak werd na de oorlog in Boom een gemeenschappelijk akkoord over de  lonen afgesloten voor één jaar. Het daaropvolgende jaar moest er wel twee maanden
gestaakt worden, waarna nog geen oplossing gevonden werd. Dus diende men nu  afzonderlijk per patroon te gaan onderhandelen. Het zou tot 1921 – 1922 duren  vooraleer een gewestelijk akkoord uit de bus kwam.

Onderlijnen wij ook nog even de grote persoonlijkheid van Hubert Mampaey, de man die aan de basis stond van het christelijk syndicalisme in Boom en de Rupelstreek. In de jaren twintig ging hij in de politiek en verdedigde de arbeidersbelangen in het
parlement en in het gemeentebestuur. Hij bleef volksvertegenwoordiger tot 1947, het  jaar van zijn overlijden. Voordien was hij in de vakbond reeds opgevolgd door de
Bomenaar Juul Roscam, een andere grote vakbondsman voor onze streek.

In het teken van deze voordracht willen wij het niet nalaten onze lezers twee  “getuigenissen” voor te schotelen over de bezoeken van priester Daens aan Boom. Het eerste is een krantenartikel van de Vlaamse auteur Karel Van De Woestijne uit 1907.

Het tweede artikel geeft de brief weer die de Boomse Daensisten schreven aan Daens toen hij door zijn bisschop voor een maand geschorst werd omdat hij in een Boomse herberg de werklieden toegesproken had.

 

  1. Karin Blommaert was bestuurslid van Ten Boome, later secretaris, momenteel is ze nog steeds lid van Ten Boome
  2. Jozef ‘Jos’ Verlinden overleed op 29 november 2015. Hij was sinds het ontstaan van Ten Boome penningmeester en schreef tal van artikels voor onze jaarboeken. Lees ook ‘In Memoriam Jos Verlinden in het jaarboek 2015

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Geschiedenis van de gemeente Boom