Naamkunde

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1991-1992

Lezing gegeven op 19/2/92 door prof. R. Van Passchen

Het onderwerp van deze avond vormde de Germaanse naamgeving. De Romeinen, die een ander namensysteem hadden, werden in onze streken verdreven door de Franken, die zich mengden met Saksische volksstammen.

Hoe zag de opbouw van het Germaanse naamgevingssysteem eruit?
Zij volgden bij de naamgeving de Latijnse spreuk “Nomen est omen”: de naam is een voorteken. In de naam lag een soort wens aan het kind, ze wilden dat het in de richting van die naam groot zouden worden. Omdat de Germanen een krijgshaftig volk waren – ze vochten heel hun leven tegen de Romeinen – hadden ze een oorlogszuchtige naamgeving. Er werd niet in verwezen naar de schoonheid, vrede of rust. Eeuwen later zouden deze heidense namen plaats moeten maken voor de heiligennamen. De kinderen kregen deze namen bij het doopsel opdat zij de christelijke deugden van deze heiligen zouden verwezenlijken in hun leven.

I. De Germaanse naamgeving

De Germanen hadden een eigen woordenschat. De verschillende woorden die te maken hadden met hun krijgshaftig bestaan, vinden we terug in hun namen én in vele van onze huidige namen.
De verschillende bestanddelen:

1. STRIJD (oorlog, dapperheid, zegen, overwinning):
hildi

wig
gunt / d
sigu (zegen, zegepraal)

vbn. Hildi(e)brand (strijd-zwaard) Hludwig (Ludwig, Lodewijk, Louis: hij die beroemd is
door/in de oorlog)
Hildigunt (2x strijd, tautologie: extra de klemtoon op het
vechten !)
Sigbert (de schitterende door zijn zegepraal)

2. WAPENS: brand (het schitterende zwaard)
ger (werpspeer, lans)

rant (het schild: benoemd door de rand)
vbn. Gerhard (mocht gij worden de man “met de harde speer”) Berhtrant (de man met het schitterend schild)

3. LEGER: folc (het volk, het krijgsvolk, de strijdenden) hari / her (leger)
vbn. F(V)olkhart(d) (dapper krijgsvolk of dapper door zijn volk)

Herber(h)t (het schitterende leger)

4. DAPPERHEID / MOED: hard
bald (Eng.: bold) magan (macht, vermogen)

vbn.Balduwien (Baudewijn: de dappere vriend) Ma(h)thild (machtig in de strijd)
Bernhard (zo dapper als een beer: combinaties met de dierenwereld)
Eberhard (zo dapper als een everzwijn)

5. ROEM / GLORIE: berht (Eng.: bright: letterverspringing, mete thesis)

vbn. Athalberht (Adelbert, Albert: schitterend door adel) Landberht (Lambert: hij die schittert door landbezit) Hugberht (Hubert: de man met het schitterende verstand, geheugen)

De bovenstaande elementen konden op bijna eindeloze manier met elkaar gecombineerd worden, waardoor soms dubbele betekenisen ontstonden bij één naam.

Het geslacht van deze namen? Sommige werden aan meisjes gegeven, anderen aan jongens. Het geslacht wordt bepaald door het taalkundig geslacht van het tweede gedeelte. Zo is Hildigunt een typische meisjesnaam, er werd dus geen inhoudelijk onderscheid gemaakt: ook voor de meisjes werden krijgshaftige namen gebruikt.
Deze vrouwelijke emancipatie, geen discriminatie in de naamgeving, gaat terug op het beeld van de vrouw in de Germaanse mythologie. De naam Hildigunt kwam later in vele kloosters voor. Daardoor denken wij er nu meestal aan terug als heiligenaam, i.p.v.aan de Germaanse herkomst.

Op zeker moment zien we de meeste van deze Germaanse namen, na de christianisering, ook namen worden van beroemde heiligen,bisschoppen, zendelingen. Dat wordt een nieuw element om ze in de christelijke sfeer aan de dopelingen te geven. Bij het doopsel (tussen 1000 en 1100) worden ze gegeven als herinnering aan de grote figuren in de Kerk. Rond het jaar 1000 leven de Germaanse namen nog volop. Hiervoor zijn twee redenen: de hagiografische steun (namen van heiligen) en als namen van vorsten en edelen (vb. Albert).

In deze periode zijn de Germaanse namen een unieke naam, elk kind heeft maar één naam, die volstaat. Wanneer de maatschappij door de aangroei talrijker wordt, begint men de nood te voelen aan een onderscheid. Na 1000 komt er een evolutie naar het geven van een naam en een “toenaam”, in wezen een soort bijnaam.

II. Voornamen (+/- 1000)

Rond het jaar 1000 worden in onze streek vooral uit de bijbel namen geïmporteerd (apostelen, heiligen,, engelen).

vbn. Joannes (Jan)
Petrus (Peter)
Martinus (Maarten)
Michael (Michiel)
H. Bernardus (Bernhard)

Het aantal voornamen wordt oneindig groot. De nabijheid van kerken en abdijen geven met hun patroonheilige veelal de inspiratie voor de namen van de kinderen in de buurt (heemkunde!).

Het Concilie van Trente (16de eeuw), een reactie tegen het Calvinisme en Lutheranisme, legt de ouders op te kiezen tussen de door hen officieel opgelegde namen. Ze willen hiermee de tradi- tionele heiligennamen in ere herstellen. In katholieke kringen waren de Oud-Testamentische namen veel minder populair (Adam,Noach, David, …). De protestanten gebruikten deze namen des te meer, zij waren tegen de heiligencultus.

In de loop van de volgende eeuwen komt stilaan de mode van een tweede en een derde voornaam. In de 18de eeuw ontstaan samenkoppelingen en dubbele namen zoals Anna-Maria, Maria-Theresia. Zelfs
mannen krijgen de tweede naam Maria.

De naam Maria is wel een buitenbeentje, deze naam is slechts laat in gebruik gekomen als voornaam. Rond de naam bestond een soort taboe als het allerheiligste, dat door de doorsnee mens niet
mocht gebruikt worden. In de loop van de middeleeuwen kwam hierin verandering. Vooreerst bestond er een grote verering van Maria. Bij onze vorsten was het Maria van Boergondië, die als eerste de naam gebruikte. Hierdoor was de dynastieke steun, naast de godsdienstige, de tweede beweegreden om de naam aan de kinderen te geven. De populariteit van de naam was onstuitbaar.

In de tijd van de Romantiek, in de 18de eeuw, gaan de literaire werken grote invloed uitoefenen op de naamgeving (helden en heldinnen uit de romans). We kunnen dit vergelijken met onze huidige namen, die uit de media (bv. Amerikaanse feuilletons) komen. Vele namen komen niet meer uit het lijstje van het Vatikaans Concilie of van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

III. De Familienamen

Aanvankelijk zijn de familienamen toenamen.Het verschil ligterin dat de toenaam nog niet vast ligt, hij dient ervoor om voornamen te onderscheiden. In het begin waren het eigenlijk bijnamen. Maar omdat ze voortdurend gegeven worden van vader op zoon en dan op kleinzoon, worden ze vast. Van dan af spreken we van familienamen, de naam van de hele klan.

1. Afkomst- verwantschapsnamen

PATRONYMICA (vadersnaam):

a. Hiervoor wordt dikwijls een stukje uit de voornaam van de vader genomen, dat de familienaam wordt.
Vbn. Goris < Gregorius
Maes < Thomas
Faes, Vaes < Servaes of Bonifatius Broos, Broes < Ambrosius
Stas < Eustachius
Thijs < Mathias, Mathijs
Bal < Balduwinus

b. De vadersnaam wordt aangevuld met het suffix -s (genitief). Vbn. Jans, Peeters, Wuyts « Wauter), Dierckx (k+s),
Michiels, Mertens en Martens (regionale afwijkingen),
Jacobs, Marckx, Merckx,

Suffix -sen, sone, soen (de zoon van):
Vbn. Janssen(s), Adriansen(s), Baertsoen, Nixon « Nik), Paterson,

c. De vadersnaam wordt voorafgegaan door een -s (prothese). Vbn. Swiggers « Wigger < Wighart), Spiessens « Pieter),
Swalen (Walen: oorsprong),

d. Prothese Her-, Ser- (genitief): naamdragers uit de betere stand, die door “heer” worden aangesproken:
Vbn. Herroeien, Servranckx, Serclaes, Serneels, Servaes,

e. Bijvoeging van adjectief:
Vbn. Grootjans, Awauters (oud),

METRONYMICA (moedersnaam):

Het kind kreeg de naam van de moeder wanneer de vader niet gekend was, ze al weduwe was bij de geboorte of wanneer de moeder een hogere sociale rang had. Een andere reden waardoor de moedersnaam een rol is gaan spelen in de naamgeving, is het feit dat de moedersnaam mee in de cijnsboeken werd geschreven wanneer de laat (een niet-vrije) vrij werd. Er was zelfs een spreuk in het middeleeuws leenwezen dat hierop wijst: “de vrijheid volgt de schoot”.

a. Vbn.Delen, Delien < Adela Baten(s) < Beatrijs Belien < Mabilia Marien < Maria Grietens < Margareta Leys < Elisabeth

b. Prothese ver- (=vrouwe): Vbn. Vernimmen < Imma, Emma, Imelda
Vertruyen < Gertruy
Verbert < Berta

Andere familieverwantschappen:
Vbn. De Neef, Ooms, De Vocht (de voogd), De Vriend, Derkinderen, Kind, De Maagd (een verwante), …

2. Herkomstnamen

Hier raakt de persoonsnaam de toponymische namen, de plaatsnamen. De namen wijzen op migratie en verhuizen: “de ingewekene van”.

De namen met “van” of “de” (uit het Latijn) zijn eerst voorgekomen bij de adel: ze lieten zich noemen naar hun heerlijkheid. Zij brachten het modeverschijnsel over op de massa.
Vbn. Wilhelm Berthout de Ranst (ze hadden de heerlijkheid Ranst in handen)
de Berchem, Van Mechelen, Vanwerveke (Wervik), Van Duyse (Deinze), Van Tricht (Maastricht), Brusselmans, …

De oude plaatsnamen spelen hier een belangrijke rol. Toponymische woordenboeken kunnen ons hierbij helpen. Sommige plaatsnamen kunnen we nog moeilijk situeren, omdat ze verdwenen zijn.
Ook gehuchten, lokale plaatsen, hoeven, …
Vbn. Van den Weyer (vivere, vijver: hoeve of kasteel met een vijver), Van Immerseel (in Wommelgem), Van de Velde (waar?) Van den Wijngaert, Van den Wauwere (“op tgoed te Wouwere”, Boechout 1626), Vervoort (doorwaadbare plaats in water), VereIst (plaats waar eIsen groeien), Verhofstad (hofstede), Verdonck (heuveltje), Vereycken, Verheyden, Uyttewilge, Op de Beek, Verbeek, …

“Van” kan ook weggelaten zijn. Vbn. Ronsse, Tournai, …

3. Beroepsnamen

Deze namen kunnen ons een mooi beeld geven van de bedrijvigheden in de dorpen, maar vooral ook in de steden. Ook openbare ambten horen hier thuis. Een probleem ook hier is weer dat de woorden niet meer zo bekend zijn. We kunnen dan een middelnederlands woordenboek raadplegen.

Vbn.

Huysman(s) (landbouwer, boer, pachter)
De Coman, Koopman
De Herde, De Her(d)t (de herder)
De Maerschalck (paardenknecht, -smid, -meester) Schoesitters, Schoeters (schoenmaker: hij die het leer tot schoenen naait)
De Preter, De Praetere (Latijn: pratum: veldwachter) Naegels (de nagelsmid)
De Mesmaeckers, Meskens
Molenaars, Meuleneers
De Smet, De Smid, Smeets (regionaal)
De Raeymaekers (wielenmaker)
De Pooter (poorter: stedeling)

4. Psychische of fysische eigenaardigheden

Karakteriële of lichaamlijke kenmerken, die heden te dagen nog inspiratie geven aan de bijnamen (bv. op school). Naast het uiterlijk kan ook bijvoorbeeld het uithangbord van een herberg of een winkel doorslaggevend geweest zijn.
Vbn. De Bruyn(e), De Groot, De Grote, De Jonge, De Oude, De Rijcke, De Wilde, De Wijze, De Vroede (verstandige), De Witte, De Moor (de zwarte), De Caluwé (kaal), Mannekes, Voet, Olvoet, …

Hier kunnen we ook de dierennamen onderplaatsen, die menselijke karaktertrekjes moeten weergeven. Denk maar aan het verhaal van Reinaard De Vos! We kunnen hier terug de band leggen met de Germaanse naamgeving, waar ook karakterkenmerken een belangrijke rol speelden!
Vbn. De Haan, De Vos, De Vogelaer, …

Een definitie, die een hele zin weergeeft:
Vbn. Casenbroot (hij die altijd kaas bij zijn brood eet), Bytebier (hij die met smaak zijn bier drinkt), Drinkwater (hij die water drinkt),…

U ziet de reeks is oneindig!

Als afsluiting: wanneer zijn onze familienamen vast geworden?

Dat gebeurde bij het decreet van Napoleon in 1811. Wie nog geen naam had, moest er een kiezen, deze werd dan vastgelegd. Helaas waren er nog geen identiteispapieren, de naam stond alleen officieel opgeschreven bij de gemeente. Wanneer de mensen hun naam voor een of andere gelegenheid opgaven, vervormde de naam dikwijls door de uitspraak of schrijfwijze. Zo zien we nog in heel de 19de eeuwen een stuk van deze eeuw wijzigingen in de boeken van de burgerlijke stand. Sinds 1914 – 1918 hebben we een identiteitskaart, daardoor kunnen ook ongeletterden hun naam tonen.

Tot besluit: we hebben een hele weg afgelegd van de Germaanse namen tot de toenamen, voornamen en familienamen. Mocht U genealogen zijn, wens ik U veel genot bij het opzoeken van uw voorouders en het opsporen van de etymologie, de verklaring van hun namen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Geschiedenis van de gemeente Boom