De Sint-Petrus-en Pauluskerk te Schelle

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1991-1992
Geleid bezoek op 15.12.1991 door Jos Verlinden
(Foto: W.Peeters)

Het Kerkgebouw

Over de stichtingsdatum en de bouwstructuur van de oorspronkelijke Schelse kerk – de bekende geschiedschrijver J.B. STOCKMANS noemt haar de kerk van Schelleburd – is ons door gebrek aan adekwaat archivarisch en iconografisch materiaal niets met zekerheid geweten.

Om dit historisch interessant gebouw, dat tot het oudste patrimonium van de Rupelstreek behoort, beter te leren kennen en waarderen, zijn we dan ook verplicht ons tot andere bronnen te wenden.

Vooreerst zou een grondig archeologisch onderzoek, zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde van de kerk ons heel wat gegevens kunnen verschaffen over de konstructie van de primitieve kerk en de latere. Bij dit spitten naar het verleden zal men terdege rekening moeten houden met de ernstige bodemverstoring, die in 1850 bij de vloerwerken is ontstaan, toen men alle graven in de kerk heeft leeggehaald en de zerken ervan heeft verwerkt in de bevloering aan de zijmuren en in de twee nieuwe portalen aan weerszijde van de toren. Later werd dan nog het oude kerkhof rondom de kerk opgeruimd en overgebracht naar de huidige begraafplaats.

Zonder vooruit te lopen op de resultaten van zulk onderzoek,
mocht het ooit gebeuren, vermoeden we toch dat de huidige kerk grotendeels gebouwd is op de fundamenten van de oude kerk, die wel kleiner was en niet breder dan de actuele middenbeuk, en natuurlijk volledig oost-west georiënteerd was.

Wegens haar ligging direkt aan de waterkant van de rivier – in de vorige eeuw kwam het water van de Hamer aan de Vliet nog tot aan de noordermuur – én wegens haar patroonheilige, Sint Petrus, zou ze kunnen behoren tot die rij van kerkjes, die Sint-Amandus hier omstreeks 650 langs de Schelde-oevers heeft neergezet.

Maar om te passen in die reeks zou ze ook moeten liggen aan een
herkenbare vroegmiddeleeuwse baan, wat ze schijnbaar wel doet. Maar de weg, de oude Sheerenstraete, nu de Provinciale Steenweg, die achter de kerk loopt van Antwerpen naar het veer op de Rupel, is in dit tracégedeelte niet ouder dan de vijftiende eeuw. De oudere weg liep toen over het Zinkval langs het hoger gelegen gedeelte van Schelle naar de Vier Palen.

Het is langs deze nieuwe weg dat de eigenlijke dorpskern van Schelle is ontstaan en zich verder heeft ontwikkeld.

De enige oude weg, die aan de kerk liep, was de huidige Dendermondestraat, die de verbindingsweg moet geweest zijn met dit gedeelte van het dorp en het veer of de doorwaadbare plaats op de rivier.

De kerk, opgetrokken aan de rand van het grondgebied op een stuk grond, dat voor de landbouw ongeschikt bleek en daarom de Kwade Hoek werd genoemd, stond dus geheel buiten de toemalige woonkernen.

Het is zeker geen vicus, maar een domaniale kerk, gebouwd door de heer van het naburige domein, die belang had bij de oude baan, de Termontse straete.

Volgens meer vastere lokale aanduidingen zou die heer de abdij van Lobbes (bij Thuin aan de Samber) zijn, die het grote domein, het “condacum castrum super scelt” (waarvan Schelle maar een deel
was), van Sint-Renilde had gekregen in de loop van de 7de eeuw.

Zo werd de patroonheilige van de kerk van Schelle bepaald door het patronaatschap van haar bouwheer, de Sint-Pietersabdij van Lobbes, en verwijst hij niet naar de invloed van Sint-Amandus in Gent. De abdij van Lobbes was de eigenaar en de beschermheer van de kerk, benoemde en betaalde de pastoor en inde bijgevolg ook alle inkomsten van die kerk, die wij als tienden kennen.

Het burgerlijk gezag over dit domein, wat een niet zo duidelijke en evidente zaak blijkt te zijn, zou uitgeoefend zijn door een daartoe gedelegeerde leek, een soort gouverneur, die wegens de afstand van de abdij, niet van dichtbij kon gecontroleerd worden.

Gedurende de invallen van de volksstammen uit het Noorden, en dat waren niet allen de Noormannen, maar ook de Friezen, kwam de gehele streek in handen van die leken, die dus onrechtmatig alle rechten opeisten. De vroegere plaatsvervangers werden de heersers en zouden mee de geschiedenis bepalen.

Na die onzekere periode van verval en vervreemding kwam er een tijdperk van herstel en restitutie, de grote gregoriaanse hervorming. Zo werd de kerk van Schelle met haar voorname inkomsten geschonken aan het Mechelse Sint-Romboutskapittel, dat door
Notker, de eerste prins-bisschop van Luik, aldaar werd geÏnstalleerd. Die schenking werd in 1147 nog eens plechtig bevestigd door Nicolaus, de bisschop van Kamerijk. Want, tot aan de oprichting van het bisdom Antwerpen in de 16de eeuw onder het be- wind van de Spaanse Habsburgers, behoorde de Schelse kerk, zoals alle andere uit onze streek, bij het bisdom Kamerijk. Schelle viel later onder het bisdom Antwerpen, Boom onder het nieuwe
aartsbisdom Mechelen.

De Sint-Pieterskerk van Schelle stond te Kamerijk geboekt als een ecclesia maior, dit is een hoofdkerk of een kerk die met een goed inkomen van geen enkele andere kerk afhing en dus ook geen stichtingscijns moest betalen. In de lokale geschiedschrijving wordt met deze weinige, maar belangrijke gegevens veel te weinig rekening gehouden.

Hoe het primitieve kerkje, in hout of in steen, in de loop der tijden is geëvolueerd, kan moeilijk gezegd worden. Bij het einde van de vijftiende eeuw – dit is de tijd dat de Molenbrug en de Steenweg werden aangelegd en de dorpskern tot ontwikkeling kwam zou onder pastoor Jan PELLE het middenschip van de kerk volledig herbouwd zijn in gotische stijl. Werden de zijbeuken er later aan toegevoegd? De meeste pilaren uit de hoofdbeuk stammen uit die tijd. Bij de laatste herbouwing van de kerk zou men in één ervan het jaartal 1472 hebben gevonden.

Vijftien jaar later in 1487, was er de grote brand, die het dorp en de kerk verwoestte. Hij werd aangestoken door de soldaten van het Franse regiment, dat onder leiding van Willem van Kleef de Duitse troepen van Maximiliaan van Oostenrijk hier kwam verjagen. Na de vroegtijdige dood van zijn echtgenote, Maria van Boergondië, had Maximiliaan om zijn aanspraak op Vlaanderen te ondersteunen zijn leger aan de grens van het Duitse Rijk en dit Vlaanderen samengetrokken.

Door de aanleg van de nieuwe steenweg was het dorp van Schelle, aan de grens van het Rijk gelegen én aan de samenvloeiing van Rupel, Vliet en Schelde, nog van groter belang geworden als voordien.

Het dorp heeft trouwens twee plaatsjes waar nog regelmatig troepen zullen gelegerd worden: het Fort aan de Muien en de barakken aan het Tolhuis. Van die legeraanwezigheid vinden we nog een spoor terug in de kerk, waar een grafzerk ligt van een ter plekke overleden officier: “Peeter Bonne alias La Roose forier vande compagnie vande heere Brock generale wachtmeester ende oversten van syn mayiestt”.

De vraag in hoeverre de kerk na die brand of hersteld of misschien gedeeltelijk herbouwd werd, kan met de schaarse gegevens , waarover we nu beschikken, niet afdoend beantwoord worden.

Nog geen eeuw later beleeft de bevolking van ons gewest haar triestigste en slechtste tijd, “de troebelen des lants”, de Hervormingsstrijd en de scheuring van het aloude vaderland. In 1566 komen vanuit Antwerpen de gewelddadige Beeldenstormers naar hier afgezakt en plunderen met al hun fanatisme de kerk en de naburige abdij van Hemiksem. In die woelige jaren brachten de Schellenaren nog de moed op om in 1577 hun kerktoren te herstellen. Twee jaar later, anno domini 1579, wordt het nog erger. Dan verschijnen hier de Zwarte Ruiters van Maarten van Rossem, die kerk en kluis, erf en goed hebben zwart geblakerd.

Onder het Twaalf jarig Bewind (1609-1621) van de aartshertogen Albrecht en Isabella gebeurde de wederopstandig van natie en maatschappij: de triomfantelijke Contrareformatie en de onafhankelijkheid van het land. Ook Schelle herstelde zich, de kerk herrees langzaam uit haar vernieling. Het huidige middenschip, met de aangeduide relicten uit de vijftiende eeuw, werd dan gebouwd. Waarschijnlijk ook het koor, dat misschien wel iets ouder zou kunnen zijn. Ook de fraaie bovenbouw van de toren dateert uit die tijd: de lantaarn en de slanke torenspits, die kort na zijn oprichting werd scheef geblazen door een stormwind.

Uit het Manuale van pastoor WILLEMSENS noteert pastoor BALS nog:
“De clocke is hergoten 1607 de kerk heeft by geleyt 106 gl” en “de gelasen syn ingeset inden hoog en choor 1606”. In 1613 was de kerk al zo ver klaar voor de eredienst dat de Antwerpse bisschop VAN MALDEREN (Malderius) ze opnieuw kon inwijden.

Het jaar nadien konterfeitte Jan BREUGEL de OUDE haar op zijn beroemd paneel met zelfportret, Het Dorp aan de Rivier, dat in het Kunsthistorisch Museum te Wenen is opgehangen. Hierop verschijnt ze als een volwaardige dorpskerk met toren en twee
kruisbeuken.

Omdat de kerkschat of geroofd of verkocht was om de belastingen te betalen, die de Staatsen het dorp hadden opgelegd, kon de wederopbouwen verfraaiing van de kerk maar geleidelijk gebeuren. Zo vinden we in het Manuale van pastoor WILLEMSENS een lijstje met onder meer de volgende items:
– “het crucifix boven den hooghen choor met der belden heeft gecost met den arbeyt en besteden 114-9 en neghentien stuyvers is door de heere (jammer genoeg onleesbaar) tot mechelen ghemaeckt int iaer 1640;
– het schele over de vunt is ghemaeckt 1647 cost 14 st;
– de communiebanck is ghemaeckt 1652 en is lanck 23 voeten ieder voet 33 st comt 37-19;
– de heckens van de choor syn ghemaeckt 1655 heeft gecost 5-0; – de schildery in de vont cost 10 gl int iaer 1657;
– den nieu tabernakel 1659 cost 24 gl;
– den vergulden lijst van den hooghen auter cost 12-5, 1663;
– de schildery in de hooghe choor cost 200-5 1/2 int iaer 1664; – aen schrijnwerk van de schilderije 12 gl behalvens de lijst; – aen hout tot den vergulden lijst 5 gl”.
Zo krijgen we een mooi overzicht van de noeste arbeid die de plaatselijke geestelijkheid heeft verricht om de kerk te verfraaien. Wil wel noteren dat al de opgesomde stukken en werken uit de Schelse kerk zijn verdwenen en niet meer behoren tot het huidig kerkmeubilair.

Want dit meubilair is wel oud van oorsprong, maar werd niet voor de kerk vervaardigd. In de jaren 1700, de 18de eeuw, is dus het kerkinterieur grondig veranderd. Het oude altaar werd vervangen door een nieuw, barok van stijl. Een preekstoel werd besteld en een orgel geïnstalleerd.

Toen de Oostenrijkse keizer-koster Jozef 11 de vele kloosters van de complatieve orden heeft opgeheven en besloot hun goederen te likwideren, heeft de Schelse geestelijkheid daarvan gebruik gemaakt om te Antwerpen twee fraaie biechtstoelen, een in hout gesneden communiebank en een eenvoudig mooi koorgestoelte aan te kopen. De meubelen werden per schip aangevoerd en gelost aan de kade van de Hamer, de aanlegplaats van de Vliet, vlakbij de kerk.

Zoals de meeste kerken in de omtrek is de kerk van Schelle tijdens de Franse Revolutie een tijdje gesloten geweest. De pastoor moest dan zijn werk in het geheim doen. Uit die tijd dateert het loden kelkje, dat lange tijd in de kerk werd bewaard, maar dat onder het pastoorschap van Jan MOENS is verdwenen.

Onder het Franse regime werden de kerkelijke registers opgevraagd. De pastoor heeft ze toen met de hulp van enkele monniken uit de abdij in verkorte vorm overgeschreven. De officiële doop-, trouw- en overlijdensregisters bevinden zich nu in het Rijksarchief, de kopies worden bewaard in het kerkarchief.

Onder de regering van koning Willem I (1814-1830) stelde pastoor BALS vast dat de kerk zo vervallen was, dat een volledige wederopbouw als onvermijdelijk werd geacht. De noordermuur was door het opstuwende water van de nabije Hamer zo bouwvallig geraakt, dat hij moest onderstut worden. Op die plaats was hij ook zo slecht dat hij niet meer het dak behoorlijk kon ondersteunen. Het regenwater sijpelde daar langs alle kanten binnen.

Volgens pastoor BALS  was de kerk ook te klein geworden – de parochie telde toen een vijftienhonderd zielen – en had ze ook te veel daken (acht) om behoorlijk te worden onderhouden.

Die gegevens werden door pastoor BALS schriftelijk vastgelegd in zijn al te bondig verhaal over de opbouw van de kerk. We kennen ze ook uit de mondelinge overlevering, opgetekend bij de oude Schellenaars. Uit de toon waarmee zij dit verhaal vertelden, kon men duidelijk opmaken dat pastoor Bals moet overdreven hebben. Maar is er bij sommige groepen niets blijven hangen van de vete, die later tussen een gedeelte van het dorp en de pastoor is ontstaan?

Door de politieke verwikkelingen – het koninkrijk België was intussen ontstaan – zal het tot in 1843 duren eer men de eerste inschrijvingslijsten zal openen om het benodigde geld bijeen te verzamelen voor de wederopbouw van de kerk. Na de publieke aanbesteding begint men met de geleidelijke afbraak van de kruisbeuken en de zijmuren van het kerkschip. Het koor met het barokke altaar blijven gelukkig overeind. Tegelijkertijd wordt volgens het plan van de provinciale bouwmeester BERCKMANS het nieuwe middengedeelte op bakstenen muren opgetrokken.

Het interieur werd hierdoor vergroot. De kruisbeuken verdwenen en de kerk geeft de indruk een zaal kerk te zijn. Wie aandachtig toeziet, merkt dat de architect iets van de kruisopbouw van de oude kerk heeft willen bewaren, zij het, volgens mij, op een zeer ongelukkige en zelfs onesthetische manier.

De voorste bogen werden aangepast aan de twee nieuwe pijlerbundels vooraan het koor, waarin een oude pilaar werd verwerkt. De gehele ruimte kwam onder één dak te liggen, wat de oorspronkelijke opzet van pastoor BALS was. De kerkvloer en de sacristie waren niet in dit project begrepen. Ze werden later uitgevoerd, in een eenvoudiger gedaante dan het plan van BALS voorzag. De discussie hierrond heeft in de gemeente tot een scherp konflict, ja zelfs tot een diepe vete, geleid tussen de burgemeester en pastoor BALS.

Na de verbouwing van de kerk hadden de latere pastoors gezorgd voor een kruisweg en voor de glasramen. De laatste zijn gedeeltelijk schenkingen van de notabelen van het dorp en stellen daarom hun patroonheiligen voor. Het merkwaardige van die glasramen, als
men dat zo mag noemen, is dat ze volgens de geest van de tijd werden geplaatst: de vrouwen en de mannen elk langs hun kant.

In de toren kan men nog aan de buitenzijde een klein laagje van de oorspronkelijke steen waarnemen, want de toren werd gerestaureerd met de huidige witte steen, die in Boechout zou zijn gekocht.

De veranderingen, die pastoor BALS heeft doen uitvoeren, hebben van de fraaie kerk van het dorp aan de rivier een grote boerenschuur gemaakt. Ze hebben ze deerlijk en onherstelbaar verminkt, geschonden in haar gelaat. Gelukkig hebben we nog de binnenzijde met zijn ongekend houtsnijwerk.

Het kerkinterieur

Of, voor de verbouwing van 1844, het interieur van de Schelse kerk ergens volledig werd beschreven of afgebeeld, blijft nog altijd een open vraag. Uit het kerkarchief kennen we wel het bestaan van twee verdwenen altaren: het Sint-Katrien en het Sint-Sebastiaanaltaar of het altaar van de Oude Gilde, maar hun plaats in de kerk was zelfs niet meer gekend door pastoor BALS, die om zijn vele processen te kunnen voeren als geen ander het kerkarchief heeft uitgepluisd en die over veel meer, intussen verdwenen, documenten kon beschikken dan wij nu. “Ubinam autem fuerint hae duo altaria invenire non potui.” (Waar die twee altaren stonden, heb ik niet kunnen vinden).

Wel hebben we van hem een verklaring dat op het grondplan voor de verbouwing van de kerk het tracé van de oude kerk, dat het interieur van die kerk grotendeels mee heeft bepaald, door de architect BERCKMANS in het geel werd weergegeven. In het rood stonden de nieuw te bouwen stukken en in het zwart wat men van de oude kerk ging bewaren. Dit interessante originele plan is nog niet weergevonden. We beschikken wel over een kleine beschrijving van de uit te voeren werken, die de architect op de 10de september 1843 heeft opgesteld. (Description sommaire de quelques travaux d’urgence et d’agrandissement à faire à l’église de Schelle).

Gelukkig gingen bij die verbouwing de drie voornaamste altaren, dit ter ere van Sint-Pieter en Pauwel of het hoofdaltaar en die van Onze-Lieve-Vrouwen de heilige Lucia, niet verloren en droeg men zorg over het meubilair, dat in de vorige eeuw door de kerk was aangekocht. Het voornaamste gedeelte van dit meubilair – we vermoeden dat het hier om de kommuniebank, het koorgestoelte en de biechtstoelen ging, ofschoon bepaalde gegevens er tegen pleiten  werd voor de duur van de werkzaamheden opgeborgen in een magazijn voor meubelbewaring.

Het zijn doopvont kruisweg, speciale, interieur ontstaan, gewesten,
niet de minder belangrijke neogotische portalen en en de later aangebrachte neogotische glasramen en maar uitsluitend de fraaie barokke gedeelten, die de religieuze en artistieke sfeer van het Schelse kerk bepalen en uiteraard verwijzen naar de tijd van hun de triomfantelijke tijd van de wederopbouw van onze de Contrareformatie.

Spijts de ongelukkige ingreep in de buitenstructuur van het
gebouw, die onvermijdelijk het aanzien van de binnenkant heeft veranderd, blijft dit kerkmeubilair de zin en de funktionele waarde van de binnenruimte onderstrepen, namelijk kerk, dit is een bid- en verzamelplaats, te zijn. En we zijn gelukkig te mogen vaststellen dat de aanpassing, die na het Tweede Vatikaans Concilie noodzakelijk bleek, in diezelfde geest is gebeurd, die nog in de kerk is blijven hangen. Zoals we de kerk hebben geërfd van onze voorouders, zo willen wij ze ook doorgeven aan het nageslacht.

Het hoofdaltaar

In 1894, het jaar waarin voor het eerst een boek over de geschiedenis van Schelle werd gepubliceerd, deed ook het Schepencollege,
onder leiding van burgemeester A. STEENACKERS, een aanvraag om de Schelse kerktoren te laten klasseren als monument. Wat dan ook enkele maanden later prompt gebeurde. Kort daarna volgde een gron- dige restauratie van de geklasseerde toren volgens de toen geldende normen, de voorschriften van de neogotische school.

Die strekking, waardoor veel goeds tot stand is gekomen maar ook, helaas, heel veel schoons teloor is gegaan, had een totalitair karakter gekregen en beïnvloedde zo het liturgisch leven van die tijd. De pastoor van Schelle zal in die geest zijn Kerkeraad laten besluiten om in het gotisch koor van zijn kerk het grote barokke altaar te laten vervangen door een aan de stijl meer aangepast en liturgisch beter verantwoorde, neogotische offertafel, waarop een fraaier tabernakel kon geïnstalleerd worden onder een in steen gebeeldhouwd baldakijn.

De plannen en schetsen werden door een Antwerpse beeldhouwer opgemaakt en door de Kerkfabriek goedgekeurd en voor uitvoering in orde gebracht, toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en het prachtige, unieke barokaltaar van de Sint-Petrus en Pauluskerk te Schelle van onder de neogotische sloophamer werd gehaald. Na het einde van die oorlog is men gelukkig tot een ander inzicht gekomen en werden de plannen wijselijk in hun dossier opgeborgen.

Dit altaar werd in 1718 onder het pastoraat van Joannes HOOFTMANS uit Roosendaal door de Schelse magistraat, “den Edelen Heere Gansackere, heere van Schelle etc beneffens die schouteth ende schepenen”, besteld bij de Antwerpse beeldhouwer Alexander VAN PAPENHOVEN (1669–1759) voor de “somme van negenhondert guldens wisselgel t maeckende in courant geld de somme van 1050 (gulden)”. Die som werd bijeengegaard door fondaties voor gestorven parochianen, de verkoop van kerkgrond, “het vercocht bempdeken gelegen onder Ruijsbroeck”, en partikuliere giften van enkele Schelse notabelen.

Alexander VAN PAPENHOVEN was als leerling van Artus QUELLIN de Jonge te Antwerpen in 1698 meester geworden. Met Thomas QUELLIN, de zoon van zijn leermeester, trekt hij voor enige tijd naar Denemarken, keert dan naar zijn geboortestad terug en wordt er in 1715 deken van de Sint-Lucasgilde. Hoewel de man een hoge leeftijd heeft bereikt, veel heeft kunnen produceren en aan het hoofd van de gilde heeft gestaan, is er over zijn leven en werk relatief heel weinig geweten.

Te Antwerpen vinden we van hem in de kathedraal het houten gestoelte van de Mariakapel, in de Sint-Pauluskerk een calvarieberg en in de oude jezuïetenkerk, de Sint-Carolus-Borremeus, de kommuniebank van zijn hand. Ook de Leuvense Sint-Pieter bezit een kommuniebank van zijn hand. Kenmerkend voor al die werken is de een- voudige, maar sierlijke uitvoeringsstijl als een artistieke reaktie tegen de benadrukte overdadigheid van de volle barok, een soort van cisterciënzer-barok dus.

Waarschijnlijk is het sobere Schelse hoofdaltaar het enige stuk in dit genre, dat we van die houtsnijder nog bezitten. Het is daarom alleen al een waardevol stuk voor de nationale kunstgeschiedenis.

Maar in zijn huidige vorm stemt het niet meer overeen met het orginele altaar zoals het door VAN PAPENHOVEN werd ontworpen en gebouwd, en dat we kennen uit een gravure, die in het Stedelijk Prentenkabinet van de stad Antwerpen wordt bewaard. Het oorspronkelijke altaar was sierlijker en zwieriger van lijn. Het bestond “uit een middenstuk” voorbehouden voor een schilderij “geflankeerd door twee naar voren gebogen portieken. Naast dit altaar knielde aan weerszijde een engel. Voor de portieken staan de beelden van Sint-Petrus en Paulus, waarboven een paar engeltjes, die respectievelijk de tiaar en een (verdwenen) zwaard en trompet dragen. Dit altaar werd bekroond door een baldakijn, waaronder God de Vader met twee engelen”. (Beschrijving volgens de huidige kerkinventaris).

Bij de verbouwing van de kerk in 1814 werden aan beide portieken een zuil toegevoegd en verdwenen de knielende engelen zonder enig spoor na te laten. Men verhoogde de bekroning van het altaar. Die voor ons onbegrijpelijke ingreep heeft de oorspronkelijke lijn en charmante opbouw van het altaar grondig gewijzigd.

Dit altaar is volledig uit hout gemaakt, dat op een zeer bekwame manier werd gemarmerd. Het zou oorspronkelijk van een diepe donkere tint zijn geweest, hoewel pastoor HOOFTMANS schrijft dat hij heeft “betaelt op den 24 9-ber (september) 1718 aen N.Neckkers eene somme van negen-en-twintigh guldens elff stuyvers en twee oorden ende dat over gewit te hebben de nieuwen hoogen autaer”. Wat met dit witten precies bedoeld wordt, is ons onduidelijk: gaat het over de muren van het koor of over de grondlaag van het altaar? Latere overschilderingen zouden het altaar een meer lichtere tint gegeven hebben.

De kapitelen van de zuilen zijn klassiek korintisch en dragen de even klassieke acanthusbladeren.

De knappe expressievolle uitbeelding van de twee apostelfiguren kan gewaardeerd worden door iedereen. Petrus draagt de sleutels van het Koninkrijk en steunt op zijn omgekeerd kruis met naast hem de onafscheidbare haan. Paulus draagt, zoals een Mozesfiguur de stenen tafelen, een boek met de volgende tekst:
links: cui honor et gloria in saecula saeculorum. Amen. Finis epistolae ad Roma(nos).(aan wie de eer en de glorie door de eeuwen heen. Amen. Einde van de brief aan de Romeinen).
rechts:EPISTOLA BEAT(I) PAULI APOSTOLI AD CORINT(HOS) PRIMA CAPUT PRIMUM. Paulus vocatus apostolus Jesu Christi. (Eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de Korinthieërs Eerste Hoofdstuk. Paulus, geroepen als apostel van Jezus Kristus).

Die tekst werd niet willekeurig gekozen, het is een citaat zonder weglatingen. Door het gebrek aan kennis én van het latijn én van de Schrift ontgaat ons, moderne mensen, de finesse van deze knappe en efficiënte tekstkeuze door de kunstenaar. Hij laat Paulus verschijnen met zijn iconografisch teken bij uitstek in de hand, het boek. Op de bladzijden ervan projecteert hij een korte tekst,
het einde en het begin van twee elkaar opvolgende belangrijke epistels, waardoor hij het hele werk van Paulus kan typeren. Als apostel van Jezus Kristus heeft Paulus zijn predikatie en doordachte uiteenzettingen neergeschreven ter onderrichting van de heidenen met als enig doel de blijvende eer en glorie van God. En in de hele kontext van Reformatie en Contrareformatie, waarin men toen nog leefde, is het citeren van de Brief aan de Romeinen ook niet zonder betekenis.

Het centraal gedeelte van het altaar wordt gevormd door een schilderij op doek, dat in een vergulde kader ingepast boven de predella (versierd stuk boven de altaartafel) werd opgehangen en langs de zijkanten van het inspringende tabernakel, als met twee geopende benen, naar beneden komt. Dit geeft aan het schilderij een ietwat bizarre, ongewone vorm, waardoor de kompositorische opbouw van het tafereel voor de schilder problematisch werd.

Het stelt Kristus voor, die onder een wuivende palmboom en enkele apostelen op de achtergrond aan de knielende Petrus de sleutels van de Kerk geeft. Onderaan rechts is het gesigneerd en gedateerd.

Over de datum, 1719, bestaat geen enkele betwisting, over de schilder wel. Volgens STOCKMANS, en na hem al zijn naschrijvers – ook de auteurs van verschillende officiële en deskundige rapporten – zou dit doek geschilderd zijn door een zekere ROOMS, waarover geen enkele inlichting kon gevonden worden. Dat zal ook nooit kunnen want STOCKMANS heeft zich vergist bij het lezen van de naam. Of heeft hij zich op de mededeling van een ander gebaseerd ? Zonder veel ingewikkelde krullen is op het schilderij duidelijk leesbaar de naam van DE ROOVER (de DE is in de R gewerkt en de laatste r loopt een beetje uit). Om alle twijfel weg te nemen kunnen we pastoor HOOFTMANS raadplegen. Hij schrijft: “Betaalt op den 1° februarij 1719 aen d’h. De Roover eene somme van hondert ende veertigh guldens courant ende dat in voldoeninge van de schilderije van den voors. grooten nieuwen autaer volgens quitantie ende het accordt”.

Consultatie van de grote naslagwerken terzake en navraag bij enkele deskundigen van de kunstmusea leverden over de plaats van
herkomst, het leven en de verdere werken van deze schilder geen enkele inlichting op. Voorlopig blijft hij een onbekende schilder van de 18de eeuw. De kwaliteit van het schilderij benadert niet die van het houtwerk van het altaar.

Ander kerkmeubilair

Buiten de preekstoel en het geklasseerde Van-Pethegemorgel, die beiden speciaal voor de kerk werden besteld, is al het ander meubilair tweedehands aangekocht.

Zowel de biechstoelen, waarvan de oorsprong onbekend is, als de communiebank en het koorgestoelte – in 1844 in stukken gezaagd -kwamen onder het bewind van de Oostenrijkse Keizer-Koster, Jozef 11, het patrimonium van de kerk verrijken. Ze stammen uit Antwerpse kloosters van kontemplatieve orden, die toen werden gesupprimeerd. We bewonderen hierin vooral het fraaie houtsnijwerk.

Een hoofdstuk apart vormen de schilderijen van de kerk. Eén ervan, de Marteling van Sint Sebastiaan, werd lange tijd ten onrechte toegeschreven aan Antoon VAN DIJCK.

Tot de bezienswaardigheden van de kerk behoren zeker de vele nog aanwezige grafstenen, waaronder een paar merkwaardigen, o.a. die van de kleine Nicolaus SUYS uit het Laarhof, die buiten in de muur van de toren werd gemetseld en daar, jammer genoeg, te verweren hangt in weer en wind. Zijn prachtige skulptuur met het latijnse kronogram van zijn overlijden werd bijna volledig uitgewist. We hopen in de volgende uitgave hierop uitvoerig terug te komen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Geschiedenis van de gemeente Boom