Herinneringen aan de Rupelzonen

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1991-1992

Door Paul Van der Roost

Vanaf mijn prilste kinderjaren bewaar ik duidelijke herinneringen aan de “Rupelzonen” van Boom. Dit is niet verwonderlijk: mijn ouders waren zeer muzikaal en langs moederszijde waren twee broers spelend lid van de harmonie geweest. Emiel De Raeymaecker (mijn peter) speelde contrabas en koperinstrumenten. Hij was tevens een verdienstelijk begeleider op klavierinstrumenten en in zijn vrije tijd “kapte” hij boeken voor orgels. Nonkel Juul hield het bij contrabas, hoewel hij soms grote trom sloeg. Nonkel Emiel moest om gezondheidsredenen tamelijk jong het actieve muzikantenleven stopzetten en nonkel Juul, die bakker was, kan zich niet voldoende vrijmaken. Op de prachtige groepsfoto, genomen in 1927 (achter het Rupelhotel) prijkt nonkel Juul met zijn zware contrabas uitgerekend naast Isidoor Faucompret met zijn piccolo. Op die foto staat ook een aangetrouwde nonkel op de rij van wat men in Boom de “boembardons ” noemde: Leon De Decker, vader van de bekend geworden bas-baryton Edward De Decker.

Dan was er ook nonkel Gust Laureyssens, gehuwd met de oudste zuster van mijn moeder en broer van Frans, de grootvader van de huidige voorzitter. Nonkel Gust was nooit spelend lid van de harmonie geweest, maar wel van de “Fanfare van Noeveren”, een vrolijke satelliet van de Rupelzonen. Volgens zijn eigen woorden had nonkel Gust “een alto vastgehouden”… Nochtans: hij was zeer muzikaal en zeer geboeid door het Boomse muziekleven. Nonkel Gust was zeer bevriend met mijn vader en toen ik, na diens vroegtijdig overlijden in 1940, lid werd van de Rupelzonen, heeft hij mij  meermaals zakgeld toegestoken en ook op andere gebieden gesteund.

Het is dus geen wonder dat in heel onze familie veel over muziek en over” de” harmonie werd gesproken. Di t alles werd gestimuleerd tijdens de periode 1930/1940 omdat, naar ik vernam en ook deels meemaakte, de harmonie floreerde als nooit tevoren.

Zover mijn geheugen reikt: wij hadden thuis steeds een radiotoestel en toen in het midden van de dertiger jaren de crisis toesloeg en de werkloosheid toenam, waardoor voor gewone werkmensen de herstelling of vernieuwing van radio’s niet meer haalbaar was, installeerde men in de Kerkstraat de “Radiocentrale”. Dit initiatief kende veel succes en de muziek klonk van ’s morgens tot ’s avonds ! De “Distributie” wakkerde de belangstelling voor muziek en cultuur in ’t algemeen aan bij vele Bomenaars. In die tijd was dat alles zeer uitzonderlijk. Men kan zich dat nu niet meer voorstellen.

Van nonkel Leon De Decker (spelend lid tot 1940) vernam ik nauwkeurig alle activiteiten van de harmonie: concerten en uitstappen. Naar de jaarconcerten in de zaal “Apollo” mocht ik mee met mijn ouders, evenals naar de “kioskconcerten”. De uitstappen volgde ik op de voet of stond afwachtend nabij de kruispunten.

Twee “piek”-prestaties van de Rupelzonen staan mij nog bijzonder helder voor de geest:
1) De uitvoering van de “Ouverture 1812” (Tsjaikowsky) samen met een groot gelegenheidskoor, voorbereid door bestuurslid De Meulenaere. Deze dirigeerde het koor bij enkele liederen a capelia, ondermeer het “Wees Gegroet” van Wambach.
2) De korps- en stapwedstrijden in Wechelderzande (1939).
Voor de stapwedstrijden oefende men op de “koer” van ’t college in de Brandstraat. Ik volgde het tweede jaar van de Muziekschool en oefende sinds september op de piccolofluit. Vooral de mars “Die Nibelungen” imponeerde mij fel. De piccolopartij kon ik geheel meefluiten.

Ook in het Rupelhotel maakte ik enkele gedeeltelijke repetities mee: sommige muzikanten hielden eraan rechtstreeks naar het repetitielokaal te gaan zonder te passeren langs “de café”. Vanaf de trapzaal heb ik meermaals de herhalingen “gehoord”. Een der wedstrijdwerken was “Dionysos” van Marcel Poot. Hoe hebben de Rupelzonen daaraan gezwoegd! Ik kon toen niet vermoeden, dat ik al die vernoemde werken en nog vele andere later zeer dikwijls zelf zou meespelen.

DE MUZIEKSCHOOL EN DE HARMONIES VAN BOOM

Dirigent De Laet was tevens directeur van de Gemeentelijke Muziekschool. Jef Maes dirigeerde de socialistische harmonie “Vooruit” en Jan De Wachter dirigeerde de liberale “L’Union”. Beiden waren leraar aan de school. Frans Tollenier, onderchef van de Rupelzonen, gaf er eveneens les. Men kan zonder overdrijven stellen, dat de drie Boomse harmonies geleid werden door zeer bekwame dirigenten. Toch was er een kwaliteitsverschil tussen de harmonies onderling. Dat verschil kwam mijn inziens voort uit het feit, dat de jongere muzikanten van de Rupelzonen bijna allen de school volgden en meestal beëindigden, waar vanwege de andere harmonies minder leerlingen opdaagden. Bij de Rupelzonen was er duidelijk méér geld. Men bespeelde er meestal moderne instrumenten, die goed onderhouden werden. In de klarinet-klas van Frans Tollenier konden de leerlingen van de socialistische harmonie met hun verouderde, moeilijk te bespelen instrumenten niet optornen tegen de jongeren van de Rupelzonen. Het werkte deprimerend en velen gaven het spoedig op. Ik heb dat altijd spijtig gevonden, want alzo is veel jong talent verloren gegaan.

De liberale harmonie was niet zo sterk bezet en er waren relatief weinig jonge muzikanten.

In de school zelf was er van politiek of kleur geen sprake. De orkestklas was een bont allegaartje en er heerste een goede sfeer, ook en vooral tijdens de oorlogsjaren.

Als leraar notenleer was Jan De Wachter uniek! Hij gaf de laatste vier (van de zeven) jaren. Hij was een goedhartig, innemend mens. Hij kon vloeken dat alles kraakte om nadien op de meest gemoedelijke, vaderlijke manier verder te gaan. Hij droeg ons in het hart, dat is later ook gebleken. De heer De Wachter was ook een fameus trombonist.

LID VAN DE RUPELZONEN

Jarenlang had ik gehoopt ooit klarinet te spelen. De imposante klarinettengroep van de Rupelzonen was daaraan niet vreemd. Na het eerste jaar Muziekschool kwam Frans Tollenier bij ons thuis om de keuze van instrument te bespreken. Hij liet er geen gras over groeien: “Hij is niet veel groter dan een klarinet, … als we moeten wachten tot zijn vingers dik genoeg zijn, is zijn goesting misschien over …” Frans had gelijk: ik was zeer klein van gestalte en bovendien zeer mager. Alzo begon ik op piccolofluit en na de winter 1940-41 werd ik door dirigent Louis de Laet bekwaam genoeg geacht om “spelend lid” te worden.

Het was oorlog, maar de harmonie repeteerde vrij regelmatig op zondagvoormiddag. Om tijdens de oorlogsjaren een doel aan de herhalingen te geven, besloot men “Repetitieconcerten” in te richten in het Rupelhotel. Voor het eerstvolgend concert was een “Aubade” geprogrammeerd waarin de piccolopartij nogal moeilijk was. Frans Tollenier had de partij er bij mij duchtig ingehamerd en ik was er gerust in. Tijdens mijn allereerste repetitie was dirigent De Laet zo tactvol om na de “opwarmingsmars” die aubade aan te pakken en zo kon ik meteen bewijzen dat ik mijn plaats tussen de uitvoerders verdiende.

Toch heeft het geen haar gescheeld of mijn start werd uitgesteld! Na een opmerking van de dirigent en vlak voor het hervatten, roept Jan Van Dijck (denk ik): “Wacht efkes chef, de Juul moet zijn moustache nog goeleggen.” Algemene vrolijkheid. Op dat ogenblik krijg ik Juul De Bruyn in ’t vizier doorheen het bos van
houten lessenaars. Juul speelde bombardon, dat wist ik al lang. Ik zag hem met zijn rustig maar schalks gelaat, zijn grote snor geperst tegen het al even grote mondstuk van zijn instrument en ik kreeg een eerste lachkramp. Toevallig kijkt Juul ook in mijn richting en hij “pinkt”. Dat was te veel… Ik kreeg de slappe lach, die ik tevergeefs trachtte in te houden. De repetitie ging verder, maar ik slaagde er niet in mee te spelen. Louis De Laet hield op en zei: “Nu serieus newaar” en vergoelijkend tegen de bestuursleden: “’t Is nog een jong ventje, newaar.” Na de repetitie zat ik ietwat verdoken een limonade te drinken. Juul kwam lachend op me af: “Zeg snotter, als ge nog met mijn moustasj durft lachen, zal ik u eens door mijn boembardon trekken enne, als ge limenaat blijft drinken, zult ge nooit ne goeie muzikant worden …”

HET BESTUUR TIJDENS DE OORLOG

Na de kapitulatie op 28 mei 1940 kwam België onder Duits gezag.
Naoorlogse verslaggeving toont aan hoezeer de plaatselijke toestanden konden verschillen. Men kan zich voorstellen hoe delicaat het was voor de bestuursleden om te beslissen: voortgaan of ophouden! Het was vooral moeilijk voor de verenigingen die vanuit hun intrisieke werking bijna onvermijdelijk op de lange, gevoelige tenen van de nazi ’s trapten en die met de dood in het hart tot ontbinding besloten, liever dan zich te compromitteren. Een muziekvereniging daarentegen verspreidt geen uitgesproken tendensen, maar er was zeker veel diplomatie nodig om doorheen de mazen van vele valstrikken te glippen. Het pleit voor de moed en de durf van onze bestuursleden om in 1940 te besluiten er mee door te gaan, zij het op een lager pitje en met uitgedunde gelederen . De volksopvoedende taak ging verder. Benevens Louis Lamot waren de bestuursleden Tobback, De Meulenaere en dokter Van den Bril de pijlers waarop de muzikanten op alle gebied konden rekenen. Het waren integere mensen, aan wie ik met veel dankbaarheid terugdenk.

Tijdens de oorlogsjaren zijn, bij mijn weten, de Rupelzonen nooit op de straat verschenen, behalve in het voorjaar 1943 bij de begrafenis van voorzitter Lamot. Voor deze “publieke” aangelegenheid werd toelating bekomen van de bezettende overheid omdat Louis Lamot ooit burgemeester van Boom was geweest. Ik herinner mij hem als een kleine, levendige en vriendelijke man. Als brouwer genoot hij een grote reputatie en hij was enorm aan de Rupelzonen gehecht. Vele muzikanten werkten op de brouwerij. De rouwdienst was indrukwekkend: alle altaren waren bezet en heel de voorkant van de kerk hing vol zwarte doeken. Wat mij betreft: naast piccolo speelde ik intussen ook dwarsfluit en dirigent De Laet vroeg mij om de treurmarsen op dat instrument te spelen. Ik slaagde er niet in om het armbandje met de muziekpartijen vast aan mijn pols te hechten en ik heb mij scheel gekeken naar de partij van de klarinettist naast mij; bovendien moest ik een toon  lager lezen. Ik heb niet veel noten meegespeeld tenzij “uit de klak”.

Vanaf einde 1943 tot na de bevrijding in september 1944 ging het met de harmonie bergaf. Geen wonder! Men had de pijnlijke vooroorlogse jaren met de mobilisatie gekend; de oorlogsmiserie en de honger begonnen door te wegen. De meeste mensen waren fel vermagerd en leefden op hun reserves. De angst voor een volgende oorlogswinter maakte dat men zich uitsluitend met het noodzakelijke bezighield en men vermeed overbodige inspanningen. De bezetters en hun volgelingen werden alsmaar agressiever en vooral bij de jongeren was er die permanente schrik voor deportatie. Kortom, de moed ging eruit …

Hoewel de oorlog pas eindigde in mei 1945, toch waren wij weer “vrij” sedert september 1944. Zeer langzaam herbloeiden alle activiteiten en voor de Rupelzonen startte een schitterende periode met een reeks top-prestaties, die weinige verenigingen kunnen voorleggen.

Zelf heb ik daarvan met volle teugen genoten, ook letterlijk, en het loont wellicht de moeite die periode onder de loupe te nemen.

BEVRIJDING

De bevrijding op 3 september 1944 betekende het signaal tot heropbloei van het culturele leven. Toch werd die heropbloei afgeremd door het verwarde sociale klimaat, door de terreur van de V-wapens, door tekorten op alle gebied en ook door de onzekerheid omtrent het lot van velen, die om zeer verschillende redenen in
het buitenland vertoefden. De eerste omzendbrief van het Davidsfonds – Boom getuigt van opluchting, nieuwe werkkracht en voorzichtige planning. Uit de tekst:

1. ENGELSCHE LESSEN.

Op aànvraag van vele onzer leden en om ons aan te passen aan de nieuwe eischen van den tijd richt het Davidsfonds een cursus in voor beginnelingen in de Engelsche taal. Deze leergangen zullen gegeven worden elken Dinsdag en Zaterdag van 19 tot 20 uur gedurende 15 wekèn in de bovenzaal van het lokaal<< Rupelhotel>>Vrijheidstraat. Lesgever is de heer Julien Spillemaeckers. Licenciaat in Wijsbegeerte en Letteren. Inschrijvingsprijs 100 fr. voor de 30 lessen (speciale voorwaarden voor twee of meer deelnemers per huisgezin). Eerste les en inschrijving: Dinsdag 24 October te 19 u.

4.FEESTEN.

In Februari en April zullen er feestavonden ingericht worden. waarvoor kortelings het Davidsfondskoor zal. beginnen te repeteeren.

Zooals U ziet. waarde Medelid. wordt de plaatselijke werkzaamheid. nu ze niet meer onderworpen is aan de onzalige voorafgaande aanmeldingen bij de Ortskommandanturen en tutti quanti en niet meer geboycot wordt door allerlel gelegenheids-reglementen en gelegenheids-overheden. met meer brio. met geestdrift en hardnekkigheid aangepakt. vrij en blij. ons volk ten bate.

Dit uittreksel tekent de sfeer in de meeste Boomse verenigingen.
De Rupelzonen hielden het rustig. We repeteerden regelmatig en het aantal muzikanten nam langzaam toe. Ook de Katholieke Vlaamse Toneelgilde stak van wal na lange onderbreking en daar speelden nogal wat Rupelzonen mee in een klein orkest o.l.v. Frans Tolle nier. Met enkele jongeren van de harmonie en enkele anderen speelden we “bal”. Ik had ondertussen ook saxofoon en klarinet geleerd (genoeg om mee te kunnen). We verdienden 35 fr. per uur, wat toen veel geld was. Reiskosten konden we niet inbrengen, want meestal verplaatsten we ons per fiets, ook het slagwerk.

8 Mei 1945 betekende voor (bijna) iedereen en overal de start van een reeks plechtigheden en vooral van volkse feesten. Na méér dan vijf jaren opkropping barstten de gevoelens eruit. De Rupelzonen vierden uitbundig mee! Men kon ons horen en zien in alle hoeken van Boom. De kwaliteit van het bier verbeterde fors en het fluitjesbier verdween. Tijdens die periode werd mijn biertand beter ontwikkeld dan mijn wijsheidstand (dat is zo gebleven).

KWALITEIT

Vanaf mei 1945 groeide de harmonie uit tot een buitengewoon stabiele groep. De herhalingen werden bijna steeds voltallig bijgewoond. Het aantal diensten was beperkt, maar met zorg uitgekozen. De bezetting was goed gestoffeerd en evenwichtig. Bij de Rupelzonen zaten veel “trekpaarden”, waardoor het aanleren van nieuwe werken vlot verliep. Kortom, het was een voorrecht Rupelzoon te zijn. Het repertorium was uitgebreid en vele aantrekkelijke werken werden nu en dan opgewarmd. Dé topper van de jaren 1946 -1950 was ongetwijfeld de “Ouverture 1812” van Tsjaikowsky. In 1948 speelden we deze ouverture als keuzewerk tijdens de wedstrijd te Zwijndrecht. We genoten van de staande ovatie, die
reeds begon tijdens het slotakkoord. Toch werden we slechts derde gerangschikt, want in het plichtwerk lieten we enkele serieuze steken vallen. Voor en na die wedstrijd stond “1812” meermaals geprogrammeerd en steeds was er veel applaus en waardering. Wij speelden dit ingewikkelde, indrukwekkende werk in een prachtige orkestratie, volledig, en grotendeels in het gepaste tempo.

Onze laatste uitvoering van “1812” ging door tijdens de zomer van 1949 in de Parochiale Kring te Rumst. Rond die tijd vertoefde ik méér in Rumst dan in Boom en daardoor heb ik het onthouden. In de loop van het vlugge, ingewikkelde middendeel lagen we er plots bijna helemaal door. Uitvoerders kennen dat verschijnsel ! Sommigen durven niet meer verder gaan en anderen spelen of zingen met nog méér nadruk. De leider zoekt vertwijfeld naar een aanknopingspunt. Ja, soms ontstaat er een gebrek aan concentratie in werken, die men door en door kent. Als bij mirakel geraakten we terug op het goede spoor. In de zaal had niemand (?) iets abnor- maals gehoord … Dit onbenullige feit zou al lang uit mijn geheugen gewist zijn, ware het niet dat Louis De Laet er nadien nog zwaar over piekerde. We zaten toevallig samen op de tram naar Rumst en tot mijn verbazing verneem ik dat incidentjes als op het vorig concert hem erg doen schrikken en dat hij sinds enkele maanden de spanning rond concerten en dergelijke nog moeilijk kan verdragen. Louis De Laet was een gevoelig man; ik zag duidelijk verdriet en ontgoocheling in zijn ogen en op zijn gelaat. Had hij toen reeds een voorgevoel? Ik kan niet beschrijven hoezeer ik ontroerd was.

DE RUPELZONEN OP STRAAT

Voor 1940 was het met de straatverlichting erg gesteld. Hier en daar hing een gaslantaarn, die een vaal, gelig schijnsel gaf. Als een muziekvereniging ’s avonds op straat kwam, werden petroleum- lantaarns meegedragen waardoor de groep spookachtig overkwam. In feite dienden die draaglampen om te zien waar men zijn voeten plaatste, maar niet om de muziek te lezen; het aantal marsen was gering en bijna iedere muzikant speelde uit het hoofd, wat de kwaliteit van het “wandelconcert” ten goede kwam. Het stratenpatroon van Boom is gunstig: niet te breed en bijna overal de huizen in dichte rijen tegen elkaar.

Als de katholieke turnkring op stap ging, droegen de Rupelzonen hetzelfde uniform als de turners. Bij die gelegenheden speelde men militaire marsen. Voor de harmonie marcheerde een groep “clairons” onder leiding van Gustaaf Van der Planken. Het geheel klonk krachtig en evenwichtig en de aanblik van het geheel was smaakvol. De bloeiende turnkring telde talrijke tiener-turners in eigen uniform: aangepast aan de volwassenen, maar met korte broek en ander hoofddeksel. De keuze van militaire marsen was met zorg gedaan en pulp kreeg bij Louis De Laet geen kans.

Vanaf mei 1940 tot mei 1945 leefden we in volkomen duisternis, en dan klonken er andere geluiden dan muzikale.

Rond 1947 construeerde bestuurslid Alfons Peeters twee karretjes op luchtbanden. Op het chassis stonden autobatterijen en bovenaan was er een langgerekt scherm met elektrische lampen. Elke kar werd geduwd door één persoon. Het resultaat was verbluffend: sterke en gelijkmatige verlichting. In de praktijk viel het minder mee! Bij het vertrek aan het Rupelhotel moesten enkele muzikanten noodgedwongen meeduwen om de berg naar de markt te halen; in de Groenhofstraat liep alles gesmeerd, maar aan de korte draai bergop aan de Leopoldstraat werd het een rare, lachwekkende vertoning. Enkele muzikanten en bestuursleden snelden ter hulp en door de overigen werd in de instrumenten meer geproest dan geblazen. Na mijn legerdienst, maart 1948, heb ik die twee karretjes niet meer teruggezien. Langzamerhand verbeterde de openbare verlichting en de kasseien met hun hobbelige en golvende delen werden vervangen.

Straatdiensten ontaarden soms tot zware drinkpartijen. Echter niet bij de Rupelzonen, want dirigent De Laet hield de teugels strak. Nochtans: in de befaamde Maria – ommegang was de harmonie niet op haar best. Zolang men speelde, ging het goed, maar tussen de processiemarsen in, was het een slordige, praatzieke groep. Men zegde toen: “als de harmonie niet speelt, zou ze beter met het “Volk van Bethlehem” meegaan. Dit was een troep kinderen, volwassenen, geiten en schapen, die figureerden als haveloze menigte op den dool. Men plaatste daarin iedereen waar men geen blijf mee wist.

Tijdens de “uitstappen met bezoek aan de ereleden – herbergiers” ging het er gezellig en plezierig aan toe. Bovendien hebben muzikanten, bestuursleden en ereleden urenlang de gelegenheid tot gesprekken en persoonlijke contacten, wat de vriendschap en de bindingen ten goede komt. Na enkele staties werd de sfeer bepaald vrolijk en werd er “uit de klak” gespeeld. Het café – repertorium was niet uitgebreid, maar het klonk correct. We speelden onder andere “dieje van Troag” en in het volgende stadium van vervoering zongen we steevast met z’n allen: “En ginder is mijn lief,
ja ik zie het aan haar haar”, maar dan in onvervalst Booms. Chef De Laet beleefde dit alles monkelend mee, intussen erop lettend dat het te aanhoren bleef. Hij liet deze fase niet te lang uitlopen. Als hij een sigaar opstak en commandeerde: “Tam-boer !” dan ging het in gestrekte draf naar ’t Rupelhotel.

ONTSLAG

Na onze verhuis naar Kontich in 1954 bleef ik nog geruime tijd trouw lid van de Rupelzonen en ik verzuimde omzeggens geen enkele herhaling of dienst. Er kwam verandering rond 1956-57. Ik was muziekleider geworden van vier verenigingen en die donderdag in BOOM was er soms te veel aan … Ik werd een “slecht lid”. Op aandringen van dirigent Brants en van het bestuur heb ik niet afgehaakt. Soms vreesde ik dat mijn collega’s – muzikanten van de Rupelzonen die situatie niet langer zouden dulden, maar dat was niet zo! Integendeel: men had belangstelling voor mijn werk bij die andere verenigingen en dat deed mij zeer veel genoegen.

De gezondheid van dirigent Emiel Brants was niet meer stabiel en ik heb hem zoveel mogelijk de late tramrit met overstap te Antwerpen bespaard en hem naar huis gevoerd. Na het Sint-Cecilia feest van 1959 stelde hij voor dat ik geleidelijk de Rupelzonen van hem zou overnemen en ook voorzitter Tobback sprak in die zin. Een vijfde groep dirigeren, dat werd van het goede te veel en ik ben er dan ook niet op ingegaan. De verenigingen die ik op dat ogenblik dirigeerde, lagen kwalitatief beneden de Rupelzonen en de vergoeding was in Boom veel hoger. Mijn vrouw en ik konden die méérverdienste goed gebruiken: we kregen drie kinderen op drie jaar en in ons nieuwgebouwd huis was nog heel wat te doen. Bij de groepen die ik leidde, had ik intussen nieuwe vrienden gemaakt en ik liet die niet vallen. ’s Namiddags na de begrafenis van Emiel Brants heb ik aan voorzitter Tobback mijn ontslag mee- gedeeld.

MERKWAARDIGE DIRIGENTEN

Tijdens mijn twintigjarig lidmaatschap speelde ik onder twee zeer bekwame dirigenten: Louis De Laet en Emiel Brants. Vader Frans De Laet en zoon Louis waren respectievelijk 25 jaar en 42 jaar muziekleider van de harmonie, die openbloeide tot een homogeen geheel. In 1948-49 volgde ik pianoles bij Louis De Laet. Deze lessen waren niet op uitvoering, noch begeleiding gericht, maar alleen bedoeld om vlotter harmonisatie-oefeningen te spelen. Tijdens die lessen werd soms meer gepraat dan geoefend. Louis De Laet sprak steeds met veel respect over zijn vader, die hem de kans gaf om te studeren. Louis bespeelde bijna alle instrumenten, zowel koper als hout. Zijn studies deed hij op piano. Het Koninklijk Conservatorium van Luik was befaamd door zijn vioolklas. Hij mocht er naartoe, maar de vioolstudie moest hij onderbreken wegens zijn nogal gedrongen gestalte. Als geboren en getogen Bomenaar kende De Laet alle muzikanten en hun families. Hij was zeer voorzichtig in zijn uitlatingen en alzo vermeed hij wrijvingen en conflicten.

Emiel Brants was Ere-Luitenant-Kapelmeester van het leger. Hij was een echte flapuit, die zich niets aantrok van de plaatselijke omstandigheden. Het zat er dan ook meermaals bovenarms op. In de vroege vijftiger jaren heb ik talrijke repetities en enkele concerten meegespeeld met de fanfare van Eikevl iet, waar Brants dirigent was. Ik speelde er sax-tenor. Dankzij zijn tomeloze ijver en zijn rake opmerkingen heb ik veel geleerd over het fanfareorkest, wat mij later goed te pas kwam.

Hoe dan ook: Louis De Laet en Emiel Brants hadden enkele gemeenschappelijke eigenschappen: een onfeilbaar muzikaal gehoor, waardoor men als muzikant “gerust” zat, een stevige theoretische vorming met tot de praktijk gerichte harmonie en contrapunt, een grondige kennis van instrumentatieleer, een duidelijk en gevoelig gebaar.

Vele jaren heb ik als versterker of vervanger meegespeeld in heel de omtrek en ook bij enkele Antwerpse verenigingen. Dit heeft mij geleerd, dat wij bij de Rupelzonen qua dirigenten verwend waren en dat elders de minst bekwame muziekleiders meestal de dikste nek hadden.

De achteruitgang van de liefhebbers-muziekverenigingen was het eerst te merken in de grote steden. Vanaf 1948 tot 1956 werkte ik in Antwerpen en ik werd er vaste versterker bij enkele harmonieorkesten met ronkende namen. Meestal vroeg men de versterkers om één herhaling bij te wonen. Als piccolo-dwarsfluit nam ik geen risico’s en ik repeteerde twee of drie keer. Dan waren alleen de eigen muzikanten aanwezig en zo viel het op, hoe dun de bezetting was. . .

Terloops: vooral in Antwerpen-stad droeg men potsierlijke operette-uniformen in helle kleuren, veel versieringen, klakken met pluimen. Als wij met tien à vijftien versterkers die vesten, broeken en klakken aan ’t passen en aan ’t verwisselen waren, hebben we ons dikwijls krom gelachen.

DE EERSTE OPNAMEN

Men heeft mij meermaals verteld dat mijn peter Emiel De Raeymaecker en zijn vriend Pol Lauwers reeds voor 1900 in heel de omtrek de balzalen en kermissen afschuimden om de “laatste” dansmuziek te beluisteren en te noteren. Zij deden het te voet en – volgens mijn moeder – namen zij na 1900 ook de stoomtram om door te dringen tot Mechelen en tot “op’ t Kiel”. Thuis harmoniseerde mijn nonkel die muziek en “kapte” de orgelboeken. Pol Lauwers verwerkte de gegevens voor zijn dansorkest je. Aan die vorm van “opname via dictee” is nog niet zoveel veranderd, want in het muziekonderwijs betekent melodisch, ritmisch en harmonisch dictee een vaste opdracht (en voor velen een te zware klus).

Het elektronisch “opnemen en weergeven” bleef lange tijd het
voorrecht van radiozenders en radioconstructeurs. Toch waren de Rupelzonen er vlug bij dankzij Abel Van Kerckhoven. Dat zal niemand verwonderen, want deze enthousiaste man was werkelijk in alles geïnteresseerd én bevoegd. Tijdens de winter van 1948 werden de Rupelzonen voor het eerst op “draad” gezet. De draadopne mer was de voor loper van de bandopnemer; er bestonden reeds bandopnemers, maar nog niet in serieproduktie, dus ongelooflijk duur. Het toestel van Abel was eerder een meubel, want het was bijna zo groot als een (kleine) lavabo. Van het inwendige was niet veel te bemerken, maar als de draad brak, werd hij gewoon aaneengeknoopt. Het resultaat was zeker geen hi-fi, maar het was wel spannend zichzelf te horen spelen. Ook de fouten werden ontmaskerd en dat gaf aanleiding tot plezante commentaar.

Als ere – luitenant – kapelmeester van het leger had Emiel Brants vele relaties in de muziekmiddens. Hij was bevriend met Jef Van Hoof; deze nam audities af om voor de radio te spelen. Bij onze auditie kwam Jef Van Hoof binnengestapt: “Dag joenges ! … zeg Brants, ik heb nog niet gegeten sinds deze middag!” … Onze eerste opname werd uitgezonden einde 1954. Het bleef niet bij deze ene keer, integendeel: er werden opnamen gemaakt in de
feestzaal van de Technische School, in ’t Rupelhotel en in de (nu afgebroken) zaal van ’t Volkswelzijn. Ik bezit nog een (doffe) bandopname van een uitzending op 6 januari 1957 met o.a. de mars “Rupelzonen” van Emiel Brants en een mars “Ad multos annos”, die ik schreef en opdroeg aan de heer Brants. De aankondiger van dienst noemde mij “Pieter”.

REPERTORIUM

Onder impuls van Emiel Brants hebben ook de Rupelzonen aan de verspreiding van een nieuw repertorium meegewerkt; met mondjesmaat, want er was nogal wat weerstand. Volgens mij had Brants de juiste opvatting: vernieuwing mag en moet er zijn, maar het mag ons er niet toe leiden waardevolle werken uit het verleden te verwaarlozen. Na 1960 sloegen de nieuwe strekkingen diep in.
Amerikaanse uitgeverijen verspreidden zich over de wereldmarkt en dat betekende een echte verrijking! Ook schitterende big-band nummers werden voor harmonieorkest georkestreerd. Tip: Jas Van Echelpoel, dirigent van de Xaverianen uit Aartselaar schreef en schrijft aantrekkelijke bewerkingen van die aard. Jos is zeker te vinden om die muziek ter beschikking te stellen.

De gesproken en gedrukte bindteksten op sommige concerten zijn niet mals en zelfs vernederend ten aanzien van oudere composities. Vanuit artistiek standpunt is dit niet objectief en bovendien niet fair. Trouwens, het is reeds meermaals gebeurd dat een muziekvereniging langzaam maar zeker werd kapotgemaakt door een te enge benadering van het repertorium.

OPLEIDING

Deze “Bazuin” (eerste uitgave van deze tekst, n.v.d.r.) verschijnt rond september, dus bij de heropening der scholen. Daarom onderbreek ik even de “Herinneringen” voor een korte beschouwing omtrent de opleiding van jongeren. Zoals uit “Bazuin” blijkt, wordt door de Rupelzonen les gegeven in eigen kring en tevens wordt gezorgd voor contacten buiten het muzikale. Prachtig! Ook bij mij thuis gaf men soms tegelijkertijd les in de woonkamer, in de jongenskamer, op de zolder en in ons “muziekkot” achteraan in de hof.

Toch blijf ik van mening dat deze interne vorm van opleiding eerder aanvullend moet zijn en dat het onderricht in Muziekscholen, Muziekacademies en Stedelijke Conservatoria de beste waarborg biedt om tijdens de tienerjaren systematisch opgeleid te worden tot een vaardig liefhebber. Ik heb ondervonden dat vele groepen een breekpunt meemaken omdat de mogelijkheden van de jonge leden niet meer toenemen. Ik beweer niet dat goede muziek moeilijk moet zijn, helemaal niet, maar men mag de zaken ook niet omkeren en stellen dat moeilijkere muziek niet aangenaam of mooi zou zijn. Zeker is dat een groot deel van een prachtig repertorium ontoegankelijk blijft omdat de uitvoerders het niet onder de knie krijgen. Eenmaal zover, helpen geen show en glitter meer! De beste jongeren zoeken het elders.

Tussen haakjes: de term “Stedelijk Conservatorium” is nogal misleidend. Men vindt deze instellingen in Brugge, Mechelen, Hasselt en nog andere. In feite is een stedelijk conservatorium gelijk te stellen met een Muziekacademie. Een beroepsopleiding, evenals de bevoegdheid tot lesgeven, kan men enkel verwerven aan een Koninklijk Conservatorium (Antwerpen, Brussel, Gent, Bergen, Luik) en aan het Lemmensinstituut (Leuven), (Vijf Rijksinstellingen en één Vrije).

DANKBAAR

De “Jubileumbrochure” (125 jaar) ontving ik eerder toevallig en nogal laat in het jaar 1989. Uit sommige alinea’s van het eerste artikel (Het Bestuur) straalt een frisse, originele visie omtrent het harmoniegebeuren. Toen kort daarop de eerste “Bazuin” verscheen, heb ik voorgesteld daaraan mee te werken. Doorheen de afleveringen van “Bazuin” wordt vanuit het bestuur die visie blijvend beklemtoond: de werking is doelbewust naar de toekomst gericht en steeds is er dat doordachte afwegen tussen relativeren en stimuleren.

Sinds de opname in “Bazuin” van mijn eerste stukje (september 1990) had ik contact met nogal wat mensen, die “Bazuin” ontvangen. Sommigen vermoeden dat bij mij wellicht veel nostalgie aanwezig is, waardoor men veelvuldig naar het verleden teruggrijpt. Iedereen draagt nostalgie in zich, dat kan niet anders, maar dat heeft mij er niet toe aangezet deze herinneringen te schrijven. Integendeel, er blijft ons niet veel tijd over om in ’t verleden vast te roesten. Mijn vrouwen ik kregen vier kinderen, die door sport en muziek dicht bij elkaar opgroeiden, maar toch ieder een zeer verschillende opleiding kozen, wat voor ons zeer boeiend was en ons danig in beslag nam. Er zijn tien kleinkinderen in alle maten en gewichten (elfde op komst). Als de groep verzameld is, davert heel de barak. Onze muzikale bezigheden groeien alsmaar in diversiteit en zo blijft er geen tijd voor nostalgie. Mijn inbreng voor “Bazuin” werd ingegeven door dankbaarheid tegenover de harmonie en daarover wil ik even uitweiden.

In het eerste deeltje schreef ik met lof over het bestuur tijdens de oorlogsjaren. Na de bevrijding (september 1944) begon een
nieuwe moeilijke tijd voor allen die verantwoordelijkheid droegen. Overal in het land gingen verenigingen kapot of werden verscheurd door haat en wraak. Bij de Rupelzonen scheen de overgang rimpelloos te verlopen. Nochtans, toen ik rond 1959/60 nu en dan werd gepolst om geleidelijk dirigent Brants te ontlasten en later te vervangen, werd vanzelfsprekend ook over andere zaken gepraat.
Uit deze gesprekken heb ik veel geleerd op alle gebied. Zo bleek dat het weerom voorzitter Tobback en de bestuursleden De Meulenaere en dokter Van den Bril waren, die tijdens het woelige, genadeloze begin van de repressie de moeilijkheden binnen de harmonie onder kontrole hielden en de plooien gladstreken. Zij werden bijgestaan door, ondermeer, de heer Frans Somers, leraar. Ook dit zal niemand verwonderen, want deze man was algemeen geacht voor zijn aanstekelijke integriteit en menslievendheid. Ik wist dat hij als één der eersten in de weer was om hulp en steun te verlenen aan onschuldige en gebroodroofde slachtoffers van de repressie. Daartoe was méér dan gewone moed vereist, want er was niet veel nodig om zelf in zware moeilijkheden te geraken. Voor mij zijn zulke mensen onze echte leiders.

Bovenstaande overwegingen hebben geen rechtstreeks verband met notenbalken en muziekinstrumenten … en toch behoren die feiten tot de wezenlijke geschiedenis van de Rupelzonen, want het voortbestaan en de vlugge heropleving waren eraan te danken. Ik vond het passend dit alles op te nemen in deze “Herinneringen”, als postume hulde, als uitdrukking van oprechte waardering en dank.

Men mag uit de stukjes die ik schreef niet afleiden dat bij de Rupelzonen van toen alles “koek en ei” was. Zeker niet! Niets des mensen was er vreemd. Maar de muzikale en organisatorische kwaliteiten lagen zo hoog, dat de harmonie gerangschikt werd bij de betere liefhebbersverenigingen van het land.

Diverse factoren werkten samen:
1. De hoge kwaliteit van de dirigenten.
2. Vanaf 1915 was er in Boom een (vrije) Muziekschool, die in 1926 werd overgenomen door de gemeente. Niet iedere muzikant volgde de school, maar de uitstraling was enorm.
3. Bij de Rupelzonen was er voldoende geld.

Ook muziekstudenten kwamen er aan hun trekken en deden er ervaring op. Beroepsmuzikanten, die soms bijsprongen, waren steeds vol lof. Tijdens mijn tiener jaren was de harmonie de hoofdgelegenheid tot muziekbeoefening en bij al mijn generatiegenoten werd de kiem gelegd voor een levenslange, door niets te vervangen hobby.

Kortom, ik hoop voldoende te hebben aangetoond, dat ik mocht genieten van een periode van hoogconjunctuur tijdens dewelke men als jongere veel meekreeg: basisvorming, musiceervreugde,
enthousiasme. In die tijd werd in bijna alle muziekscholen afgeraden lid te worden van harmonies en fanfares. Terecht meestal, want er was nogal wat kaf! Andere groepen werden aanbevolen en daartoe behoorden de “Rupelzonen”.

BEKWAME MUZIKANTEN

Uit een hele reeks vernoem ik hier vooral: Louis Pulteau, Piet Forceville, Fil Somers, Gust De Clerck, Frans De Belder (die later in Terhagen de “Breydelzonen” dirigeerde), Johannes Bal (de Wache) .

Over enkelen toch een woordje meer. Als leraar klarinet heeft Frans Tollenier ontelbare knappe instrumentisten gevormd. Ook nu nog zijn enkele van zijn leerlingen lid van de harmonie. Frans zelf had een prachtige, volle toon. Karel De Mondt speelde bas- klarinet. Hij was een gevoelig muzikant, die intens genoot van het samenspel. Ook was hij kritisch op zichzelf. Het instrument dat hij bespeelde was voortdurend defect en hij lapte het telkens weer op met elastiekjes, stukjes papier en plakband. Zijn instrument had, vond ik toch, een verouderde boring, maar Karel wist er toch warme, dragende klanken uit te halen. Ik las in  “Bazuin” dat men volgend jaar een nieuwe basklarinet zal kopen. Moet ik daar uit afleiden dat het instrument van Karel De Mondt nu nog in gebruik is ? Dan heeft Jan Mampaey wel bijzonder veel aanleg, ook als het instrument “gereviseerd” was. Gust Forceville was de beste helicon en sousafoonspeler, die ik ooit bij liefhebbers gekend heb. Spijtig genoeg heeft hij van de doorbraak van de geperfectioneerde Bes en Es bastuba’s niet meer volop genoten. Gust had een fijn muzikaal gehoor en hij kon, intuïtief, passende basnoten spelen, ook bij melodieën die hij voor het eerst hoorde. Als Jan Van Dijck op straat grote trom en cymbalen hanteerde, dan verdubbelde de waarde van onze marsen. Hamer en cymbalen werden telkens bliksemsnel teruggetrokken. Er ontstonden droge tromslagen en helder cymbaalgeluid. Ge moet het maar kunnen! In concertwerken volgde hij alert de gang van zaken en hij heeft ons meermaals in ’t gelid geklopt als we begonnen te zwalpen. Ook op sousafoon was hij goed, maar als slagwerker vond ik hem op zijn best. Dichter bij mijn leeftijd was er Stan De Clerck, die eerst hoorn speelde en dan op zeer korte tijd een bekwaam trombonist werd.

Van mijn eigen generatie vermeld ik Frans Marnef (klarinet – sax – hobo), die als liefhebber technisch de top haalde. Later werd hij koorleider in de Heilig Hartparochie en in de Altenawijk van Kontich. Miel Verhelst (klarinet – sax) maakte zich als dirigent zeer verdienstelijk. Men kan zonder overdrijving verklaren, dat hij in de Rupelstreek de basis gelegd heeft voor de verspreiding van een modern, vernieuwd repertorium. In mijn eigen jonge, levendige parochie van Kontich – Kazerne (zonder kazerne) woont ook oud – Rupelzoon Jan Borms (althoorn). Hij stichtte hier een gemengd zangkoor, dat spoedig aangroeide tot een talrijke groep, die diverse muzikale genres aankon. Bij kerkelijke hoogdagen bracht men integrale uitvoeringen van Mozart, Haydn, e.a. aangevuld met Bach, Haendel, … Voor die gelegenheid hield Jan eraan zelf het orgel te bespelen en dan vroeg hij mij om te dirigeren. Ik nam dat gretig aan!

BEROEPSMUZIKANTEN

Uit de Rupelzonen zijn weinig beroepsmuzikanten gegroeid. Benevens de dirigenten was Gustaaf De Meyer de eerste beroeps. Hij is naar men zegt nog springlevend en dat verheugt mij zeer. Hij was leraar notenleer en trompet in de muziekschool en bij hem volgde ik het tweede en derde leerlaar. Voor de oorlog was hij
legermuzikant en in het Antwerpse was hij een bekend orkestmuzikant. Bij de Rupelzonen was hij nu en dan vervanger en in de orkestklas van de muziekschool heb ik tientallen keren genoten van zijn stralende trompet.

Egied De Meyer – eveneens trompettist – was geruime tijd lid van de harmonie. Nadien heb ik hem nog meerdere keren herkend in het Antwerpse en vooral in het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen.

Als beroepsmusicus staat Jan Van Reeth ongetwijfeld op het hoogste niveau. Aan het BRT – Filharmonisch Orkest, door velen als beste Belgisch orkest beschouwd, is hij solist, hoofd van de lessenaar. Bovendien is hij aan het Koninklijk Vlaamse Muziekconservatorium van Antwerpen hoofddocent dwarsfluit. In de brochure “125 jaar” stapt hij telkens achter mij, maar is op enkele jaren boven mijn hoofd gegroeid (ook instrumentaal maar dat is niet te merken) .

ONTSPANNING

Er zijn herinneringen die men met geen pen kan beschrijven. Voor de muzikanten van de Rupelzonen was er vanaf midden 1945 voldoende kans om te feesten. Niet alleen binnen de harmonie zelf, maar ook bi j de Katholieke Vlaamse Toneelgilde en bij de Christen Jonge Strijders. Bij deze drie Boomse verenigingen verliepen de feesten volgens hetzelfde stramien. Die gezelligheid heb ik nadien nergens teruggevonden. Dat is zeker.

De “Uitstap met muziek” van de Christen Jonge Strijders was steeds een plezante gebeurtenis. Meestal daagden een veertigtal muzikanten op en samen met “dejoengestroars” betekende dat toch een groep van honderd man. Echtgenoten en verloofden liet men wijselijk achter op een koffiefeest. De jonge strijders vormden een levenslustige, actieve groep en we lieten het niet aan ons hart komen! De tocht beperkte zich niet tot het centrum van Boom, maar soms bezocht men ook een of andere uithoek. In enkele kleine stammenekes bestond de hele sanitaire installatie uit één verroest waterbakje op de koer of tegen een schutsel. Door hoge watersnood gedreven, namen tegelijkertijd tientallen muzikanten en leden bezit van koer, hof en aanhorigheden om eensgezind de boel rijkelijk te besproeien. Intussen gingen de gesprekken en de moppen gewoon verder. Ik heb het altijd straf gevonden, dat vele muzikanten die prestatie kunnen leveren zonder hun muziekinstrument los te laten. Toegegeven: dit was niet specifiek Rupelzoons; men kan dat elders ook.

ERKENNING

Vanuit de culturele instanties komt er meer en meer interesse (en steun) voor liefhebbersverenigingen. Men stimuleert ook de componisten. Dat composities voor blaasorkesten heden ook tot het hoogste vlak kunnen doordringen, bewijst volgend voorbeeld. Aan de Koninklijke Conservatoria start men meestal de studie “Compo- sitie” na vooraf eerste prijzen behaald te hebben in notenleer, harmonie, contrapunt, fuga. Na enkele jaren moet men vijftien werken indienen met een grote verscheidenheid: symfonische muziek, kamermuziek, koorwerken, allerhande ensembles en solisten,enz. Mijn zoon Jan was de eerste om – tegen de gewone gang in – per se ook twee werken voor blaasorkesten bij te voegen. Dit gebeurde aan het Koninklijk Vlaamse Muziekconservatorium van Antwerpen. Zijn leraar, Willem Kersters, gaf hem de nodige ruggesteun. Jan heeft zijn eerste prijs met glans behaald. Het eerste werk “Excalibur” werd onder zijn leiding gecreëerd door Brass Band Midden Brabant en haalde het Festival van Vlaanderen. Het tweede werk “Spartacus” ging in creatie door de Muziekkapel der Gidsen onder leiding van Norbert Nozy.

Zulke feiten staven mijn mening dat, als onze verenigingen kwaliteit en stijl aanbieden, de officiële erkenning, achting en steun zullen toenemen. Ook eenvoudige muziek, voortreffelijk vertolkt, kan gunstige reacties losweken.

De Rupelzonen zitten in de lift. Deelname aan wedstrijden kan ook stimuleren. Ik weet het: dit is een heet hangijzer. Ik heb me nooit bekommerd om de punten noch om de rangorde. Wel koos ik bij voorkeur wedstrijden of tornooien met een klassering in breed opgevatte afdelingen en met zinnige commentaar vanwege competente juryleden. Men verliest nooit! Een rustige voorbereiding tilt het muzikale niveau omhoog en de geldprijs is meegenomen.

WENS

Deze “Herinneringen” besluit ik met mijn beste wensen voor de toekomst der Rupelzonen. Ook dank ik de redactie van “Bazuin”.

Onlangs herlas ik alle stukjes achter elkaar. Het viel me op, dat er nogal veel “Algemeen Beschaafd Booms” in voorkomt. Van Julien Spillemaeckers krijg ik zeker geen tien voor taal. Maar ja, alles werd geschreven zoals ik het zou vertellen en dat is wellicht nog best ook.

Dank aan het bestuur van de Geschiedkundige Studiegroep “Ten Boome” voor de opname van mijn teksten. Dat benevens de “terugblik” ook de erin verweven “muziekbeoefening in ’t algemeen” wordt overgenomen in het Jaarboek verheugt mij zeer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Geschiedenis van de gemeente Boom