Boom…In Het Verleden

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1991-1992

Voordracht gehouden op 9/10/91 door kan. R. Roelandts.1

(Foto: FAB 623)

Beste mensen,

Eerst een goede afspraak; verwacht van deze avond geen geschiedkundige uiteenzetting over Boom in het verleden. Ik kom er gewoon over praten, ’t is maar een vertelavond als liefhebber. Maar dan in de letterlijke betekenis van het woord, als iemand die zijn geboortestreek en haar bevolking liefheeft. Vraag me nu niet naar het waarom van die liefdesverklaring. Het is gewoon teveel om uit te leggen en over de geschiedenis filosoferen is de bedoeling niet. We houden het dus gewoon bij de feiten, bij wetenswaardigheden.

Omwille van het karakter van deze voordracht – het was een gezellige en leerrijke vertelavond – werd er geopteerd om het geheel van vertellingen van kan. Roelandts, dat reeds vroeger in afleveringen in het Parochieblad van Boom verscheen, integraal te publiceren (n.v.d.r.).

Eerst even voorstellen

Onder dit kenteken krijgt u voortaan elke week een hapje Boomse geschiedenis aangeboden … tenzij het wegvalt door plaatsgebrek op de parochiebladzijden. Want wat nu leeft, verdient éérst uw aandacht. Toch is plaatselijke geschiedenis belangrijk … omdat u er nog van leeft. Wie dat beseft krijgt meer inzicht in het heden en ook uitzicht op een toekomst. Want we leven in een doorlopende geschiedenis. Daarom deze cursiefjes.

Hoe worden ze opgevat en opgesteld ? Niet als een vakkundige studie. Maar wel om geschiedenis “aan de man / vrouw te brengen”. Zeg maar: te vulgariseren. Daarom zijn het maar “hapjes”. Zoiets als vlotte “snacks”. Of noem het verpozende tussendoortjes, bij de overdadige informatie die vaak onverteerbaar is. Verwacht dus geen diepgaande studie. Met mijn gegevens heb ik lichte kost bereid, die u leert genieten van “Boom in het verleden”. Uiteraard blijft het onvolledig. Maar toch zo nauwkeurig mogelijk, zij het dan zonder eigen archiefstudie.

Wat u wordt aangeboden is “gesneden brood” uit de Boomse geschiedenis van pastoor H. Sel (1873), deken F.X. Beten (1900), kan. E. Steenackers (1907), Dr. B. Lamot (1957), A. Vinck (1975 en ’83) en de merkwaardige documentatie van wijlen René en Armand Bal

Ik hoop dat het u zal smaken. Mocht het soms geen voldoening geven, dan ontving ik graag uw aanmerking of toelichting.

Voordat Boom ontstond

Rond het jaar nul, de aanvang van onze tijdrekening, begon ook de geschiedenis van de landstreek tussen Rupel en Schelde. Want er werden overblijfselen van Romeinse nederzettingen ontdekt, o.a. in Rumst en Kontich. Ook oude geschriften vermelden die plaatsnamen als Rumesta en Contacum.

De Romeinse vesting in Rumst beheerste de Rupel als knooppunt, bij de samenvloeiing van de Nete, de Zenne en de   Dijle met de Demer. Rivieren vormden de eerste verbinding met het ontoegankelijke binnenland.

Na het verval van het Romeinse Rijk lag het land open voor de volksverhuizing van de Franken in de vierde eeuw. Eerst driehonderd jaar later vermeldt de geschiedenis iets nieuws: de heilige Reinildis, dochter van Witger, de leenman van Kontich, schenkt haar erfland aan de abdij van Lobbes (Henegouwen).

Als er langsheen de waterlopen al iets bestond, werd het 150 jaar later verwoest door de Noormannen. Zij zijn doorgedrongen tot in Lier, maar werden verslagen bij Leuven (891).Daarna ontstonden nieuwe woonkernen rond burchten, die de omstreken konden beheersen en beveiligen tegen plunderaars en baanstropers. De burchtheren met hun strijders eisten daarvoor een deel van alle opbrengsten (tienden)en allerlei onbezoldigde karweien (vroondiensten).

Zo kwam de Rupelstreek in de ban van de Berthouts. In 1145 was hun kasteel in Grimbergen verwoest door de hertog van Brabant, met de steun van de graaf van Vlaanderen. Maar de Berthouts bouwden hun nieuw kasteel in Rumst. Ze verwierven aanzienlijke domeinen op de linker en de rechter oever van de Rupel, waarschijnlijk met geweld.

Hoe dan ook, in de twaalfde eeuw werd ons grondgebied een buitenwijk in het “Land van Rumst”. Die toestand bleef ongewijzigd, ook onder het bewind van de vierentwintig daarna volgende Heren van Rumst. Pas in 1645 werd Boom een zelfstandige gemeente, met een eigen schepenzegel, maar nog onder het oppergezag van de Heer van Rumst.

Onze-Lieve-Vrouw ten Boom

De oude volledige plaatsnaam van Boom blijft zichtbaar in het kenteken van het schepenzegel van de gemeente: de Boom met een Mariabeeldje.

Zichtbaar van op de Rupel diende die boom als een plaatsaanduiding op de voetweg tussen Schelle en Rumst, de twee oudste woonkernen. Hij stak boven het kreupelhout uit, ergens op het pad waar nu de Hoogstraat en de Blauwstraat liggen. Maar toen stond er geen enkel huis omtrent. Het moet een opvallende, maar niet bepaalde boomsoort geweest zijn. Want in 1309 vermeldt een brief “de parochie van den Naemloosen Boome”. De oude plaatsnaam bleef bewaard, zelfs toen er al enkele huizen stonden.

Het Lieve-Vrouwbeeldje aan die boom werd waarschijnlijk aangebracht door de eerste geloofsverkondigers. Zo gaven ze een christelijke duiding aan bomen die, zoals bronnen, bijgelovig werden vereerd door passanten. Dat bijgeloof bleef nog voortleven in stichtende legenden en wonderverhalen.

Alleszins staat vast, dat vanuit de St.-Michielsabdij (Antwerpen 1122) en vooral uit de St.-Bernardsabdij (Hemiksem ca. 1245) die monniken het christendom hebben verspreid in de Rupelstreek, zodra de eerste nederzettingen ontstonden.

Reeds in de dertiende eeuw begon de Maria-verering in dit afgelegen schier onbewoond gebied. Nadat de oude “Naemeloosen Boome” verdwenen was, bleef de herinnering bewaard door het “onse-lievevrouwe boomken” (1616) op de hoek van de 0.-L.-Vrouwstraat en de Blauwstraat. Op die plaats werd later het kapelleken gebouwd, als bidplaats op de processieweg.

Doorheen al de wederwaardigheden van vele woelige eeuwen, is de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw levendig gebleven. Tot voor de Franse Revolutie was Boom een Mariale bedevaartplaats. In vele straten sieren Mariabeelden sommige huisgevels. Vermelden we nog het Mariaspel in 1922 en vooral de Maria-Ommegang tot in 1965. Nog altijd is de jaarlijkse bedevaart naar Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel een getuigenis van die eeuwenoude volkse vroomheid.

Het Laathof van Immerseel

In de tijd van “de slag der gulden sporen” (1302) was het hier nog een ongerept natuurgebied. Maar toen begon de ontsluiting vanuit het laathof van Immerseel. Ene genaamde Immerseel had deelgenomen aan de ook beslissende slag van Woeringen in Duitsland (1288), gewonnen door Jan I, Hertog van Brabant. Die schonk hem als beloning een uitgestrekt leengoed, om zo te zeggen een niemandsland.

Immerseel begon zijn nederzetting waar nu Wommelgem gelegen is. Maar hij was ook de leenman van een domein, tussen de Steilse Bossen en de boorden van de Rupel. Om dat te ontginnen, heeft hij daar een laathof gevestigd met een ploeg onderhorigen (laten). Zij vormden hier de eerste leefgemeenschap voor de aanleg van een verbindingsweg over de hoger gelegen gronden van Vlietmanshoek, het Steyl, de Paepe Dalen, het Peerdsgat, Krekelenberg, naar Ten Oeveren en Hellegat. Die weg bestaat nu nog als ’s Herenbaan.

Om hem te beveiligen tegen baanstropers en struikrovers moesten “de laten van Immerseel” er de bossen rooien en velden aanleggen. Niet meer als gewone lijifeigenen, maar als cijnsplichtigen. Zij kregen de ontgonnen grond in gebruik, maar moesten er cijns voor betalen, doorgaans het tiende van hun opbrengsten.

Voordat Boom een gemeente werd, hadden zij reeds een eigen rechtsbestel, met een meier en zeven schepenen (gezworenen: beëdigde laten) aangesteld door de Heer, voor het beslechten van onderlinge geschillen en het bestraffen van kleine misdrijven. De hogere rechtspraak behoorde aan Grimbergen, later aan Rumst en sedert 1645 aan de Heer van Boom.

Het was nog een ingewikkeld rechtsbestel van heren, die afhingen van andere heren, uiteindelijk van het hertogdom Brabant en nog later van het markgraafschap Antwerpen. Maar het Laathof had toch een eigen schepenzegel, voordat Boom er een kreeg: de boom met het Mariabeeld. In 1721 had de toenmalige Heer van Immerseel nog 107,14 Ha grondbezit. Ene Jan Kinie bezat 82 Ha, Filip Kinie 51 Ha en de Heer van Boom 32 Ha, waarschijnlijk gedeelten van het oorspronkelijk domein van het Laathof van Immerseel. De vierentwintigste eigenaar van het Laathof werd afgezet door de Franse Revolutie.

Geschiedenis van de parochie

Bijna 350 jaar voordat Boom een gemeente werd, was het reeds een parochie. Toen het grondgebied nog behoorde tot het Land van Rumst, vermeldt de stichtingsbrief van de kerk te Reet in 1309 “de parochie van den naemloosen Boome”. Pas in 1645 werd het een zelfstandige gemeente … met ongeveer 650 inwoners. Volgens het handschrift van deken F.X. Beten (1900) was ze zelfs een eersterangsparochie in 1442. Voor de grond, die toebehoorde aan de abdi j van Lobbes (Henegouwen) , moest ze tien pond per jaar betalen. Ze betaalde ook jaarlijkse rechten aan de bisschop en de aarstdiaken en bekostigde hun parochiebezoeken.

Kerkelijk behoorde Boom eerst tot het bisdom Kamerijk en het aartsdiakonaat Antwerpen. In 1571 maakte het deel uit van het decanaat Lier in het bisdom Antwerpen, na 1837 van het dekanaat Kontich in het aartsbisdom Mechelen. In 1873 werd pastoor J.B. Heylen de eerste deken van het eigen decanaat Boom, sedert 1962 in het heropgerichte bisdom Antwerpen.

Merkwaardiger dan de veranderende kerkelijke indeling, was het “patronaat” over de parochie. Dit is de bevoegdheid over de kerkgebouwen en het recht om de pastoor aan te stellen of toch voor te stellen. Door de schenking van de H. Reinildis oefende de abdij van Lobbes het patronaat uit over Boom. Ze behield het ook nadat de Vrijheer van Rumst het grondgebied had ingepalmd. Maar in 1573 werd het afgekocht door kardinaal de Granvelle, die ook heer van Cantecroy was.

Na hem hadden de graven van Cantecroy het patronaat over Boom. Maar het werd betwist door het tweede kapittel van Leuven en door de toenmalige bisschop van Antwerpen. Deze had de pastoors Andreas Struelens (1620) en Peeter De Vrijer (1649) aangesteld. Maar bij het Hof van Brabant heef t de graaf van Cantecroy opnieuw zijn recht opgeëist en verkregen. In 1720 volgde een nieuwe betwisting tussen de abt van Lobbes en de graaf van Cantecroy, die weer het pleit won voor de Raad van Brabant. Zo bleven de pastoors afhankelijk van de kasteelheer en werd de bevrijdende boodschap van het evangelie beknot. Onder het Franse Bewind verloren de Heren hun rechten en begon de scheiding van Kerk en Staat met de onteigening van de kerkelijke bezittingen en instellingen.

Boomse tienden voor Leuven

Gedurende drie eeuwen moest de “parochie van den Naemloosen Boome” bijdragen tot het bezoldigen van profs aan de universiteit van Leuven. In overleg met de bisschop van Kamerijk, had paus Eugenius IV in 1443 een tweede Sint-Pieterskapittel gesticht voor tien kanunniken, aangesteld als professoren voor de nieuwe universiteit. Omdat de stad Leuven die niet allen kon bekostigen, moesten een aantal parochies, o.a. Boom, twee derden van hun “tienden” afstaan.

Het recht op het tiende deel van alle opbrengsten was door Karel de Grote in 789 toegekend aan de Kerk. Aanvankelijk diende één derde ervan voor het kerkgebouw en de openbare eredienst, één derde voor onderwijs, armen- en ziekenzorg, één derde voor de priester en zijn dienst aan de mensen. Niet de landheer kon daar voor instaan en een echt staatsbestel bestond nog niet. Zo was de godsdienst de grondslag van de beschaving en van het volkswelzijn. De Kerk, als godsdienstige gemeenschap, deed dat door vrijwilligerswerk en met de giften en legaten van haar volgelingen. Met het ontwikkelingspeil en met de mogelijkheden van toen, bleef veel nood onopgelost, nog verergerd door onwetendheid en misbruiken.

Hoe dan ook, omwille van “een hoger doel” moest Boom inleveren. Volgens het archief van het Sint-Pieterskapittel werden tienden geheven op de oogst van allle graangewassen, van boekweit, vlas, rapen en peulvruchten. Idem van het hooi uit de beemden, van het hout uit de bossen en van de gedroogde veengrond. Ook van het aantal schapen en geiten, ganzen en zwijnen. Zelfs de elfde wilde bijenzwerm werd opgeëist en sedert de zestiende eeuw ook één tiende van de aardappeloogst.

Dat alles werd toen gezamenlijk geschat op 54 carolusgulden per jaar, te betalen in Leuven door de pastoor of door een tussenpersoon. Want die tienden werden ook verpacht. De hoogstbiedende moest maar zorgen dat hij het bedrag kon ophalen … en nog wat overhield.

De onvermijdelijke betwistingen over goede of mislukte oogsten, over vermeende rechten of ontduiking gaven aanleiding tot eindeloze processen voor de Raad van Brabant. Zijn afgevaardigde kwam hier ter plaatse uitspraak doen. De Franse Revolutie heeft al die belastingen afgeschaft … en veel zwaardere lasten opgelegd.

Het kerkgebouw doorheen de geschiedenis

Door de eeuwen heen vertoonde de parochiekerk van Boom-centrum de toestand van de gemeente. Zo was ze bij het begin van de nederzetting maar een eenvoudige kapel naast “den naemeloosen Boome”.Boom werd een parochie voor het jaar 1308. Toen stond er een rechtlijnige kerk met één beuk, aan weerszijden verlicht door drie ramen. Door de aangroei van de bevolking kreeg ze een aangebouwd hoogkoor, met twee ramen aan beide kanten.

In de tweede kerk rees het torentje op tussen het kerkschip en het hoogkoor. Haar afbeelding bleef bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.

In de jaren 1500 hadden de ongeveer 500 Boomenaars een derde kerk. Omstreeks 1580 onderging ze het lot van heel de gemeente: grondig verwoest door de oorlog tussen Prins Willem van Oranje en de Koning van Spanje. Maar die derde kerk werd herbouwd zoals ze vroeger was, gelijktijdig met de heropbouw van de gemeente. Die kerkbouw is begonnen in 1610, werd herhaaldelijk onderbroken door krijgsgewoel en was pas voltooid in 1665 na de aanbouw van de twee zijbeuken. De toren stond er al op in 1654.

Op de bevolkingsaangroei volgde de verruiming van het kerkgebouw. In 1772 werd de sacristie afgebroken, de kruiskerk gebouwd en het hoogkoor verlengd. Die verruimde derde kerk, omgeven door het kerkhof, stond waar nu de Grote Markt gelegen is.

Vijfentwintig jaar later onderging ze weer het lot van de gemeente onder de Franse overheersing. Ze bleef wel bestaan maar ze werd gesloten voor de eredienst. Samen met de bevolking heeft ze het schrikbewind doorstaan, ofschoon ze er wel door geteisterd was. De volksherleving ging gepaard met kerkherstel. Maar dit volstond niet voor de opvang van de bijna verdubbeld aantal inwoners (4677 in 1816 naar 8062 in 1850). Met de steun van de bisschop van Gent, J.F.Van de Velde uit Boom, was in de Hospitaalstraat een wijkkapel gebouwd, als noodoplossing. Aan de behoefte van die tijd beantwoordde de nog bestaande kerk, voltooid in 1850. Nu is er aan te zien dat het verval van de Rupelstreek en de crisis in de samenleving nog niet hersteld zijn …

Het blokhuis Ten Boome

Voordat Boom een dorp werd, was het in 1410 een knelpunt in het geschil tussen Antwerpen en Mechelen over de tolrechten. Mechelen was afhankelijk van Jan zonder Vrees, graaf van Vlaanderen, hertog Antoon, zijn broer, was Heer van Brabant en Antwerpen. Ze hebben mekaar gepest Volgens het gewoonterecht werd toen tol geheven op het goederenverkeer van stad tot stad. Maar de scheepvaart, zowel naar als vanuit Mechelen, kon op de Schelde te Antwerpen die belasting ontduiken.

Moe getergd heeft de schout van Antwerpen in 1410 een blokhuis gevestigd “ten Boome bij Rumst op die riviere”. Wat het was, of waar het lag, is onbekend. Maar de toenmalige scheepvaart kon er niet aan ontsnappen. Zo werd Boom een strop voor Mechelen, dat te water niets kon invoeren noch uitvoeren zonder er tol te betalen voor Antwerpen. Boom was ook een vangnet voor de vissers uit Rumst, die stroomafwaarts op de Rupel en de Schelde bedrijvig waren. Soms bekwam de Heer van Rumst vrijstelling van de tol, als zijn Hertog van Brabant hem genadig was.

Van zijn kant was Mechelen een strop voor Brussel. Want het eiste tol op de doorvaart langs de Zenne, in die tijd de enige waterweg naar Antwerpen. De Mechelaars hebben zelfs met kettingen te Heffen de doorvaart versperd, zolang de schippers niet hadden betaald.

Bedenk daarbij hoe slecht bevaarbaar de kronkelige Zenne is, met een soms te lage en soms te hoge waterstand, die door spuien of sluizen moest geregeld worden. Soms werden ze maar ééns per week geopend. Weet dat een boottocht tussen Brussel en de Scheldemonding, of in de omgekeerde richting, wel een maand kon duren. Meteen kun je dan raden hoe vaag de binnenscheepvaart en hoe traag het handelsleven was. Er kwam pas meer vaart in door de aanleg van de vaart Brussel – Rupel. Ze werd geopend in 1561, na elf jaren van kap-, graaf- en metselwerk. Maar dat is een andere geschiedenis.

Er over en er onderdoor

Het eerste Boomse veer over de Rupel was Hellegat, eindpunt van de oude ’s Herenbaan. Maar langs het kanaal (1561)kwamen reizigers en goederen uit Brussel tot Klein-Willebroek. Pientere vissers op de Rupel vingen ze op … voor hun profijt.

De pachter van het Veer te Hellegat heeft dat aangeklaagd bij de Rekenkamer te Brussel. Een “plakkaat” van Aartshertog Albrecht verbood en bestrafte de overzet van personen en koopwaar tussen Willebroek en Boom. Blijkbaar hebben de vissers voort geschipperd, want in 1647 werd het verbod herhaald.

Daarop begonnen de Heren van Boom en van Willebroek een overzetboot te verpachten voor 400 gulden per jaar. De pachtsom voor het Veer te Hellegat zakte van 250 naar 100 gulden. De Aartshertog liet de Heren maar begaan tot in 1698, toen ze met een veerpont voor rijtuigen hem nog meer afsnoepten. Dan greep hij in. Maar het geschil duurde tot in 1708, eer de Raad van Brabant de pachtsom toekende aan de Vorst. De Heer van Willebroek trok het in beroep voor de Rekenkamer te Brussel en verkreeg de helft. In 1753 heeft de Heer van Boom er ook aanspraak op gemaakt, maar tevergeefs.

Na de aanleg van de steenweg naar Antwerpen (1765), bekostigd door de stad Brussel, bleef het veer een knelpunt voor het aangroeiend verkeer. Daarom heeft de “société Vve. Van Enschot” in 1853 de tolbrug gebouwd. Bij de plechtige inhuldiging is de eretribune ingestort en zijn de notabelen in het slijk getuimeld. Wat daarna bezongen werd met een volks spotlied.

De wegverbinding over de Rupel heen heeft geschiedenis gemaakt. De tolbrug heeft Boom nog een onschatbare dienst bewezen voor zijn bevrijding in 1944. Als aandenken is alleen het bruggenhoofd op Klein-Willebroek bewaard gebleven. In 1937 was de huidige Rupelbrug open voor het verkeer. In 1972 begon de lang aanslepende aanleg van de tunnel onder de Rupel. Na de eeuwenlange voorgeschiedenis van de wegverbinding over de Rupel heen, was er toch tijd nodig om er onderdoor te geraken.

Geteisterd door ziekteplagen

Lazernij te Rumst herinnert aan het middeleeuws melaatsendorp van het Hertogdom Brabant. Omstreeks 1469 had de melaatse ridder Peeter Van Den Cruyce er het eerste leprozenhuis en een kapel gebouwd. Vijfhonderd jaar geleden hadden alle aanzienlijke plaatsen in ons land zulk afzonderlijk huis. De Lazarusziekte was overal een geduchte plaag.

Volstrekte afzondering van de zieken was het enige verweer.

In het Hertogdom Brabant (Brussel, Leuven, Antwerpen, ’s Hertogenbos) moesten de wethouders alle schijnbare melaatsen voorleiden in het klooster van Terbank voor een onderzoek. Wie melaats werd bevonden, moest toetreden tot de Broederschap van de H. Lazarus in de kapel van Lazernij. De statuten, in 1531 goedgekeurd door Keizer Karel V legden een leefregel op, maar verzekerden tevens bijstand en bescherming.

Door de opstand tegen Spanje verloor het Brabants melaatsendorp zijn wettelijke bescherming. In 1850 werd het afgeschaft. De Broederschap Van de H. Lazarus verdween wanneer de leprozenplaag voorbij was. Maar de plaatsnaam Lazernij bleef bestaan.

Vijftig jaar later heeft de pest méér slachtoffers geëist. Toen ontstond de Broederschap van de H. Rochus. Ook die naam bleef bewaard als medepatroon van de Onze-Lievevrouwekerk te Boom. Na het verdwijnen van de gemeentelijke waterpompen herinnert niets aan de epidemieën van typhus, pokken en cholera, die Boom in de vorige eeuw moest doorstaan. Volgens het handschrift van pastoor-deken F.X. Beeten zijn 140 mensen er aan gestorven in 1849, 70 in 1854, vijf jaar later 270, 325 in 1866, 121 in 1892.

Armoede heeft toen de volksgezondheid ondermijnd. En het huishoudelijk gebruik van besmet oppervlaktewater was een voortdurende bedreiging. Na 1890 werd er overwonnen door de aanleg van bronputten met een pomp. Zo kreeg elke buurt een publieke watervoorziening, met drie pompen op Noeveren en een in de Hoek, een in de Kerkhofstraat, op de Schomme, in de Bosstraat, in de Nielsestraat en op de Varkensmarkt.

Zo werd Boom een gemeente

Pas in 1645 werd Boom een zelfstandige “heerlijkheid” met zowat 650 inwoners. Voordien was het maar een onaanzienlijke buitenwijk in het “Land van rumst” dat wel belangrijk was. Want voorname edelen, vooraanstaanden in onze nationale geschiedenis, waren “Heer van Rumst”: o.a. de Berthouts van Grimbergen, de graven van Vianden, prins de Ligne, Robert van Bethune, de graven van Luxemburg, Margareta de Bourbon en de prinsen van Oranje-Nassau, tot en met Willem de Zwijger, die het voortverkocht.

Voor de bevolking waren het verre vreemde heren. Ze deden bitter weinig voor het algemeen belang, maar eisten wel belastingen, krijgsdienst en onbezoldigde karweien. De door hen aangestelde Drossaard of Schout was de plaatselijke gezagdrager, met bestuurlijke en rechterlijke bevoegdheid. Daarom was de verkregen zelfstandigheid zo belangrijk voor Boom. Want voortaan zullen zeven schepenen instaan voor het bestuur en de rechtspraak. Ze werden weliswaar van hogerhand aangesteld, maar toch meestal als plaatselijke inwoners.

Zo kreeg Boom in 1645 een eigen schepenzegel en een eigen bestuur. Vandanaf kon het de belangen van de bevolking behartigen, de geschillen oplossen en de misdrijven bestraffen. Aanvankelijk stond de Drossaard van Rumst nog aan het hoofd van de Boomse schepenen. Al hun vonnissen en ambtelijke beslissingen werden nog door hem al dan niet bekrachtigd.

In 1663 heeft een Duitser, Joris Bosschart, 54.000 gulden betaald aan de Heer van Rumst. Zo kreeg Boom een eigen Heer en werd het een zelfstandige heerlijkheid … zij het dan met de door hem aangestelde Drossaard en Schepenen.

Toch stonden die dichter bij het volk dan de voormalige gezagsdragers. Mede daaraan is het te danken dat Boom zich zou ontwikkelen als het centrum van de Rupelstreek. Daartoe was het reeds voorbestemd sinds 1561, door de aanleg van de vaart naar Brussel. Maar pas 100 jaar later heeft ze hier welvaart gebracht.

De Heer van Boom

De uitverkoop van het Land van Rumst begon zeven jaar nadat Karel Antoon de la Baume het had aangekocht. In 1661 verkocht hij Willebroek en Ruisbroek. In 1663 werd Joris Bosschart Heer van Boom voor 54.000 gulden. Afkomstig van Grabow (Duitsland) was hij algemeen koninklijk muntmeester geworden in Antwerpen. Hij huwde er in 1665 de dochter van de burgemeester en werd in 1670 door de koning van Spanje tot ridder verheven, nadat hij hem twee regimenten voetvolk uit Duitsland had aangeworven.

Als Heer van Boom verwierf hij een vervallen kasteel uit de dertiende eeuw, liet het afbreken en bouwde een nieuw ’s Herenhof. Blijkbaar was hij vooral huiselijk ingesteld, want uit zijn huwelijk werden tien kinderen geboren. Volgens een oude wet uit het leenroerig tijdvak moest hij tot Heer verheven worden door het leenhof te Brussel en trouw zweren aan de hertog van Brabant. Dat kostte hem 76 gulden voor de hertog en 32 gulden voor de Brabantse leenmannen. Zo verwierf hij de volgende “heerlijke rechten”:

  1. voor het aanstellen van de Meier, de Schepenen en de bedienden van Boom, en voor het benoemen van de kerkmeesters, de armenhelpers en de koster van de parochie.

2.Een groot deel van de door de rechtbank opgelegde boetes, al de verbeurdverklaarde goederen en de nalatenschap van alle buitenechtelijke inwoners.

  1. Het recht om bomen aan te planten langsheen ’s Herenstraat, die Niel met Rumst verbond.
  2. 5% op elke verkoop van vrije erfgoederen, de jaaropbrengst van elk leengoed, dat werd geërfd of verkocht en de eerste keus uit de nalatenschap van alle niet-adellijke burgers.
  3. De halve opbrengst van de overzet tussen Boom en Klein-Willebroek, het eigendomsrecht op alle schorren en vrije jacht en visvangst in Boom.

Bijna al die heffingen zijn nu opgenomen in het belastingstelsel. Maar voorheen verrijkten ze de Heer. Nu kunnen ze het volkswelzijn bevorderen … als elk openbaar bestuur ze daaraan besteedt.

Het centrum aan de Rupel

In 1526 was Boom nog een verdoken nest langs de Rupel. Toen werden de “haardsteden” geteld, met afzonderlijke vermelding van het aantal voor Waelhem (234), Duffel (314), Contycke (257). Voor heel het “Land van Rumpst”, met Heyendonck, Ter Haegen en Ten Boome, gezamenlijk 246.

Toch zal Boom het centrum van de Rupelstreek worden, dankzij de aanleg van het kanaal naar Brussel (1561) en van de steenweg naar Antwerpen … zowat honderd jaar later, bekostigd door de stad Brussel. Dwars door de hovingen van het kasteel heeft ze de Leopoldstraat getrokken en er “De Scheepvaart” als afspanning gebouwd (1765). Ze staat er nog, maar nu als een Chinees restaurant .

De opgang van de hoofdstad bracht vaart in de ontwikkeling van Boom. De 34 klampovens, vooral voor de plaatselijke behoeften, kregen daardoor zoveel aantrok en afzet, dat ze zouden uitgroeien tot een merkwaardige baksteennijverheid… in de toekomst.

Want de aanleg van het kanaal had als eerste gevolg: de grondige verwoesting en ontvolking van Boom, door de strijd om de schans aan het sas van Klein-Willembroek. Meer daarover in een volgende aflevering. Hier wil ik maar wijzen op een paradox in de geschiedenis: door oorlogen ging Boom ten onder aan de vaart … die later grotendeels zal bijdragen aan zijn opgang.

Met de Vrede van Munster (1648) kwam er een einde aan de Tachtigjarige Oorlog. Het Noorden van de Nederlanden werd onafhankelijk van Spanje en kon de Schelde afsluiten. Dat was de doodsteek voor het geteisterde Zuiden.

Nog veel “bloed, zweet en tranen” zal het kosten, eer Boom het centrum van de Rupelstreek kon worden. Maar de daartoe vereiste infrastructuur was er al en werd ook benut, zodra de tijdsomstandigheden gunstiger werden. Die kans werd jammerlijk verkeken … na de Tweede Wereldoorlog.

Over Bomenaars … en wolven

In 1940 telde de gemeente Boom haar hoogste aantal inwoners: 19.590. Op 31 december 1989 slechts 13.793. In vijftig jaar is de Boomse bevolking met één derde verminderd, tot ongeveer hetzelfde aantal als in 1890. De oudste bekende volkstelling gebeurde in 1435 omwille van de belastingen. In heel het gebied Rumst – Terhagen -Boom-Heindonk stonden 109 schatplichtige en 14 arme “haardsteden”. In 1496 waren er 197. Dertig jaar later 217 plus 29 dubbelwoonsten en 5 onbewoonde.

Vijfhonderd jaar geleden was de Rupelstreek een uitgestrekt natuurgebied. Zeg maar een wildernis, nog onbewoond en niet ontgonnen, met dichte bossen, moerassige schorren langs de oevers en hogerop dorre heidegrond (schomme).

Wat honderd jaar later was opgebouwd en aangelegd, werd in 1577 grondig verwoest door plundering, afbraak en brandstichting. Mannen werden opgeëist om de stenen van hun huizen op vlotten over te brengen naar Klein Willebroek voor de bouw van de Spaanse schans bij het sas. Want daar werd verwoed gestreden om het kanaal naar Brussel te beheersen.

De “vaart” was aangelegd in 1561. In 1568 werd prins Willem van Oranje (Willem de Zwijger) de leider van de opstand tegen Spanje. Omdat hij ook de Heer van Rumst was, lag Boom , als een onderdeel ervan, ook aan de vijandelijke kant. Daarom deed landvoogd Juan het afbreken.

Het Spaanse leger bestond uit huurlingen, o.a. Walen en Kroaten. Kregen ze hun soldij niet uitbetaald, dan hielden ze strooptochten langsheen de Rupel. Wanneer de Engelse en Schotse soldeniers van prins Willem de schans hadden veroverd, trokken ook zij op plundertocht. Daarom is de bevolking gevlucht. Na de ontvolking werd het verlaten gebied door wolven ingenomen. Vandaar de oude plaatsnaam Wolvenhoek (Noeveren) en Wolvenbos (Vlietmanshoek). Nog in 1725 werden er premies uitbetaald voor 127 gedode wolven.

Onvoorstelbare ellende

Het stuk tussen Kleidal en de Grote Markt heet nu “het zwarte gat”. Zo zag heel de dorpskern er uit in 1580 … maar dan zonder de weelde van geparkeerde auto’s. Alle huizen waren afgebroken voor de bouw van de Spaanse schans bij het sas van Klein-Willebroek.

Daklozen met hun geredde inboedel vonden een onderkomen in de toenmalige kerk … tot dat die ook als bouwmateriaal werd afgebroken. Wie nog in Boom wou blijven, bewoonde een stulp. Ze trachtten nog te leven van de velden, de beemden en de bossen. Maar die werden ook geplunderd door de strooptochten van de misnoegde soldeniers uit de schans.

Want gedurende zeven jaar werd daar verwoed gevochten. In 1577 legerden er Spaanse huurlingen (Walen en Kroaten). Twee jaar later moesten ze wijken voor Prins Willem de Zwijger en zijn soldeniers (Engelsen en Schotten). Nog diezelfde week heroverde Spanje de schans. Opnieuw ingenomen door Prins Willem, konden zijn soldeniers er vijf jaar standhouden en ze versterken.

In 1584 namen de troepen van Alexander Farnese ze weer in. Een eeuw lang bleef de schans in Spaanse handen tot ze in 1683 werd gesloopt door het Franse leger van koning Lodewijk XIV. Gedurende vele jaren waren er telkens andere overwinnaars en andere verslagenen. Maar beiden vierden triomf of koelden hun woede op de weerloze bevolking. Ze sloegen alles aan wat eetbaar of bruikbaar was.

Pastoor Willem Van de Vloer, nog op post gebleven van 1572 tot 1585, schreef aan het kapittel te Leuven dat Boom niets kon afbetalen. Daarna was er geen leven meer. Het Rupelgewest werd door wolven ingenomen. De rapporten van de bisschoppen van Antwerpen “over de staat van het bisdom” vermelden in 1591, in 1607 en nog in 1615 de erbarmelijke toestand van de Rupelstreek. Zelfs tot in Rome werd dat bekend.

Jaren zonder kerk en zonder priester

Bij de eerste oprichting van het bisdom Antwerpen (1559) groepeerde het decanaat Lier 36 parochies (o.a. Boom) met een eigen pastoor en gezamenlijk nog 140 kapelanen. Na “de tijden van beroerten” had heel het decanaat slechts twaalf priesters.

De overgebleven kerken dienden tot schuilplaats voor de resterende bevolking en haar huisraad. Alleen het hoogkoor bleef nog vrij voor hun gebedsdienst en voor de eredienst als er af en toe een priester kwam. Volgens een decanaal verslag was Jan Dillen pastoor van Rumst, Boom, Niel, Schelle, Aartselaar en Hemiksem. Daarna stond de pastoor van Aartselaar ook in voor Boom en Hemiksem. Vanaf 1605 hadden de pastoors van Rumst ook te zorgen voor Boom en Reet.

In 1612 kwam Andries Struelens als priester zorgen voor Boom en Reet. Pas in 1630 volgde zijn benoeming en aanstelling als pastoor van Boom. Van 1585 tot 1612 woonde er geen priester.

Toch hebben de verkommerde Bomenaars hun godsdienstzin bewaard. Het geloof-in-God gaf hun de kracht en de moed om stand te houden. In de levendige Maria-verering zochten ze troost en toevlucht bij hun Hemelmoeder.

Er waren geen priesters maar wel “kerkmeesters” die instonden voor hun parochie. In 1605 verzoeken ze de bisschop van Antwerpen te willen bemiddelen opdat het kapittel van Leuven steun zou verlenen voor het levensonderhoud van een priester.

In 1610 doen ze andermaal een beroep op hun bisschop. Hij gelast een aartspriester uit Antwerpen met een plaatselijk onderzoek. Diens verslag van 25 maart 1612 besluit dat de aanstelling van een priester er hoognodig is en dat zijn levensonderhoud zou verzekerd zijn, als het kapittel van Leuven kon afstand doen van zijn recht op de opbrengst van de kerkelijke goederen.

De kanunniken van Leuven hebben geweigerd. Toch kwam Andries Struelens als priester naar Boom, samen met zijn ouders uit Brussel. Zo kon hij hier beginnen in een parochie zonder inkomsten.

Toch zal Boom herleven

Pas achttien jaar na zijn benoeming kon Andries Struelens worden aangesteld als pastoor van Boom. Zijn levensloop over hindernissen getuigt van benarde tijden … en van een merkwaardige persoonlijkheid. Na zijn aankomst in 1612 moest hij nog gedurende vier jaar uitwijken voor de plundertochten van Calvinisten vanuit Nederland (de retorsie). In 1622 kwamen muitende Spaanse troepen het herstel van de kerk en van de huizen storen en het dorp brandschatten.

Na het overlijden van de Aartshertogen Albrecht (1621) en Isabella (1633) ontbrandt opnieuw de strijd tegen Spanje, verscherpt door beeldenstorm in de kerken en door jacht op priesters en kloosterlingen. Weer duurde het vier jaar eer pastoor Struelens kon weerkeren in zijn geteisterde parochie. Toch begon Boom reeds te herleven, zij het dan herhaaldelijk onderbroken door plunderingen. De wederopbouw van het dorp steunde op het herstel van het godsdienstig leven. Dat was te danken aan de Tegenhervorming, o.a. door volksbedevaarten en volksonderricht.

Toen werden de basilieken van Hanswijk en Scherpenheuvel gebouwd, met de steun van de aartshertogen. Pastoor Struelens herbouwde ook de kerk van Boom, ongeveer in het midden van de huidige Grote Markt. Onder zijn beleid werd het oude kerkeland weer beplant, nadat het tientallen jaren had braak gelegen. Met de geleidelijke wederopbouw van de kerk bevorderde hij ook de verering van 0.-L.Vrouw Ten Boome, die bedevaarten aantrok uit heel de Rupelstreek. Jaar na jaar vermelden zijn kerkrekeningen het bedrag “van den offer op onser Lieve-Vrouwedagh, in gelde, eyeren, kieckens en andersints.

Tot in 1848 beschikte Boom over de parochiekerk van pastoor Streulens, middenin het eerste kerkhof. De torenspits op de huidige kerk, het bedevaartsschilderij van de Bomenaar Peeter Weelenam (1616) in de kruisbeuk en de grote doopvont in de weekkapel, zijn ervan overgebleven als een dierbare herinnering.

De Boomse schuttersgilden

In 1629 had Boom twee schuttersgilden. Want een register van dat jaar vermeldt: “den Edelen ouden hantboghe van S. Sebastiaan in de prochie van Onser-Lieve-Vrouwen naamloosen BOOM”. Dus bestond toen ook “de jonge gilde” waarvan sprake in een document van 1685.

Zulke gilden vormden aanvankelijk de hand- en kruisboogschutters voor de strijdmacht van de leenmannen. Op het einde van de vijftiende eeuw vormden de vorsten hun leger vooral met bezoldigde troepen (soldeniers). Maar de gilden bleven bestaan. Eerst als burgerwacht, later als vermaak voor de burgerij, zij het dan volgens strikte statuten.

Want om toe te treden, was een “eed van getrouwheid” vereist:
“Ick N. belove ende sweere… de hooftman, de conink (schutter), de dekens ende gemeyne (gewone) guldebroeders altijd te syn goet ende getrouw, de ordonanties … te onderhouden … ende in alles te doen ghelyk een guldebroeder pleegt te doen. Soo helpt my Godt ende al syne heylighe”.

Na de “plechtige toetreding” was het verenigingsleven niet zo plechtig. Want het bestond uit drinkgelagen en teerfeesten met een nar. Er werd geschoten op de “pappegaai” aan een staak uit de kerktoren … totdat de bisschop het verbood omdat het zo ergerlijk was.

De gilde gaf het niet op en bekwam eerst van de pastoor een plaats op het kerkeland en verwierf later een eigen schuttershof met een vaste wip van 1685 tot 1825 in “de Elzen”:een verlaten kleiput waar nu de school van de Presentatie staat. Van daaruit brachten ze leven in de “prochie” en in de brouwerij.

Want in vol ornaat, getooid met hun eretekens, namen de “guldebroeders deel aan alle optochten en processies.Voorafgegaan door een tamboer en een vedelaar, naast de vaandrig met zwaaiende vlag, volgden ze … soms ook zwaaiend op hun benen. Want “ten verzoeke van de geestelijke overheid” werd zulke deelname beboet door de soevereine raad uit Leuven.

In 1796 heeft de Franse Revolutie alle gilden afgeschaft. Maar de Boomse schuttersgilde herleefde reeds in 1802 en bleef bestaan tot in 1845.

De begroting van pastoor Noël

Het tijdperk van Keizerin Maria-Theresia (1740-1780) bracht de zuiderlijke Nederlanden weer op dreef. Boom bekwam zijn eerste dorpsbestrating en werd verder ontsloten door de steenweg naar Antwerpen (1765), volledig bekostigd door de Stad Brussel (145.000 gulden). Haar zoon en opvolger, Jozef II, heerste als een “verlicht despoot”. Boom ontsnapte aan de veldslagen van de Brabantse Omwenteling (1784) maar niet aan de edicten van de Keizer-Koster: hij verordende zelfs hoeveel kaarsen mochten branden bij de kerkdiensten. Ook moesten de pastoors alle kerkelijke en pastorale goederen aangeven.

De aangifte van pastoor J.F.Noël, met de te dragen lasten, bleef bewaard in het Rijksarchief te Brussel (1787). Ze herinnert aan de financiële toestand van de pastoor en van onze parochie in die tijd. Eerst geeft hij aan wat hij niet heeft: geen heerlijke goederen noch pachthoeven.

Hij beschikt wel over de helft “der universele thiende” die nochtans belast zijn met “alle XX penningen, quartierslasten… en alle voordere lasten van Impost, Bede etc. op de geheel thiende en op het pastoraal huys en hof”.

Hij ontvangt van de kerk de halve opbrengst “van eenen bempt gelegen in Boomerbroeck en de houtcap van eenige wilge bomen”. Ook stipendia voor 58 gefundeerde jaargetijden, voor particuliere zielmissen, voor twee weekmissen van de Broederschappen en voor één jaarmis van de twee schuttersgilden. Nog een gefundeerde vergoeding voor het lof elke zaterdag en in het octaaf van 0.-L.Vrouw Hemelvaart. Tot slot het bedrag van de stoelrechten voor “begraefenissen, houwelijken, doopsels en inleydinghe van craemvrouwen. Aldus beloopt den geheele ontfanck 2007 guldenen 18 struyvers en 6 oorden”.

Het totaal van zijn verplichtingen, van de niet-ontvangen rechten en van de vergoedingen voor zijn twee onderpastoors bedraagt 500 gulden 2 stuivers en 2 oorden. Pro memorie voegt hij er aan toe dat zijn “sober huyshouden” tenminste 1200 gulden kost “gemerckt de tegenwoordige excessieve dierte” en dat hij een menigte arme mensen moet steunen “voornamentlyck ten tyde van den winter, wanneer de steenbackers van Boom weynig werek hebben”.

De pastorie was ooit Gendarmerie

De dekenij in de Hoogstraat heeft het jaartal 1764 op de sluitsteen van de deuromlijsting. In dat jaar had pastoor J.F.Noël (afkomstig uit Maaseik) een stuk van “De Bogaerd” als tuin aangekocht. Nu kan de gemeente erover beschikken.

Volgens Em. Steenackers werd de pastorie “herbouwd” in 1774, waarschijnlijk door de aanbouw van de twee zijvleugels. Amper 25 jaar later heeft het Frans schrikbewind ze in beslag genomen. De pastoor vond onderkomen bij “Van Reeth achter het kapelleke in de Vrijheidstraat”. Na een nachtelijke berechting te Noeveren is hij op straat schielijk overleden.

Eerst werd het pastoorshuis zowat het gemeentehuis, als vergaderplaats voor het municipaal bestuur en als bewaarplaats voor archieven. De kelders dienden als gevangenis. Maar ze is niet onteigend want pastoor Noël ontving als vergoeding 180 Brabantse gulden per jaar.

Onder het Keizerrijk heeft de gemeente de pastorie als gendarmerie gehuurd voor 300 frank per jaar. Na het concordaat van Napoleon met de Paus, heeft pastoor Petrus Bal bij zijn aanstelling ze als woonhuis aangevraagd. Maar tevergeefs, niettegenstaande herhaald aandringen. Wel heeft meier Janssens in 1810 naar de prefect geschreven dat ook “het kerkfabriek” er om verzocht en in 1812 heeft hij haar eigendomsrecht op de pastorie bevestigd (Provinciaal Archief van Antwerpen, bundel 113-2).

Maar omdat hij voor de gendarmerie geen andere plaats kon vinden achtte hij de aanhoudende aanspraak van de pastoor onbetamelijk. Dat schreef hij ook naar het aartsbisdom met het verzoek om de pastoor te bedaren. In 1813 vroeg de aartsbisschop dat de prefect zou zorgen voor een ander woonhuis. Maar de pastoor wou met geen ander voorstel vrede nemen. Zolang het Keizerrijk duurde bleef de pastorie gendarmerie. Bij de inval van de Bondgenoten 1814, stelde de gemeente ze ter beschikking van officieren en soldaten. Zo diende ze tijdelijk als kazerne. Na het vertrek van de Pruisische soldaten nam de pastoor er dadelijk zijn intrek.
Dan heeft de gemeente het herstel van de aangerichte schade bekostigd.

Dorpskom tussen tolbarelen

De slagbomen en tolkantoren tussen de twaalf E.E.G.-landen verdwijnen in 1992. Nu is het onvoorstelbaar dat zelfs in de dorpskom van Boom nog twee slagbomen de eerste steenwegen afsloten. Telkens voor drie jaar verpacht, moesten ze de kasseien van de ’s Herenstraat en de Benedenstraat bekostigen. De lijst van de heffingen geeft een beeld van het wegverkeer in die tijd … toen in de dorpskom maar zestig huizen stonden.

Ziehier de beschrijving uit het “Resolutiénboeck der parochie ende heerelyckheydt van Boom” (1732):

“Voor het gebruycken van der selven steenwegh soude behooren betaelt te worden: voor ieder peerdt één oordt, voor ieder koeye ofte rundtbeest één negenmanneken, voor een kudde schaepen à rato drij stuyvers het hondert, voor de verckens gelijck van de schaepen, voor eene karre of chaise met één peerdt twee oorden, voor eenen waegen ofte voiture met twee peerden eenen stuyver

De aanleg van die twee steenwegjes moest 33 jaar wachten op de toelating door keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk. Maar nog herinnert de voorgestelde resolutie aan de muntstukken en vooral aan het dorpsverkeer in die tijd: paarden en runderen, kudden schapen en varkens, karren en koetsen. Dat was toen de “verkeersdrukte”, nog door slagbomen afgeremd bij de dorpsinkom.

De noordkant van de Hoogstraat en de Blauwstraat was nog bebost: den Bogaert, den Brandt, het Praweel. Buiten de groene dorpskom liep de steenweg naar Antwerpen (1765) doorheen bossen of open veld … maar ook tussen drie tolbarelen: aan de veerdam, aan het Huis-ten-halven en aan de vertakking naar Hoboken.

In de jaren 1700 was Boom nog een boerendorp. Maar toch al met 34 steenovens en 3 scheepstimmerwerven aan de Rupel. Amper 1000 inwoners in 1688, ruim 2000 in 1785, leefden hoofdzakelijk van landbouw … en van de donderdagse markt, begonnen in 1772.

Van dan af werd ook belasting geheven op “alle goedt bier ende azijn” en “op iederen pot wijn, brandewijn, jenevel ende anijs”. Want de tolbarelen alleen brachten niet genoeg op voor het onderhoud en de afbetaling van de twee straten in Boom.

Hoe Boom toen werd geschat

Voor de belastingen was Boom in 1764 juist zoveel waard als Weelde, iets meer dan Wilmarsdonk en Merksplas, maar minder dan Lille en Gierle. Het stond maar laag geklasseerd tussen de dorpen van de Kempen. De oudste lijst van de gronden (1686), met de schatting van hun jaarlijkse opbrengst of huurwaarde bleef bewaard in het Rijksarchief te Brussel.

In dat jaar was Boom nog maar 41 jaar zelfstandig, pas herstellend van de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. Die lijst is zowat een momentopname van de bestaansmogelijkheid in Boom, voor de ontwikkeling van de baksteennijverheid. Hier volgen de herschreven schattingen: “Dit dorp omvat 505 bunders en 200 roeden zaailanden, weiden, beemden, rooilanden en bossen”.

1.De zaailanden bestaan 308 hectaren en 70 aren, waarvan de jaarlijkse opbrengst “bij ryp ondersoeck” 4473 gulden en 5 stuivers bedraagt. “Dit dorp is onversien van molen.”

2.Er zijn 7 Ha. beemden die gezamenlijk per jaar “bevonden syn te renderen” voor 238 gulden.

3.De bossen bedekken 150 Ha. en brengen jaarlijks 2175 gulden op.

4.Er zijn 40 Ha. rooibossen, goed voor 580 gulden per jaar.

5.De algemene tienden brachten 580 gulden op in 1683 en de huurwaarde van de pastorij werd getaxeerd op 30 gulden.

6.”In neiring ende gewin” zijn de twintig steengelegen geschat op 400 gulden, en de winkelhuizen op 325 gulden.

Op die geschatte opbrengsten werden de grondbelastingen berekend, elk jaar door twee Bedezetters/Burgemeesters, ten behoeve van het land, van het Hoofdkwartier van Turnhout en van het dorp.

In 1782, bijna honderd jaar later, waren er in Boom: 1770 personen “per hoofd aangeslagen voor 11 stuivers”, 37 paarden per hoofd voor 3 stuivers en 442 hoornbeesten per hoofd voor 2 stuivers. Ook toen leefde bijna heel de bevolking nog van land-en tuinbouw, met een seizoengebonden geringe bijverdienste in de steengelegen.

Parochiebegroting in 1787

Ingevolge een edict van Keizer Jozef II heeft pastoor J.F. Noél, niet enkel zijn eigen inkomsten en uitgaven aangegeven, maar ook die van de parochie. Het grondbezit van de kerk was reeds ingeschreven in het meetboek (1721). Het bedroeg 5,23 ha, toen Boom bestond uit 225 percelen, met 75 hofsteden, 123 woonsten, 34 klampovens en 3 scheepstimmerwerven. In 1787 telt Boom ongeveer 1993 inwoners, ouder dan 12 jaar. Op de aangroei van de bevolking volgde ook de uitbreiding van het kerkelijk grondbezit tot 9.48 ha. Dat blijkt uit de lijst van de kerkbezittingen, ingediend door pastoor Noél.

1.Geen heerlijke goederen, wel “eenen chynsboeck van maetchynsen, uytbrenghende sjaers 78 gulden 3 stuyvers 3 oorden”.

2.De grote en de kleine werfhaege en nog een stuk land in Terhagen, samen 2.5 ha.

3.Een stuk van Baumans veld (2.5 ha), van den Brand (1. 5 ha), van het genaamde Keurveld (1.5 ha) en van Wijkmansveld in Vlietmanshoek (1.28 ha).

4.In Willebroek “op Appeldonck” 20 are bouwland en nog beemd in “Boomerbroeck”.

Bovendien ontving de kerk 69 gulden jaarrenten, “95 gulden van groote en cleune lycken, en uyt de schaele en offerblock 151 gulden. Somma totalis van den ontfanck 710-17-3”.

Daar tegenover bedragen de jaaruitgaven 417 gulden 9 stuivers 3 oorden. Zegge 121 gulden “voor het singen van de twee wekelyksche missen en andere goddelyke diensten” uitbetaald aan de celebrant en de koster. 116 gulden dienen voor miswijn, voor het wassen en herstellen “van tkercken lynwaed, voor het reynigen of keiren der kerck, het schueren van tcoperwerck etc”. Het nazicht van het orgel kost per jaar 15 gulden. Hosties, olie, kaarsen, wierook en herstellingen van de kerk en toren kosten samen 145 gulden. Voor het opmaken der kerkrekeningen trekken dorpsbeambten 17 gulden. Tot slot herinnert pastoor Noél aan de overeenkomst, bekrachtigd door de Raad van Brabant (1771), waardoor het Sint -Pieterskapittel van Leuven zou instaan voor het vergroten van de kerk en voor haar onderhoud gedurende 40 jaar. Dit als tegenprestatie voor de tienden die het ontvangt van de parochie. Onder het schrikbewind van de Franse Revolutie werd de kerk gesloten en haar grondbezit aangeslagen (1794).

De griet van Boom

Dit wordt geen vrouwengeschiedenis. Het gaat over de eerste rechtbank in Boom. In plaats van een gebouw, was er toen letterlijk een “hof”: een plek in openlucht onder de bomen. In het Fries wordt de rechter nog grietman genoemd. Tot in 1845 heette een deel van de huidige Grote Markt “de Griet”. Ze lag tegen de Vrijheidsstraat aan, in de spie tussen de Hoogstraat en de Benedenstraat, voor de ingang van het kerkhof rond de vorige kerk.

Die ruimte was op de vier hoeken met palen afgebakend. Voor een rechtszitting werden ze verbonden door touwen of kettingen: dat was “de vierschaar spannen”. Vandaar nog het spraakgebruik: een gerechtshof en “een proces inspannen”.

In het midden van de Griet stond een arduinen tafel en aan de zijkanten vier banken. De te berechten wandaden of misdrijven of betwistingen werden aangehangen, “aanhangig gemaakt”. Zolang ze niet beslecht waren, bleef het letterlijk “een hangende kwestie”.

De beschuldigde stond tegen een pilaar (aan de kaak of schandpaal), vastgehecht met een ijzeren halsband voor de toepassing van lijfstraffen: geseling, brandmerk, een vinger of een hand afhakken. De onthoofding met de bijl werd in de jaren 1500 vervangen door de galg. Die stond te Noeveren, op de grens van Boom en Niel, dat ze ook gebruikte. Daar lag de Galgestraat.

De bestuursmachten waren nog niet gescheiden. De landheer had alle macht. Hij of een aangestelde (drossaard of meier) trad op als rechter, bijgestaan door plaatselijke schepenen (scabini, letterlijk: bankzitters). Na 1645 stelde de Heer van Boom de drossaard aan. De rechtbank zetelde in een herberg, o.a. de Rolaf aan de Veerdam. Wetboeken bestonden nog niet. Napoleon Bonaparte heeft ze in voege gebracht.

Voordien werd er geoordeeld volgens het gewoonterecht. Iedereen moest zich gedragen volgens de geijkte tradities en gebruiken (kostuimen). Het leven en het samenleven was nog niet zo uitgebreid en ingewikkeld als nu.

Verborgen grafschrift

In de grafkelder onder de oude kapel van het Pastoraal Centrum (de Merodestraat, Mechelen) ligt een gedenkwaardige Bomenaar begraven. De grafzerk draagt een Latijns inschrift tot nagedachtenis aan Petrus Dens, geboren te Boom op 12 september 1690, overleden te Mechelen op 15 februari 1775.

Afkomstig uit een nog onooglijk dorp van amper duizend inwoners heeft hij in Mechelen Latijn en in Leuven Wijsbegeerte en Godsgeleerdheid gestudeerd. Tot priester gewijd in 1715, onderwees hi j reeds in 1717 theologie in de abdij van Affligem en vier jaar later in het grootseminarie te Mechelen.

Zijn verdere curriculum: plebaan-deken van de kathedraal (1729), examinator synodalis en tegelijk president van het priesterseminarie (1737), kanunnik van Sint-Rombouts en scholaster voor de onderwijzers van de Mechelse kleine scholen, penitentiarius (1751) en deken van het metropolitaans kapittel (1754).

Hij bouwt de kapel en het complex van het seminarie en staat in voor de nazorg van de priesters in het Aartsbisdom.Doorheen die menigvuldige functies bleef hij zich toeleggen op de Godsgeleerdheid. Want samen met zijn seminarieprofessoren was hij de grondlegger van de befaamde Theologia Mechliniensis.

Onder zijn naam werden die 14 Latijnse boekdelen uitgegeven (Leuven 1777), herhaaldelijk herdrukt tot in het begin van deze twintigste eeuw, als klassieke handboeken voor de seminaries, zelfs in het buitenland. Op de grafzerk staat te lezen dat hij veertig jaar lang President was van het Mechels grootseminarie. Niet al zijn verdiensten staan er in gebeiteld. Toch zijn ze het vermelden waard: meer dan zijn vele eretitels, laten ze iets doorschemeren van zijn goed hart. Hij heeft een studiefonds nagelaten voor het bekostigen van priesterroepingen uit Boom. Voor zijn dood onderhield hij te Mechelen het hospitium “Onze-Lieve-Vrouw ter Engelen” voor meisjes-vondelingen. Goedheid heeft zijn grootheid gesierd.

Twintig jaar na zijn overlijden werd ons land overspoeld door de Franse revolutie. Dat was het einde van een tijdperk waarin Bomenaar Petrus Dens een uitstekende dienaar van zijn volk geweest.

Merkwaardig grafschrift

In de crypte van Sint-Baafskathedraal (Gent) staan Boomse bezoekers voor een verrassing. Ze lezen op de grafzerk van Bisschop J.F. Van de Velde: geboren in Boom 8 september 1779. Hij heeft geleefd in de tijd van de Brabantse Omwenteling en van de Franse Revolutie. Onder het Schrikbewind was de kerk van Boom gesloten voor de eredienst en werden honderden niet-beëdigde priesters geschorst. Onderpastoor J.B. Moons was uit Boom verbannen naar het strafkamp van Cayenne (Frans Guyana). J.B. Van de Velde was toen negentien jaar.

Hij had het al ver moeten zoeken om Latijn te leren: in een afgelegen college te Minderhout, juist voordat in de Kempen de Boerenkrijg losbrak. Toch ging hij te Leuven voor priester studeren … maar de universiteit werd gesloten. Hij studeerde voort in het bisdom Antwerpen … maar dat werd afgeschaft (1801). Dan trok hij naar Emmerich voor zijn priesterwijding (1802).

Het concordaat van keizer Napoleon met paus Pius VII had de godsdienstvrijheid hersteld. De jonge priester begon als onderpastoor in Antwerpen Sint-Laurentius, werd pastoor te Ruisbroek (1813), daarna te Edegem (1820) en vijf jaar later pastoor-deken te Lier. In 1829 volgde zijn aanstelling en wijding tot bisschop van Gent. Tot zijn bisdom behoorde Oost-, West- en Zeeuws-Vlaanderen.

Hij stond voor een zware opgave, want het bisdom was lang zonder bisschop. In 1833 verkreeg hij een hulpbisschop, die een jaar later het nieuw bisdom Brugge kreeg toegewezen. Bisschop Van de Velde zorgde voor de heroprichting van de universiteit te Leuven, zoals vermeld in het jaarboek van 1835, appendix 35.

Bij die grootschalige ondernemingen bleef hij Boom indachtig. Juist voor zijn dood bekwam hij Zusters van de Presentatie voor de stichting van de eerste meisjesschool in zijn geboortedorp. Voordien had hij een wijkkapel in de Hospitaalstraat bekostigd, omdat hij wist dat zijn oude dorpskerk te klein was voor de snel aangroeiende bevolking.

Die kapel sloot aan bij de armenschool van de onderpastoors. Dat geheel werd de eerste Broedersschool. Met zijn broer Honoré verzekerde hij haar voortbestaan door de “fundatie Van de Velde”.

Terecht staat op de grafzerk van bisschop Van de Velde als verdiende eretitel ingebeiteld: weldoener van het onderwijs.

Begin van het Frans schrikbewind

De Brabantse Omwenteling (1794) en de herovering door Oostenrijk hebben de Rupelstreek niet beroerd. Maar de eerste vloedgolf van de Franse Revolutie, na haar overwinning te Jemappes (1792), bracht wel deining. Boom moest 10 bespannen wagens en nog 8 losse paarden inleveren.

In 1793 versloeg Oostenrijk Frankrijk te Neerwinden. Weer moest Boom mee opdraaien: opeising van 5 schansgravers, 2 karren bespannen met 2 paarden voor de Pruisische en nog 2 voor de Hannoverse soldaten.

Toen Frankrijk zegevierde te Fleurus (1794) weken Duitse soldaten uit naar Boom, maar werden vanuit Klein-Willebroek verdreven door Franse Huzaren. Na twee beroerde jaren, begon de Franse Overheersing die twintig jaar heeft geduurd. Boom telde toen ongeveer 3.200 inwoners.

Gedurende zeven volle maanden was het een schrikbewind, volgens deze voorgeschreven gedragslijnen:

  1. Alle gewesten worden als veroverd land behandeld, zonder erkenning van plaatselijke overheden.
  2. De inwoners mogen geen wapens bezitten en niet vergaderen.
  3. De rijken worden zwaar belast, hun “heerlijke goederen” en de kerkelijke bezittingen worden staatseigendom.
  4. Leder, laken en alles wat de bezettende mogendheid nodig heeft, wordt opgeëist, ook alles wat kan dienen voor de vijand.
  5. Alle muntstukken moeten ingeleverd worden. Alleen assignaten (ongedekt papierengeld) is nog gangbaar.
  6. Brabant moet veel strenger behandeld worden dan Vlaanderen, Luik en het land tussen Samber en Maas.

Alle gilden en verenigingen werden afgeschaft. Eetwaren mochten alleen op openbare markten verhandeld worden. De belastingen werden zesmaal zwaarder dan voorheen. Zo moest Boom 5.480 gulden betalen voor de jaren 1794-1795.De huizen en eigendommen van de gevluchte inwoners werden aangeslagen.

Voor zijn levensonderhoud had een deel van de bevolking slechts een bedelnap. Maar zowel bedelaars als steunverleners werden aangehouden en tot strafarbeid veroordeeld.

Overheerst door Frankrijk

Bij de overgang van de 16de naar de 17de eeuw ging Boom ten onder. Geplunderd, verwoest en ontvolkt gedurende de opstand tegen Spanje, werd heel de Rupelstreek door wolven ingenomen. Juist tweehonderd jaar later, van 1794 tot 1814, werd ze geteisterd door de Franse Overheersing.

Na de eerste doorbraak van de Franse revolutie, schreef de overwinnende generaal Dumouriez reeds in 1793 naar de Nationale Conventie te Parijs: “België moest alle denkbare knevelarijen doorstaan. De heilige wetten van de vrijheid werden er verkracht en de godsdienstige overtuiging van de bevolking brutaal beledigd. Door de eredienst te beroven, pleegde men een wandaad die weinig profijt opleverde. Gij werd bedrogen omtrent de aard en de inzichten van de bevolking … De meeste commissarissen zijn dwaze dwingelanden: ontzetting en haat verdrongen de broederlijkheid … Wij leven hier door vijanden omringd en in de dorpen te lande luidt de noodklok.”

Na de vestiging van de Republiek (1794) werd het nog erger. Ook in Boom, vooral na de aanstelling van de Boomse geneesheer Jan De Beeker jr. als commissaris van het Uitvoerend Comité. Voor de toepassing van alle verordeningen vroeg hij gendarmes om het verzet van de bevolking te breken. Want het gemeentebestuur vreesde de volkswoede.

De mannen weigerden de voorgeschreven karweien op te knappen. Maar de vrouwen traden driester op. Ze drongen zelfs het gemeentehuis binnen en schoolden samen rond de kerk om te eisen dat de verboden zondagsmis toch zou doorgaan.

De drie parochiepriesters mochten echter niet fungeren, omdat ze hadden geweigerd trouw te zweren aan de Republiek. Daarom moest pastoor J.F. Noël de pastorie verlaten en onderpastoor J.B. Moons, na een overtreding verklikt door Commissaris De Becker, werd verbannen naar het strafkamp van Cayenne in Frans Guyana. Onderpastoor Moons stierf in ballingschap.

In 1796 waren alle kerken van het kanton gesloten, uitgenomen in Boom. Daar diende ze voor republikeinse samenkomsten en voor de viering van “decaden”: in plaats van de zondagen werd om de tien dagen een rustdag officieel gevierd. Verontrust door het protest van de bevolking gedoogde het gemeentebestuur dat toch ’s zondags in de kerk de rozenkrans werd gebeden. Eens was onderpastoor Moons ook aanwezig. Ontroerd door de biddende menigte opende hij het verzegeld tabernakel en zegende hen met de ciborie.

Op aangifte van Commissaris De Becker verordende het Directoire Exécutif dat “Le citoyen Moons, exvicaire a Boom” moest aangehouden en verbannen worden. Op 18 januari 1798 gaf Moons zich gevangen aan een brigade uit Puurs. Die was opgeroepen om de plaatselijke gendarmes te vervangen.

Moons werd opgesloten in de aangeslagen pastorie. De volgende ochtend kwamen betogers met rieken en gaffels zijn vrijlating eisen. Op verzoek van de gendarmes, om strijd te voorkomen, weerhield hij het volk. Per rijtuig onderweg langs Willebroek naar Mechelen kreeg hij de kans om te ontvluchten, maar hij deed het niet.

Van de ene gevangenis naar de andere, kwam hij na 27 dagen in Rochefort (Frankrijk). Daar waren al 119 priesters samengebracht voor hun verscheping. Uitvoerig beschrijft Moons de gewaagde afvaart (doorheen de Engelse blokkade), de kwellingen van de zeiltocht gedurende 70 dagen (zes priesters stierven van ontbering), zijn waarnemingen op zee en zijn bevindingen in Cayenne (Frans Guyana). Die 21 bladzijden zijn bewaard gebleven, evenals een brief van 4 blz., verzonden op 7 januari 1799.

Het gedenkschrift van de Brugse priester De Baey, postuum uitgegeven in 1831, beschrijft wat daarna is gebeurd: de dramatische ontvluchting waardoor slechts vier priesters behouden zijn thuis gekomen. Na een schipbreuk waren ze voortgesukkeld naar Nederlands Guyana doorheen een moerassig kustgebied. Daar is Moons, samen met De Noodt, achtergebleven bij een uitgeputte confrater. Daarna heeft een reddingsploeg geen spoor van hen weergevonden.

Als hoofdkwartier in de Boerenkrijg

De opstand tegen de Franse Overheersing heeft ook Boom aangestoken (1798). In het departement hadden 1.077 priesters, onder hen 15 in het kanton Boom, geweigerd trouw te zweren aan de Republiek. Ze bleven verscholen nadat de kerken en pastorijen waren aangeslagen. Het smeulend verzet tegen belastingsdruk. opeisingen, vrijheidsbeperking en kerkvervolging ontvlamde als een uitslaande brand door de conscriptie: de oproep van lotelingen voor de legerdienst.

Wanneer in Klein-Brabant de Boerenkrijg uitbrak, verbleven in Boom 8 dragonders met één officier. Getergd door 120 man, onder de leiding van de gebroeders Jan en Jozef Quarteer, zijn ze naar Antwerpen gevlucht, nadat er één gedood en twee gekwetst waren.

Onderweg werden de zes overlevenden opgevangen door een korps van 50 soldaten en 30 ruiters met twee kanonnen. Daar moesten de Boomse opstandelingen voor zwichten. Ze weken uit naar Rumst, nadat er tien gesneuveld waren. De Franse soldaten plunderden vele huizen en schoten neer wie zich verzette. Midden in het dorp kampeerden ze op het kerkhof. Maar ’s anderendaags, na een gevecht in Vlietmanshoek, trokken ze reeds terug naar Antwerpen. Intussen waren hun krijgsgevangenen ontsnapt uit de pastorie, die als gevangenis diende. Daarna poogden de beambten te vluchten.

Toen werd Boom een hoofdkwartier van de Boerenkrijg, met 1.500 man onder leiding van vrederechter Melchior Quarteer, oudkapitein van dragonders in de strijd tegen Oostenrijk. Hij bouwde verschansingen: één op de Antwerpsesteenweg, bij de ingang van het dorp en één voor het kerkhof. Daar werd de ergerniswekkende “vrijheidsboom” van de Revolutie omgehakt.

Op 25 oktober kwam een legerafdeling uit Antwerpen Boom belegeren met zwaar geschut. Daar waren de schansen niet tegen bestand. Amper twee dagen duurde de weerstand. Het dorp moest het zwaar bekopen. De ontvluchte opstandelingen werden opgejaagd. Hun aanvoerder stierf te Willebroek, omgebracht door de Fransen, ‘die echter beweerden dat zijn volgelingen hem hadden gedood.

Het waren ook de Fransen die daar onderpastoor Van Camp hebben aangehouden. Hij had gezorgd voor de bevoorrading van de opstandelingen. Weggevoerd naar Rijsel wist hij onderweg te ontsnappen. Opnieuw kon hij zich in Boom verschuilen en er tersluiks zijn priesterdienst verrichten.

De doortocht van keizer Napoleon

Het schrikbeeld van het Franse Directoire heeft geduurd tot dat Napoleon Bonaparte de macht greep (1799). Als consul erkent hij de godsdienstvrijheid en de uitoefening van het priesterambt. In 1801 sluit hij met paus Pius VII het concordaat dat de scheiding en de wederzijdse erkenning van Kerk en Staat bekrachtigt. Als vergoeding voor de onteigende kerkelijke bezittingen zal de Staat “de bedienaars van de eredienst” bezoldigen.

Na dwang en willekeur onder het schrikbewind zorgt Napoleon voor “orde en tucht”. Zijn burgerlijk wetboek verbetert het vaag rechtsbestel. Het tiendelig stelsel verbetert de warboel van de oude maten en gewichten. Na de afschaffing van alle voorrechten worden “alle burgers gelijk voor de wet” … althans in theorie.

Voor de aanslepende oorlogen van Napoleon blijft de verplichte legerdienst gehandhaafd, zij het minder streng toegepast. Want in 1801 ontbreken 1.680 van de 2.029 dienstplichtigen in het departement. En in 1809 lieten er 12.000 van de 30.000 uit vijf lichtingen verstek gaan.

Misschien om hem mild te stemmen heeft Boom de keizer (in 1804 had hij in bijzijn van de paus zichzelf gekroond) feestelijk begroet. Vanuit Brussel op reis langs de vaart, kwam hij in 1810 te Klein-Willebroek om de oorlogsboten te schouwen, die op de Rupel voor anker lagen. De Bomenaars, samengestroomd op de versierde veerdam, juichen en wuiven hem toe.

Met vier geleende kanonnen van een koopvaardijschip worden eresalvo’s afgevuurd door Filip Asselberghs, een metser, die in de Brabantse Omwenteling kanonnier was geweest. Bij het reinigen van de vuurloop ontplofte het buskruit, zodat de poetsstok zijn voorarm afrukte. Daarvoor kreeg de man een pensioen van 100 fr. per jaar.

Na overnachting in de Brusselse afspanning Scheepvaart (Leopoldstraat) trekt de keizer langs de steenweg naar Antwerpen.

Einde van de Franse overheersing

Na zijn nederlaag in Rusland (1812) verloor Napoleon in 1813 de zesde coalitieoorlog bij Leipzig. De zegevierende legers rukten op naar Parijs. Zo kreeg Boom Hulanen uit Pruisen en Saksen ingekwartierd. Ze dreigden de dorpen af te branden, die niet binnen de 24 uur de opgeëiste levensmiddelen inleverden.

Nogmaals kwam Boom onder druk voor en na de veldslag te Waterloo (1815). Afdelingen van de optrekkende legers tegen Napoleon werden hier ingekwartierd, terwijl de Genie van de Engelsen een brug over de Rupel bouwde met aangeslagen schepen en timmerhout. Aan de veerdam kwam een batterie in stelling met sterke wachtposten, die de overgang bewaakten. Alle bruikbare paarden werden opgeëist.

Na de beslissende veldslag te Waterloo trok een karavaan van karren met gekwetsten door Boom naar Antwerpen. Twee geneesheren, burgemeester Egied Rijpens en De Becker sr. dienden de eerste zorgen toe. Vrijwillig hielp de bevolking door het inzamelen van lijnwaad, zalf en geneesmiddelen.

Het Vredescongres van Wenen bekrachtigde de vereniging van België met Holland, zoals het Verdrag van Parijs (1814)reeds had beslist volgens de politiek van Engeland. Internationaal werd de Prins van Oranje erkend als koning Willem I. Volgens de restauratie was dat bedoeld als een terugkeer naar het despotisme: alleen de vorst bepaalt wat goed is voor het volk.

Het optreden van Willem I, enigszins in de stijl van Keizer Jozef II, beviel de bevolking niet. Waarom riep hij 25.000 man in legerdienst ? Waarom drong hij een grondwet op, nadat een raadpleging ze had afgekeurd ? Daarop deed een strafrijm de ronde: “Wij willen Willem weg, zou Willem willen wijzer worden, wij wilden Willem weer”.

Zijn bewind bevorderde wel het zakenleven, door het kapitaal en de handelsbetrekkingen van Holland met zijn koloniën. Ook de baksteennijverheid in de Rupelstreek kreeg nieuwe vooruitzichten door de aanleg van het kanaal Brussel -Charleroi (1826-1830) voor de aanvoer van steenkool en de uitvoer van Boomse baksteen.

Einde van het Hollands Bewind

De staatkundige vereniging van België met Holland heeft niet lang geduurd. Ze was vooral door Engeland gewild als een bufferstaat tegen Frankrijk. Maar Koning Willem I regeerde te eigenmachtig, met een opvallende voorkeur voor de twee miljoen Noord- tegenover de drie miljoen Zuid-Nederlanders.

Hij steunde wel de invloed van een liberaal gezinde burgerij, maar ontstemde de adel en de katholieken. Voor het volk was de mislukking van de oogst in 1817 een ramp, oorzaak van hongersnood, plunderingen en wanhopige bedelarij. Voeg daarbij het gekonkel van Frankrijk tegen “de bufferstaat”. Zo begon in 1830 de opstand te Brussel. In oktober raakte Boom erbij betrokken.

Op de Rupel lagen kanonneerboten. In het dorp legerden 700 infanteristen en 300 huzaren. Ze weken uit naar Antwerpen, nadat gevechten te Lier en te Walem de verdedigingsgordel hadden doorbroken. Nog diezelfde dag stak majoor Fleury-Duray, aanvoerder van een afdeling burgerwacht te Brussel, de Rupel over om hun aftocht te bestoken. Hij dwong de Hollandse bezetting van de Sint-Bernardsabdij tot overgave. Maar de vesting van Antwerpen hield stand. Een batterij zwaar geschut stond op de Krekelenberg. Na de aanvoer van 90 Franse Kanonnen over Boom naar Wilrijk duurden de beschietingen 19 dagen eer de vesting begaf op 23 december 1832. Gekwetsten werden verzorgd in de pasgebouwde parochieschool. Vandaar de naam “Hospitaalstraat”, waar ze gelegen was en later de eerste Broedersschool werd.

Intussen was het “Bestuur van het Zeewezen” met een garnizoen in Boom gevestigd. Daar werden de eerste zes oorlogsboten van de Belgische Zeemacht gebouwd voor de verdediging van de waterwegen. Tien man van de Boomse burgerwacht bewaakten de Sint-Bernardsabdij, die als gevangenis diende.

Uit erkentelijkheid voor de bewezen diensten ontving Boom een erevaandel met het opschrift in gouden letters “A la Commune de Boom, la Patrie reconaissante”. Met Albrecht Rodenbach maken we de bedenking “het opschrift was in ’t Frans”. Het herinnert aan de Franse invloed bij het ontstaan van België.

Vierde kerk van Boom-centrum

Na 1815 had Boom elk jaar een honderdtal inwoners meer. In de opbouw van België na 1830 moest dringend de resolutie van voor de Franse Revolutie worden uitgevoerd “tot het vergroten deses parochiale kerke” (17 july 1793).

De kerkraad besprak ze opnieuw maar dacht veeleer aan de bouw van een nieuwe naast de oude kerk. In 1838 besliste hij de afbraak van het bestaande kerkgebouw van 1774 en de opbouw van een nieuwe kerk voor “tenminste het dobbel van personen”.

Met het oog op de toekomst ontwierp de provinciale bouwmeester een kerk met galerijen, zodat ze ongeveer op dezelfde grondoppervlakte kon dienen voor 4000 personen. De kerkraad had bezwaren tegen zulk bouwplan en heeft het niet aanvaard.

Na lang beraad en moeizame onderhandelingen met het gemeentebestuur werd in 1845 besloten de oude kerk af te breken en het omringende kerkhof op te ruimen. Zo kwam er plaats voor de huidige Grote Markt.

In 1846 koopt de kerkraad voor 25.000 BEF het bouwvallig ’s Herenhof waarvan alleen de kelders nog dienden als bierkelders. Op die grond werd de huidige kerk gebouwd volgens het plan van architect Drossaert uit Tienen.

Maar de Commissie van Monumenten oordeelde dat Boom, als toenmalige groeipool in de Rupelstreek, een kerk met twee geveltorens moest hebben. De kerkraad weigerde en bekwam de goedkeuring van het plan Drossaert door de minister, voor een bestek van 242.977,20 BEF. Het werd openbaar aanbesteed in 1848.

Met de toelage van de gemeente, provincie en staat, moest de kerkraad zelf instaan voor de rest van de bouwkosten. Zijn budget voorzag 81.000 BEF door de verkoop van 15 loten onroerende goederen, gelegen te Boom, Rumst en te Willebroek. De materialen uit de oude kerk zouden 12.000 BEF opbrengen en de afbraak van het kasteel 4.000 BEF. De nog ontbrekende 20.000 BEF werden verwacht van giften en besparingen.

De eerste steen, gezegend door Kardinaal Sterckx, werd geplaatst door Gouverneur Teichman op 24 april 1849 en vermeldt de aanwezigen: pastoor J.B. Heylen, Burgemeester J.S. Tuyaerts, C. Vermeulen en J. Troch (voorzitter en secretaris van de kerkraad) en de andere gemeenteraadsleden. Kardinaal Sterckx kwam de kerk wijden op 3 september 1855.

0.-L.-Vrouw en Sint-Rochus

Elke parochie met haar kerk -draagt de naam van haar patroon of patrones. Bijvoorbeeld, de parochie van het Heilig-Hart (tuinwijk) en de kerk van Sint-Catharina (Bosstraat). Maar de hoofdkerk van Boom heeft Onze-Lieve-Vrouw als patrones en tevens Sint-Rochus als patroon.

Zo heeft Kardinaal Sterckx de huidige kerk ook gewijd (1855). Sedert 1309 stond de parochie onder de bescherming van 0.-L.Vrouw. In de jaren 1630-1636 werd Boom geteisterd door de pest. Omdat Sint-Rochus werd vereerd als schutsheilige tegen besmettelijke ziektes, nam de parochie hem ook als patroon.

Na de ellende van de Tachtigjarige Oorlog trof de pest bijna alle families als een onafwendbaar noodlot. De gebrekkige gezondheidszorg en geneeskunde konden haar niet voorkomen noch bestrijden. Vanuit Antwerpen had ze de omliggende dorpen aangestoken en werd daarom de Antwerpse Ziekte genoemd. Daar stierven twee Plebanen van de Kathedraal, 12 Jezuïeten en 26 Dominicanen die pestlijders hadden bijgestaan.

De radeloze Boomse bevolking kon enkel in het vertrouwen van God, met de voorspraak van zijn heiligen, de levensmoed vinden om alle beproevingen te doorstaan. Rond de “Broederschap van de H. Rochus” ontstond later een betwisting … omdat haar leden de erewacht vormden rond het baldakijn van de Sacramentsprocessie. Het bleef een hoogoplopende ruzie. Want “om te verhoeden alle confusie, stoornissen ende schandaelan” verzocht pastoor Karel Van den Abeele in 1697 de bisschop van Antwerpen om de officiële goedkeuring van de Broederschap met haar statuten.

Maar de wringers namen geen genoegen met de bisschoppelijke goedkeuring. Daarom heeft de Broederschap haar reglement ook voorgelegd aan de wethouders van Boom om haar “burgerlijk recht” te bekrachtigen “door een scabinale acte om alle amenden en boeten te doen betalen”. Blijkbaar bracht haar verpachting van bijenkorven niet genoeg geld in kas. Nadat de pest vergeten was “verwaterde” de Broederschap uiteindelijk tot een biergilde.

Beschrijving van de Hoofdkerk

De parochiekerk van Boom-centrum was in 1848 berekend op de merkwaardige aangroei van de bevolking. Van 1815 tot 1850 kwamen er elk jaar ongeveer 100 bij, en ongeveer 200 van 1870 tot 1930.Vandaar de afmetingen van het kerkgebouw: 70 m lang, 34 m breed in de kruisbeuk, met een hoogkoor van 15 op 10 m, vier zijkoren van 9 op 7 m en een 75 m hoge toren. Middenbeuk en kruisbeuk zijn 22 m hoog, de zijbeuken 14 meter.

Het is een neogotisch gebouw in Boomse baksteen, met ingewerkte arduin en witte zandsteen. De ingebouwde vierledige geveltoren was oorspronkelijk versierd met 20 gietijzeren pinakels en met bekronende balustrades die voorlopig (?) verwijderd zijn. Hij draagt nog de naaldspits van de ‘oude kerk (1774), in 1864 ondertimmerd door het achtkantig ramenstel dat ook moet hersteld worden.

Het oorspronkelijk neogotisch hoofdaltaar werd vervangen door een marmeren Byzantijns altaar. Vooraan staat nu het prachtig hoofdaltaar, gebeeldhouwd door de Boomse priester Joz. Van de Moortele.

De monumentale preekstoel, geplaatst in 1859, is het werk van H. Van Oekerhout uit Antwerpen. De zeskantige kuip bestaat uit vijf eikenhouten panelen met taferelen uit het leven van Jesus. Ze steunt op een zittende figuur, afbeelding van de kerk, met een pauselijke tiaar op het hoofd en de herderstaf met kruis in de hand.

Neogotisch is ook het eikenhouten koorgestoelte van de Antwerpse schrijnwerker Van Halle. In de kruisbeuk staan de gestoelten van de kerkmeesters en de armendienaars, afkomstig uit de oude kerk maar aangepast door Van Halle.

De zes neogotische biechtstoelen werden geplaatst in 1854. Uit de oude kerk bleven ook bewaard: het altaar en de doopvont in gevlamd marmer onder een geelkoperen torendeksel. Ze staan nu in de weekkapel.

Toen deze ruime kerk werd gebouwd was niet te voorzien dat Boom zou ingedeeld worden in drie parochies, noch dat het aantal inwoners na 1940 met één derde verminderd is.

Kapellen als steunpunten

Herbergen werden ook kapellekes genoemd. Ze gaven ook verpozing en verkwikking, zij het dan anders dan een bidplaats. Maar de schertsende vergelijking bewijst alleszins dat kapellen aantrokken.

De oude dorpskom lag tussen twee kapellen. In de Vrijheidstraat werd ze herbouwd (1893), op de hoek van de Brandstraat en de Lieve-Vrouwstraat is ze verdwenen. Ze dienden als rustaltaren voor de processies, of als begin- en eindpunt van de beeweg, met in het midden de omgang rond de kerk.

De oudste Sint-Annakapel bestond reeds in de jaren 1400, zoals blijkt uit de toenmalige plaatsnaam Kapelleveld. Driehonderd jaar later stond daar de stenen Sint-Anna windmolen. Intussen was de kapel herbouwd en begiftigd met stichtingen voor “gelezen missen” .

Gedurende de Franse Revolutie werd ze niet afgebroken … omdat ze diende als ziekenhuisje. Maar in 1952 moet ze wijken voor de verkeersdrukte. Toch werd ze naast de weg herbouwd, veel mooier, als een kunstjuweel. Nu dient ze als wijkkapel voor de zondagse Eucharistieviering … vlak aan het provinciaal recreatiegebied.

In de Velodroomstraat heeft ook een wegkapel gestaan, bekostigd door de eerste pastoor van het Gasthuis. De grote kapel van het Gasthuis, ingezegend in 1846, diende voor de kloostergemeenschap en voor de zieken. Ze bleef als wijkkerk voor de zondagsmis.

Na het vertrek van de Broeders der Christelijke Scholen en van de Zusters van de Berkenboom, zijn er nog drie kloosterkapellen: bij de Zusters van de Presentatie, bij de Zusters van de Assumptie (Antwerpsestraat) en bij de Zusters Clarissen. Deze laatste dient ook alle dagen voor de publieke eredienst, terwijl in de kapel te Noeveren elke zaterdagavond Eucharistie wordt gevierd.

Kapellen verwijzen naar God die ons opwekt tot dienend leven, tot levensinzet voor het heil van medemensen. Zoniet ontstaat er “kapellekesgeest”. Daar is God m.i. niet mee gediend.

Godsdienstzin in de negentiende eeuw

Pastoor-deken F.X. Beten heeft in 1901 een uitgebreid verslag geschreven (105 blz.) over “Boom in godsdienstig opzicht”. Op het einde van de twintigste eeuw is een zelf vluchtige terugblik wel leerzaam voor de toekomst.

Merkwaardig is het groot aantal Broederschappen, Genootschappen, Congregaties en Bonden. Die verscheidenheid was geen teken van verdeeldheid noch van “verzuiling”. Want aansluiten bij verschillende “godvruchtige verenigingen” sierde het christen-zijn. Daarom werden ze ook vermeld op de oude doodprentjes.

De christelijke vroomheid in de negentiende eeuw steunde op de BROEDERSCHAPPEN van den H.Rozenkrans (voor de Maria-verering), van Maria-Onbevlekt-Ontvangen (om de godsvrucht te bevorderen), van het H.Hart van Maria (voor de bekering van de zondaars), van de H.Franciscus-Xaverius (voor het behoud en de verdediging van het Geloof).

De GENOOTSCHAPPEN dienden ook de “verticale vroomheid”, d.i. de zin voor het heilige, voor wijding en voor het Godsmysterie. Ze steunden de Gedurige Aanbidding (als eerherstel op Vastenavond), het Apostolaat van het Gebed (ter ere van het H.Hart van Jezus), de Afkeer van Godslasteringen, de Verering van het H.Sacrement, de Sint-Pieterspenning, de Voortplanting des Geloofs (ook door kinderen), de verering van de H.Familie en de Bedevaart naar Scherpenheuvel.

Er was ook een CONGREGATIE voor juffrouwen en voor Jonge Dochters, om door Moeder Maria beschermd te worden “tegen de verleiding en de gevaarlijke vermaken van de wereld”. Godsdienstzin zou maar half christelijk zijn, als hij zich beperkte tot devoties. Want waarachtige liefde tot God vereist ook zorgende liefde voor medemensen. Daarom heeft de kerkgemeenschap in alle eeuwen de armenzorg en de ziekenverzorging behartigd. Godsdienstig leven was ondenkbaar zonder liefdadigheid en “werken van barmhartigheid”.

Het Sint-Vincentiusgenootschap heeft daar veel toe bijgedragen. Dit kerkelijk dienstbetoon bestond voordat het burgerlijk realiseerbaar was. Zodra het volkswelzijn maatschappelijk

kon geregeld worden, ontstonden ook de christelijke sociale werken: de Volksbond, de Boerengilde, de Onderlinge Bijstand, de Pensioenkas.

De godsdienstzin van het begin van de twintigste eeuw staat voor nieuwe opgaven in de komende eeuwwisseling. Maar het Evangelie en de traditie blijven richtinggevend, als een oproep tot bekering, zelfonthechting en zelfinzet oor het algemeen welzijn, om zodoende God te dienen.

Zo begon het onderwijs

In 1608 waren de Bomenaars nog analfabeet: volgens het verslag van de landdeken konden er slechts twee lezen en schrijven. Maar, zo schrijft hij, de koster G. Spillemaeckers, zal lees- en schrijflessen geven. Dat deed ook pastoor Struelens in 1621.

Zo werd er onderwezen voordat er een school bestond. Pas 100 jaar later, in 1709, trekt een lesgever een vergoeding van de gemeente. In 1726 geeft drossaerd Kinnie 500 gulden voor het onderricht van arme kinderen. In 1730 was de lesgever een winkelier, in 1768 een kleermaker. In 1786 had de parochie wel “een reglement voor den schoolmeester”… maar geen school.

Onder het Frans bewind betaalt de Municipale Raad in 1801 de onderwijzer J.B. Spillemaeckers, uit de kostersfamilie, die meer dan 300 jaar heeft gediend. In 1809 staat een onderpastoor als lesgever vermeld, daarna P.F. De Bie, die in 1815 school hield in de afspanning “De Drie Posthoorns” aan de Veerdam.

Voor 1830 bestond er nog geen schoolgebouw. Les werd gegevens in een huiskamer, een herberg en in de kelder onder het oud-gemeentehuis. Kinderen leerden er lezen, schrijven en rekenen voor 10 centiemen per les. Vandaar de zogenaamde “centjesscholen”.

De meeste ouders hadden dat er niet voor over: hun kinderen moesten centen bijverdienen als “afdragers” in de gelegen. Daarom begon onderpastoor J.B. Van den Bergh met de armenschool, bijgestaan door zijn drie confraters. Met giften werd grond gekocht aan de Hospitaalstraat. Met stenen, pannen en plaveien, geschonken door enkele steenbakkers bouwden vrijwilligers er in 1832 de eerste klaslokalen.

Geholpen door hun eerste “geschoolden” hadden de onderpastoors 240 leerlingen in de zomer en zowat 500 in de winter. Maar het jaar daarop moest het klasgebouw dienen als hospitaal voor Franse soldaten, gekwetst in de strijd tegen het Hollands garnizoen te Antwerpen. Als vergoeding ontving de school 200 BEF.

Na de ontruiming herbegint onderpastoor Deckx in januari 1833. Zijn opzet wordt verzekerd door de fundatie van Bisschop Van de Velde en zijn broer Honoré.

Zo zijn ze ontstaan

Voordat de politiek het aankon, heeft het leven in Gods dienst ook het onderwijs, de ziekenverpleging en de armenzorg gediend. Voordat dit werk als een voltijds beroep kon bezoldigd worden, hebben kloosterlingen er hun leven aan besteed. Zo ontstonden in Boom de scholen van de Zusters (1839), van de Broeders (1845),
het Gods- en Gasthuis Sint-Jan Baptist (1849). Zoals ook het Onze-Lieve-Vrouwcollege (1879), werden ze gesticht door Boomse priesters, met schenkingen van welstellende burgers.

De Bomenaar J.F. Van de Velde, tot priester gewijd in 1802, was in 1829 bisschop van Gent. Uit Sint-Niklaas zond hij zes kloosterzusters van 0.-L.-Vrouwpresentatie naar Boom, voor de oprichting van de eerste meisjesschool.

Onderpastoor Deckx verkreeg uit Namen drie Broeders van de Christelijke Scholen, voor de uitbouw van het onderwijs voor arme kinderen, reeds op gang gebracht door de parochiepriesters. De Broeders vonden onderdak bij de onderpastoors tot ze een huis van de gebroeders Pauwels ter beschikking kregen.

De Boomse priester J.B. Pauwels, Groot-Vicaris van het aartsbisdom Mechelen, heeft samen met zijn oom de grond gekocht in de Kerkhofstraat, voor de bouw van het eerste Gods- en Gasthuis. Dankzij Kardinaal Sterckx bekwam de Administratieve Commissie drie gasthuiszusters uit Herentals (1846). Zij stichtten in Boom een eigen kloostercongregatie voor de opvang van wezen, de verzorging van bejaarden en de verpleging van zieken.

De Liberalen zagen het onderwijs als een politieke aangelegenheid. Onder hun bewind ontstonden de Rijksmiddelbare School Laurent Mannekes (1861), twee gemeentescholen op Noeveren, twee in den Hoek en de rijksmiddelbare meisjesschool in de Tuyaertstraat. Die uitbereiding van het onderwijs was een weldaad.

Door de schoolwet van 1879 werd het officieel onderwijs zogezegd neutraal, maar eigenlijk antikerkelijk. Noodgedwongen werden parochiale scholen voor meisjes opgericht en kwamen, ook uit Sint-Niklaas, zusters van de Heilige Vincentius (Berkenboom) naar Boom in 1889.

Daarom werd ook het 0.-L.-Vrouwcollege opgericht. De pastoor van het Gasthuis (Romain Van de Velde!) vormde een comité met drie priesters en twee leken (J. Van den Bril en J. Pauwels!). Ze hebben 70.000 goudfrank ingezameld en bouwmateriaal dat 14.000 fr. waard was, voor het eerst collegegebouw.

Rector Karel Wuyts van de Presentatie, met twee priesters die voorlopig bij hem inwoonden, waren de eerste nog onbezoldigde leraars.

Kloosterzusters in Boom

Mensen zijn niet volmaakt. Kloosterzusters dus ook niet. Al hebben zij hun leven aan God toegezegd, toch blijft het gebrekkig. Maar in Godsdienst zijn zij buitengewoon dienstvaardig voor mensen. Ook in Boom. Het begon in 1839 met zes zusters aan 0.-L.-Vrouw Presentatie uit Sint-Niklaas. Dat was te danken aan de bisschop van Gent, J.F.Van de Velde, die aan zijn geboortedorp een school voor meisjes wou bezorgen. Drie gasthuiszusters uit Herentals kwamen instaan voor het Gods-en Gasthuis Sint-Jan Baptist (1846). Volgens de overeenkomst met de Administratieve Commissie en Burgemeester Verelst, zal moeder overste de instelling besturen en regelmatig verslag uitbrengen.

In 1849 vormden zij de zelfstandige kloostercongregatie “Gasthuiszusters-Augustinessen van Boom”. Vijftig jaar later zijn er 30 zusters, en dan pas de eerste uit Boom. De parochiale meisjesscholen van Noeveren en van de Bosstraat konden beginnen, dank zij tien zusters van de H.Vincentius (Berkenboom) uit Sint-Niklaas (1889). Zij vormden een kloostergemeenschap in de Groene Hofstraat en konden er beschikken over de kapel van de Mariacongregatie.

In 1895 hebben de Arme Clarissen-Coletienen uit Roeselare een slotklooster gesticht in Boom, met zeven koorzusters en drie lekezusters. Voordat hun klooster in de Gasstraat voltooid was (1899), woonden zij op de Antwerpsestraat, juist voorbij de Advokaatstraat, in een huis van Verstrepen-Valvekens. Hun verborgen leven van gebed en onthechting is sindsdien een bestendige zegen voor Boom.

 

Na de tweede Wereldoorlog begon een andere tijd, met nieuwe noden zonder opvang. Daar kwamen “kleine Zusters van de Assumptie” aan beantwoorden, op verzoek van het aartsbisdom Mechelen volgens het legaat Louis Spillemaeckers. Hij had zijn huis in de Antwerpsestraat afgestaan voor een christelijke dienstverlening aan de bevolking.

Gedurende de oorlog was het aangeslagen als Deutsche Commandatur. In 1946 begon er het dienstbetoon van de zusters, met een dispensarium, gezinshulp en thuisverpleging voor iedereen zonder onderscheid. De zusters behartigden die diensten voordat ze tot stand kwamen als sociale voorzieningen.

Een bewogen geschiedenis

Doorheen een merkwaardige geschiedenis was de Broedersschool met Boom vergroeid geraakt. Het begon als een avontuur voor de eerste drie Broeders van de Christelijke Scholen. Ze waren naar Boom gekomen om de onderwijspogingen van de onderpastoors te bestendigen en deskundig vorm te geven. Zo konden ze beschikken over vier klaslokalen met de aangebouwde wijkkapel in de Hospitaalstraat.

Zeven dagen na hun aankomst werden de Broeders voorgesteld tijdens een plechtige Mis in de kapel. ’s anderendaags (3 oktober 1845) drumden zowat duizend jongens samen in de Hospitaalstraat voor hun inschrijving. De overrompelde Broeders waren radeloos: ze konden. niet alle gegadigden opvangen. Met 52 leerlingen van onderpastoor Deckx begon een klas voor gevorderden. Voor 80 die enigzins konden lezen en schrijven een tweede klas. Met twee ter plaatse gevormde hulpkrachten konder er nog 160 worden ondergebracht in de twee overige klaslokalen.

Tussen de twee klassen en de kapel stonden beschotten. Die moesten elke week, samen met de schoolbanken verwijderd worden voor de zondagsmis, omdat de oude dorpskerk te klein was. Na de zondagsdienst werden het weer klaslokalen. Een wekelijkse karwei voor vrijwilligers, die de Broeders wilden helpen. Zo ontstond van in het begin een duurzame band tussen hen en het volk.

Dankzij die binding kon de Broedersschool de tegenkantingen van het liberaal gemeentebestuur doorstaan. In 1850 wou het leerlingen afdwingen voor de gemeenteschool. Het werd er voor af gestraft doordat christen liberalen in 1855 een katholiek bewind verkozen.

In november 1857 werd het opnieuw liberaal en ontving elke Broeder een gemeentetoelage van 850 BEF per jaar. Voordien had het schoolcomité 600 BEF betaald. Haar tegemoetkoming heeft blijkbaar de gemoederen bedaard. Maar in 1863 maakte het liberaal schepencollege aanspraak op het legaat, waardoor J.P. Van de Velde het schooltje en de kapel aan de Kerkfabriek had geschonken. Het werd een lang aanslepend geding, een “beroerde geschiedenis”.

Een beroerde geschiedenis

De schenking van P.J. Van de Velde aan de kerk (het schooltje en de kapel in de Hospitaalstraat)was in 1840 bij Koninklijk Besluit goedgekeurd. In 1852 kent de minister van Justitie de stichting toe aan het Armenbestuur dat weigerde en daarna aan het liberaal gemeentebestuur dat aarzelde, beïnvloed door het protest van de bevolking.

Na zijn herverkiezing in 1863 liet het zijn aanspraak gelden. Ingevolge de schoolwet van P. Van Heembeek (1879) kreeg het die schenking toegewezen bij Koninklijk Besluit in 1880. De Kerkenraad trok het in betwisting, maar werd voor het gerecht gedaagd en veroordeeld in 1883. Hij ging in beroep, maar het Hof te Brussel bekrachtigde het vonnis in 1884.

Zo verloor de Kerk haar eigendom en werden de Broeders verdreven uit de Hospitaalstraat. Bedreigd sedert 1852 had de kerkgemeenschap grond gekocht in het open veld waar nu de Gasstraat ligt. Daar was voor de Broeders een klooster in aanbouw, met zes klaslokalen: drie voor betalende en drie voor behoeftige leerlingen.

De fanatieke gemeentepolitiek tegen de Broedersschool heeft strijd ontketend. Straatgevechten tussen scholieren en woelige gemeenteraadsverkiezingen, die jarenlange overmacht van de liberalen hebben gebroken. In 1887 kreeg Boom een katholiek als burgemeester, met een gemengd schepencollege van katholieken en liberalen. In 1895 werd de Broedersschool een door de Staat “aangenomen school”.

Ze kon zich gestadig ontwikkelen, met méér leerlingen, méér klaslokalen en een drieledige “vierde graad”. Bovendien had ze een opvoedkundige en culturele uitstraling. Toneel en zang, de Eucharistische kruistocht, het Patronaat, de Bibliotheek, de muziekschool en het verenigingsleven van de Oud-Leerlingenbond.

Nu is de grote Broedersschool het “Klein College”. Vooreerst omdat de kloosterroepingen verminderden, vervolgens omdat de onderwijshervorming de “Vierde Graad” verving door drie klassen Middelbaar Onderwijs, dat reeds bestond in het 0.-L.-Vrouwcollege.

Op 7 juli 1958 ontving pastoor-deken De Bisschop een brief van de Provinciaal met de vraag “of u verlangt de Broeders nog langer te gebruiken op school”. Op 28 juli volgde een brief van het Aartsbisdom met de vraag van de Broeders der Christelijke Scholen “om hun Broeders te mogen wegtrekken uit de school te Boom”.

Er waren drie begraafplaatsen

Tot in 1826 had Boom nog letterlijk een “kerkhof”. De grond rond de kerk, nu de Grote Markt, diende als begraafplaats.Wie naar de kerk kwam, verwijlde even bij de graven van naastbestaanden. Uit het levengevoel was de dood nog niet verdrongen.

De kerk en het kerkhof (voor ongeveer 2000 Bomenaren in 1775) was veel te klein voor de 5000 inwoners in 1820.Een nieuwe begraafplaats werd aangelegd in de “Boomenstraat” waar toen meer bomen dan huizen stonden (1822). Maar reeds in 1866 werd ze overgebracht naar de plaats waar ze nu ligt in de Kerkhofstraat. Want in 1846 was het eerste zieken- en bejaardenhuis gebouwd aan de overkant van de begraafplaats. Die lag er onheilspellend bij en was niet berekend op het verdubbelen van het aantal inwoners in 1866. Met 604 cholera-slachtoffers in dat jaar was het aantal sterfgevallen verdrievoudigd.

Omdat de derde begraafplaats niet zoals de vorigen was gewijd, heeft de overwegend christelijke bevolking ze niet aanvaard. Bij een kerkelijke uitvaart past een begrafenis in “gewijde aarde”, als een ritueel gebaar toevertrouwd.

Na een terechtwijzing door de Minister, ondertekend door de Koning, gedoogde Burgemeester Tuyaerts pas drie jaar later de wijding van de begraafplaats. Intussen waren 1082 Bomenaren begraven in het gewijde kerkhof van Heilig Reet ? Hoe dan ook, het Booms “Genootschap voor christelijke begrafenissen” heeft er een gedenkkruis opgericht. Het staat er nog aan de zuidkant van de Magdalenakerk. Sindsdien zijn de leefwijze en de tijdsgeest veranderd. Vele graven zijn gauw vergeten en de doodsgedachte wordt erdrongen. Zo ontstond de gewoonte om het dode lichaam te verbranden. De moderne begraafplaats kreeg een columbarium (urnemuur) en een plaats voor asverstrooiing.

Dat is niet tegenstrijdig aan het geloof in de verrijzenis. Want om de vijftien jaar worden alle cellen van het mensenlichaam vernieuwd en toch blijft de persoon bestaan. Dat gebeurt ook over de dood heen door de eeuwige levenskracht van de verrezen Heer Jezus.

Eerst molens, daarna schoorstenen

Gedurende minder dan honderd jaar hebben hoge schoorstenen langsheen de Rupel het landschap beheerst. Voordien werd het door molens gekenmerkt gedurende bijna tweehonderd jaar.

In 1686 was Boom nog “onversien van molen”. In 1727 begon op de Steilse Kil een watermolen te draaien, aangedreven door de afloop van de Bosbeek en de getijden op de Rupel. Hij heeft er gedraaid tot hij in 1882 is afgebrand.

Gedurende al die jaren heeft de muldersfamilie van Dominicus Verelst hem in bedrijf gehouden. Na de brand hebben de gebroeders De Wachter de grond aangekocht en er een scheepstimmerwerf opgebouwd. Dat kenmerkt de veranderde bedrijvigheid in de Rupelstreek.

Daarom was ook de stenen Sint-Annawindmolen in de Kapelstraat bouwvallig geworden. In 1855 heeft Frans Wuyts hem afgebroken en op de grondvesten de travalje van zijn smidse gebouwd.

Nu nog herinnert de Molenstraat aan de houten windmolen nabij het bos “Den Brandt”. De weg vanuit de dorpskom naar het bos, waar brandhout mocht gesprokkeld worden, is nu de Brandstraat, in de oude volkstaal het Brandgat (cfr. het Engelse “gate” en het Duitse “Gasse”). Met zin voor geschiedenis heeft de gemeentelijke kliniek “Den Brandt” de naam van het bos bewaard, nadat het was opgestookt in de steenovens. Waarschijnlijk is het die Boomse windmolen, die in 1875 werd overgeplaatst naar Zutendaal. Hij heeft er ook geschiedenis gemaakt en een straatnaam gekregen: de Windmolenstraat.

Op de hoek van de Gevaertlaan en de Van Leriuslaan stond tot in 1914 nog een Boomse molen. Daar is alleen een foto van overgebleven.In het midden van de negentiende eeuw heeft de nijverheid de landbouw overvleugeld. Het baksteenbedrijf nam reeds 63 percelen in beslag. Voor de drukke binnenscheepvaart werkten 11 toeleveringsbedrijven, o.a. een nagelmakerij, een ijzergieterij en metaalwerken. Landbouwprodukten werden verwerkt door 15 brouwerijen, 3 windmolens, 2 watermolens, 3 oliemolens, een boekwijtmolen,2 rosmolens en een stoomgraanmolen. Bovendien 4 leerlooierijen, een sodafabriek, een branderij, 2 zeep- en 2 zoutziederijen. De bevolking groeide van 6.400 in 1832 tot 12.656 in 1880.

Het steentijdperk van de Rupelstreek

De eigen geschiedenis van de Rupelstreek heeft ook een Oud- en een Nieuw-Steentijdperk. Het eerste begon omstreeks 1335 met het ambachtelijk steenbakken door de monniken van Sint-Bernards voor de uitbreiding van hun abdij.

Gedurende 150 jaar waren zij de enige steenbakkersbazen. Maar de eerste gevestigde boeren leerden het ook. Ze deden het voor eigen gebruik, ook met open veldovens, die bossen opstookten of gedroogde veengrond en later turf uit Zeeland.

In 1721 dienden reeds 27 steenovens. De verkoop van baksteen groeide vooral na de stadsbrand van Antwerpen (1546) en de uitgraving van de vaart naar Brussel (1561). Pas na de Tachtigjarige Oorlog (1648) steeg de bedrijvigheid, nog honderd jaar later begunstigd door de aanleg van de steenweg naar Antwerpen (1765).

Het Nieuw Baksteentijdperk begon eigenlijk na 1832, door de vlotte aanvoer van steenkolen langs het kanaal van Charleroi naar Brussel, aansluitend bij de oude vaart naar Klein-Willebroek. Gemetselde klampovens vervingen de open veldovens. Maar de skyline van de Rupelstreek ontstond door de hoge schoorstenen van de Hoffmann- en de ringovens na 1898.

Pas na de Eerste Wereldoorlog (1918) voltrok zich de industriële omwenteling. De machines voor de kleidelving en de bewerking, voor het vormen, drogen en bakken van stenen, verving de afmattende handenarbeid, verhoogde de productiviteit … maar verminderde de tewerkstelling.

Amper 50 jaar heeft het typische Rupellandschap bestaan: uitgediepte “gelegen” met lange smalle droogloodsen (lezzes) en een kilometerlange rij hoge schoorstenen langsheen de rivier. In de zestiger jaren kreeg het weer een ander uitzicht, door de sluiting van de meeste steenbakkerijen, de afbraak van de schoorstenen en de opspuiting van de kleiputten.

Toch heeft de baksteennijverheid de Rupelstreek diep gemerktekend en de volksaard ruw beïnvloed. Zelfs de eerste steenbakkerij van Sint-Bernardsabdij heeft een spoor achtergelaten: de zonk achter de Blauwstraat tot aan de Bassinstraat. Die verlaten kleiput werd voorbeeldig benut voor bebouwing en aanleg van hovingen … in plaats van hem eerst op te spuiten of vol te storten.

Van Rupelklei tot baksteen

De Rupelklei is ouder dan de Alpen. Ze bestond voordat die bergketen ontstond. In feite als bezinksel op de bodem van de zee, die ons land overspoelde tot tegen de Ardennen, een hooggebergte uit het primair tijdperk van de aardkorstvorming.

Die 200 à 300 m diepe Rupelzee is weg gevloeid door het ontstaan van de Middellandse Zee, door de breuk tussen Engeland en het vasteland en door de zich ophopende afsluitsels van de Ardennen.

Daarom ligt die kleilaag onder de Kempen, onder de beddingen van de Schelde, de Rupel en haar bijrivieren. De duinen in de Kempen, de schelpen in de ondergrond, de wervels en tanden van haaien en de resten van zeeschildpadden in de klei zijn nog overblijfselen uit de zee.

De golvende kleilaag is 12 tot 20 m dik. Tegen de Rupel ligt ze onder de teeltaarde en 3 tot 5 m zandgrond. Zuivere klei is wit en heet pijpaarde. In de Rupelklei is een dun laagje lichtgeel gekleurd (potaarde) of grijs (panaarde). Maar ze is meestal donker grauw door de ontbinding van massa’s meegesleepte planten en bomen uit de oertijd.

Van 1245 tot 1868 kwam er weinig verandering in het baksteenbedrijf, hoewel de aangroei aanzienlijk was: van 18 bedrijven in 1546 tot 54 in 1849. Maar het bleef zware omslachtige handenarbeid.

De schelfjes gestoken klei moesten eerst verwinteren, geweekt en gekneed worden. Het duurde maanden eer ze verwerkbaar terecht kwam op de tafel van de steenmaker in open lucht. Met een houten vorm verwerkte hij één na één tot 8.000stuks op een werkdag van 14 uur.

Twee kinderen, van negen tot twaalf jaar, liepen af en aan om telkens één vorm af te dragen en te ledigen op “de plaats”. Zo moesten ze per dag zowat 30 kilometer afdraven, 8.000 maal omdraaien en 4.000 maal voorover buigen.

De nog weke steen lag te drogen, werd gewend en daarna op een kruiwagen in de droogloodsen (lezzes) gevoerd en opgestapeld (gammen). Er moest nog hard gesjouwd worden eer de steen in de ovens gebakken was in een hitte van 900 graden. Daarna was het weer laden en stapelen voor het vervoer.

Het oude baksteenbedrijf vergde veel mankracht en slafelijke arbeid. Het was begonnen met mensen die voor en na boerden en daarom maar armtierig werden bezoldigd. Het sociaal onrecht van het negentiende eeuwse baksteenbedrijf werdween stilaan door de baksteennijverheid die meer met kapitaal dan met mensen werkt.

Besluit van dit overzicht

In dit laatste cursief je denken we aan de mensen die hier vroeger hebben geleefd. In de wildernis leefden slechts enkele jagers en vissers. De eerste nederzetting “het Laathof van Immerseel” begon omstreeks 1300. In 1526 leven hier amper 70 gezinnen. Zestig laar later worden ze verdrongen door de strijd van Willem de Zwijger tegen Spanje. Daarna leven hier meer wolven dan mensen.

Rond het jaar 1600 herbegon de geschiedenis, met ongeveer 600 inwoners in 1611. Gedurende twintig jaar doorstaan ze plundertochten uit Holland, de Spaanse Furie en daarna de pest-epidemie (1630-1636). Pas in 1645 heeft Boom een eigen schepencollege en twintig jaar later een plaatselijke Heer, Joris Bosschart.

In de jaren 1700 leeft de bevolking van land- en tuinbouw en van de ambachtelijke verwerking van de opbrengsten, met een schamele bijverdienste in de opkomende steenbakkerijen. Voor het einde van die eeuw is de Brabants Omwenteling losgebroken en heeft de Franse Revolutie gewoed.

Na 1800 begint de baksteennijverheid te overheersen met zwoegende mannen, vrouwen en kinderen, onder onvoorstelbare sociale wantoestanden en de aanslepende plagen van thyphus, pokken en cholera. Dat hebben ze doorstaan na de oorlogsellende rond het einde van de Franse Overheersing en van het Hollands Bewind.

Want doorheen alle miserie is de Boomse bevolking aangegroeid van 1.677 in 1816 tot 15.863 in 1900. Al was het leven lastig, toch gingen ze er in op. Hun levenswil en levensmoed werd gedragen door onderling hulpbetoon, soms uitbundig volksleven en gezamenlijke inspanning voor lotsverbetering.

“Nu zijn we jaren verder. We hebben ons “verbeterd”. Niemand van ons verlangt nog naar die “goede oude tijd” met sociale onrechtvaardigheid en bittere armoede”. Dat schreef Alex Vinck in 1975 (Boom tussen de twee wereldoorlogen, blz. 122). Hij zinspeelt op enkele verbeteringen, maar betreurt terecht dat “ons hart is verzwakt.

Op die lange weg naar welvaart zijn we als mens verkild … Solidariteit, menselijk medegevoel, het is onderweg allemaal een beetje gestorven.” Ik denk dat de samenleving in ontbinding viel, omdat tegelijk met het godsbewustzijn ook de godsdienstzin is vervaagd. In plaats van op te gaan in Godsdienst tot heil van mens en wereld, riskeert men te vervallen in heilloze zelfdienst.

Zodra we de welvaart en het welzijn echt christelijk leren beleven, kan een nieuwe samenleving openbloeien.

  1. geboren Raymond Roelandts werd geboren op vrijdag 27 december 1912 te Boom en overleed te Reet op dinsdag 12 december 1995. In het jaarboek 1995-1996 verscheen een artikel over hem 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Geschiedenis van de gemeente Boom