De Berthouts en de Heren van Grimbergen

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1992-1993

Voordracht door Prof. Jan Verbesselt (°1913 + 2000)

Mevrouwen, Mijne Heren,

Spreken over de Berthouts is voor mij een aangename taak, want
het is één van mijn stokpaardjes; maar het is geen eenvoudige
zaak, want dan moet ik U in eerste instantie verklappen van-
waar de Berthouts gekomen zijn en secundo zal ik U ook vertel-
len dat er ook Berthouts in Boom geweest zijn.

Ik zal dus trachten deze Heren te situeren. Bijzonder is dat
wij de Berhouts situeren moeten in de feodale periode. Ik weet
niet of U bekend is met deze feodale wereld; een wereld op
zichzelf die meer dan een eeuw standgehouden heeft.

Van waar is die feodale wereld gekomen? Dat weet niemand.
Wat we echter kunnen vaststellen is dat wij moeten vertrekken hier
in ons Brabant, dat wij dit bekijken moeten over verschillende
periodes, ja tot zelfs de periode van Karel de Grote incluis,
dat is de jaren 800. Brabant, de pagus Bragbatensis omvat
alles wat gelegen is tussen de Dender, de schelde, de Rupel en
het Graafschap Leuven. De Dijle hoort er niet bij. Dit zeer
grote gebied was verdeeld in verschillende diakonaten, kerke-
lijke delen dus.

Dit grote Pagus Bragbatensis zal uiteindelijk verdeeld worden
onder twee groten, te weten Brabant, dit is Dender- en Dijle-
gebied en Leuven wat Haspengauw includeert.

Het is ook hetzelfde met de structuur van de gouw Brabant: het
is ingedeeld in niet minder dan vijf graafschappen waaronder
Brussel, Halle en Aarschot als bijzonderste. Helaas ook deze
graafschappen vallen uiteen, zo maar uiteen. Het is niet te
verwonderen dat ze verdwijnen of opgeslorpt worden.

Zo moeten wij ons de feodale wereld van de jaren 900 à 1100
voorstellen. Hier in ons Brabant staan wij tegenover Vlaande-
ren wel 100 jaar achteruit, wat de evolutie of de éénmaking
betreft. Vlaanderen is reeds sinds 900 bekend.

Het uiteenvallen der graafschappen betekent dat ge nergens nog
een bepaald houvast meer hebt: bijvoorbeeld het graafschap
Halle, een gebied 80 parochies groot, daar is op korte tijd
niets meer van terug te vinden, tenzij alleen nog langs de
parochies om, die ons dan vertellen hoe het ongeveer moet
geweest zijn.

Om even wat dichter bij ons te blijven, kijken wij naar Meche-
len. Mechelen is nooit een graafschap geweest. Zeer eigenaar-
dig, maar Mechelen is ingericht geweest door de Prins-Bis-
schoppen van Luik, de tijd van Notgor, dwz. ong. 730. En toch
vindt ge er niets van terug. We kunnen gerust zeggen dat er
slechts één principe gespeeld heeft: Ieder voor zich en God
voor ons allen. Zo is dat.

Van waar is dan toch dit alles gekomen? Eenvoudigweg zijn er
bepaalde Heren opgestaan en die hebben rond zich heen wat
geschaard en vergaard. Ze hebben nochtans wel moeten afrekenen
vooral met de Kerk van die tijd. U mag niet vergeten dat de
meeste instellingen, parochies van toen en zelfs dorpen,
toebehoorden aan een abdij of enig andere Kerkelijke instel-
ling. Nemen wij het voorbeeld van Kontich een zeer groot blok
dat zeer lang standgehouden heeft: wel, Kontich behoorde tot
de Abdij van Lobbes. Deze abdij bezat ook langs de andere kant
van de Rupel heel wat eigendom: St. Amands en Baesrode.

De Abdij van Lobbes echter hoorde toe aan de abdij van Nijvel.
Zo kan de Abdij van Nijvel hele blokken opslorpen, om het in
moderne woorden te zeggen 10.000 ha. En dit voor één abdij!

Vanuit Gent treffen wij  de St.-Pieters en de St.-Baafsabdijen.
Die vind je in heel Vlaanderen terug, tot zelfs in Duitsland
met de abdij van Korneliemunster bij Aken, en dicht bij ons te
Puurs en omgeving. Je vindt zelfs een abdij in Frankrijk: de
St. Baafs van Arras. Er bestaat dus een wereld van wereldrijke
bezittingen, maar en bestaan ook geestelijke of kerkelijke
bezittingen en daar is niets tegen te zeggen: het is kerkelijk
bezit, het is van hen en daarmee amen.

En al die andere wereldrijke bezittingen dan? Hier hing de
één van de andere af: men was dienstplichtig, de één van de
ander en hieruit is uiteindelijk de feodaliteit ontstaan. Heel
de feodaliteit, dat is één opslorpen geweest van al die klei-
nere verdeelgroepen. Zo zullen wij de eersten die te vinden
zijn, de heren van Grimbergen ontdekken. Zij weten maar te
best dat het gaat om het bezit der grote overgangen der rivie-
ren. Want die overgang beduidt dat het om een belangrijke
plaats gaat waar iedereen tegengehouden wordt en waar tol
geheven wordt.

De burcht van Grimbergen, een molhoop, als het ware, bestaat
nu in 1993 nog altijd. Ocharme 13 m hoog. En waar heeft die
burcht gestaan, waar was die gelegen? Juist, voor de toegang
tot de overgang van de Zenne in Vilvoorde. En die toegang tot
de Zenne daar, dat was juist de plaats waar de grote baan
voorbij komt die vanuit Brugge via Gent en Aalst naar Brussel
leidt. Een stuk van deze oude baan bestaat nu nog.

Die van Grimbergen komen dus voor die overgang van de Zenne.
Maar daar worden ze gestuit door andere mannen, nl. De troepen
van de Graven van Brussel.

We kunnen ons voorstellen hoe de posities worden ingenomen:
aan deze kant de Graven van Brussel, aan de andere kant de
Berthouts.

Hoe weten wij nu dat die baan uit Gent aangelegd was? Dit
alles werd ons bekend door de uittocht der Heiligen uit Gent
ten tijde van de Noormannen: men vluchtte met de relieken uit
Gent waar verschillende abdijen waren en zo vinden wij langs
de weg kapellekens van deze Gentse heiligen. Ook daar vindt ge
de plaatsen waar de Berthouts zich zullen vestigen, nl. de
bergplaatsen.

Een parallel geval kennen wij met Brussel dat ook door de
Graven van vlaanderen wordt bezet. En wat met Mechelen? Wat
heeft dat te betekenen? Wel, Mechelen is juist de overgang
van de Dijle en de samenloop van Zenne en Dijle. Dit wil
zeggen dat st. Rombauts niet de oudste kerk van Mechelen is,
maar wel O.L. Vrouw over de Dijle.
De vertegenwoordigers van de Prins-Bisschoppen van Luik, van
Notger, die vinden we terug vanaf ong. 970. En de Berthouts
zullen we nog later ontmoeten.

Nemen we het voorbeeld van Duffel. Ook een fameuze overgang,nl.
over de samenloop met de Nete. Natuurlijk zijn hier de Berthouts.
En Rumst!  Dat blok van Rumst dat buiten Rumst,
Heindonk, Ruisbroek, Boom en   Willebroek bevat.
Allemaal fameuze blokken. Verder de overgang van de Rupel: Hellegat, dat is  een deel van Puurs, daar wat dat Puurs een blok uitmaakt dat  de Heren van Grimbergen toebehoort. We ontmoeten verder nog  Bornem en St. Amands: allemaal weer die van Grimbergen aan de  overkant. En naar de Dender toe: Ninove,
eens te meer de Heren van Grimbergen.

Heel dit grote gebied der Heren van Grimbergen is ontstaan
door het in bezit nemen van grond, en van de oevers der rivie-
ren en wie die bezit heeft de controle over alles.

Zo vergroot ge steeds uw gebied. Die van Grimbergen bleven
niet bij de pakken zitten: ze begonnen ook nog op andere
plaatsen bijvoorbeeld in het Walendal en in de kempen: wij
vinden ze in Tongerlo, in oevel tot in Breda toe.

Er zijn wel geen akten bekend over de vorming van het gebied
der Grimbergers: we stellen later alleen vast dat ze er ge-
weest zijn en dat het feodaal bestel gevormd werd. Het is
later wel uiteengevallen, maar kom. Er is toch iemand geweest
die het gebied in handen heeft gekregen: en het was geen
kleintje, dit gebied. En dan in één keer vinden wij Wouter van
Grimbergen, Walterus de Grimbergensis, de grote, Magnus, de
man die de abdij van Grimbergen zal stichten.

Dat is een exponent van een tijdsevolutie. De feodale wereld
die van niets tot iets komt en waar wij grote en kleine mensen
zien. Want dat is juist de feodale wereld: ge hebt er grote,
maar ook vele kleintjes: de leenheren. Wat is dan een leen?
Wel, geen eigen bezit, want zulks vindt ge alleen bij de grote
abdijen. Een leen is een bepaalde afhankelijkheid van iemand
die hoger staat dan gij, of om het eenvoudig te zeggen: gij
moet onderdanig zijn, gij moet uw heer helpen in nood, gij
moet bijspringen, zelfs bij het uithuwelijken van dochters en
volgens de bestaande wet bepalen welk meubelstuk het beste is,
want daar had de heer recht op.

Zo ontstaat een situatie die trapsgewijze opgebouwd wordt:
enkele groten en honderen kleinen, en die kleinen dan op hun
beurt lenen een stukje verder uit: ge moet er zelf uw porte-
monnaie niet voor opendoen, want het gaat alleen om feodale
verplichtingen. Zo wordt de feodale wereld opgebouwd. volgens
de oorkonde van 1096 verschijnt ineens Walterus de Grimbergen-
sis.

Het eigenaardige is de abdij van Affligem, een stichting van
Hendrik, de graaf van Leuven. Die van Brussel was al lang
vergeten en er is nog enkel sprake van een kastelein, de
vertegenwoordiger van de graaf van Leuven.

Wat heeft de abdij van Affligem te betekenen? Wel zij maakt
het eerste geval uit van de Renaissance in Brabant, dwz. dat
wij daar staan voor de grote hervorming op kerkelijk gebied,
maar ook van het feodaal stelsel, namelijk dat de kerkelijke
verordeningen worden voorgeschreven waarin staat dat al wie
kerkelijk bezit of goed heeft, dit alles moet afstaan en in
werkelijkheid afstaat ook.

Wat gebeurt er met die goederen. Wel, door het afstaan van
kerkelijk bezit ontstaan nieuwe grootgrondbezittingen en
onstaat tevens een hele hernieuwing in het kerkelijk leven van
die tijd. De abdijen worden de centra van kerkelijk leven. Zo
wordt Affligem de grootste van Brabant. Want wat vinden wij in
1086 ? Geen Berthout hoor, die komt er niet bij te pas. Alleen
de Graaf van Leuven, Hendrik die is de baas in de streek.

Waarom? Omdat hij de abdij sticht op de grens van Vlaanderen
en van Brabant, langs de grote baan van Brugge, via Gent en
Aalst naar Brussel. Dat is Affligem! Een stichting op de
grens der feodale orde. Dit is totaal nieuw. Affligem wordt de
grootste abdij van Brabant door wat zij krijgt aan goederen.

Wat kunnen wij hieruit afleiden? Affligem wordt gesticht en
welke getuigen vinden wij vanaf de eerste schenkingen? De
heren van Brussel, de heren van Lennik, de heren van Asse, de
heren van Latem, van Hamme en geen Grimbergers. Die komen er
niet bij te pas.

We moeten wachten tot 1096, de oorkonde van de schenking van
Ida van Boulogne die gronden en het bezit van Genappe in
Waals-Brabant aan de abdij schenkt. Wie treden op als getuigen
? Wel, als voorlaatste in de rij van tien treffen wij voor het
eerst Walter van Grimbergen aan. Dit wil zeggen dat hij tov.
de hertog en de graven nog niet veel te betekenen had.

In 1107 noteren we nogmaals een schenking aan Affligem: Zellik
komt aan de abdij door de genade van hertog Godfried, Godefri-
dus dus. Wie komt daar voor het eerst te voorschijn als getui-
ge ? Walterus de Grimbergensis.

Verder 1125: Arnould en Geeraard van Grimbergen verschijnen
voor het eerst als getuigen bij de grote gift aan Affligem
door de Graaf van Aerschot. De twee Grimbergenaars zijn immers
de opvolgers van Wouter.

Vervolgens 1138: Om u enigszins de opvolging aan te geven:
weerom geen heer van Grimbergen vermeld bij de algemene beves-
tiging van goederen van de abdij door hertog Godfried II.

Dan in één keer komt iemand voor de dag. We hebben Walthe-
rus, Walter de Oude, de man die wij kennen door de akte van
Grimbergen, degene die de eerste poging deed om een klooster
te stichten in Grimbergen, en ook een tweede, maar allebei
werden het mislukkingen.

Het zijn de zonen van Walter, Wouter en Geeraard die het
vervolg geschreven hebben, het zijn Grimbergers, geen Bert-
houts, ze zijn immer en altijd heren van Grimbergen.

De eerste die wij ontmoeten dateert 1143-1190. Dwz. de periode
waarin de Grimbergse oorlog heeft plaatsgevonden. Wat betekent
zulks? Dat is eenvoudig niets anders dan dat de heren van
Grimbergen die wij zo ineens zien verschijnen in slag geraken
met de hertog van Brabant, de oudste uit het hertogdom sinds
1108. Twee machtsposities tegenover elkaar: al de overgangen,
heel het gebied der heren van Grimbergen staan bij het begin
van het hertogdom Brabant: want ziet, de graven van Aarschot
verdwijnen, deze van Halle eveneens, al wat graaf geweest is
verdwijnt en er bleef er maar één over de hertog Godfried.

Dat kon niet anders dan tot conflicten leiden met de groten
van die tijd, want wij hebben nog grote heren in Wezemael, in
Rotselaar en in Kraainem. Als we de akten nagaan van Affligem
en van Grimbergen, dan vinden we hele reeksen van heren, maar
het gaat hem juist om de grootste te zijn en om de vestiging
van het hertogdom Brabant.

De Grimbergse oorlog is niets anders dan het uitschakelen van
de machtigen onder de feodale heren van Brabant. En dat zijn
er twee, de zonen Wouter II en Geeraard II. Daar zien we het
verschijnen van de Berthouts, nooit vroeger. Want in de oor-
konde van 1138 was geen Grimberger te bekennen als getuige van
de algemene bevestiging van de bezittingen van de Abdij van
Affligem door hertog Godfried II. Tot de akte van 1143, die te
dateren is 1143 à 1151, daarin zien wij dat Godfried, hertog
van Brabant, Waltherus Berthaldo sommeert samen met zijn zoon
Geeraard en diens zoon om de abdij niet meer lastig te vallen
te Buggenhout, daar het een kerkelijke bezitting was, verkre-
gen van de Graaf van Aarschot. Dit is dan ook de eerste geken-
de datum van het verschijnen van een Berthout.

Wie was dan die Waltherus ? Wel, de heer van Mechelen, de
voogd van de Prins-Bisschop van Luik. Deze vaststelling heb ik
kunnen maken, ook in het archief van Grimbergen, zodat we de
Grimbergse oorlog in feodaal verband hoeven te zien. We bezit-
ten wel de Kroniek van de Grimbergse oorlog, geschreven rond
1300, met de vermelding van al de heren die daar gevochten
hebben en die er bij betrokken waren: aan de ene kant die van
Grimbergen en aan de ander kant die van de hertog.

Wat is er dan gebeurd?

We weten alleen door de Kronieken dat er een slag van Ransbeek
plaatsgevonden heeft in 1142. Dat is een zeer curieuze datum.
Ik woon echter in de Ransbeekstraat en de slag van 1142 wordt
de slag van Ransbeek genoemd: dus dat gevecht tussen de rid-
ders van de heer van Grimbergen en de ridders aan de kant van
hertog Godfried heeft naam gegeven aan mijn straat.

Ik wil daar een anekdote bij vertellen, bijzonder omdat er al
heel wat te doen is geweest om die slag van Grimbergen.

Dit boek, dat epos, werd rond 1300 geschreven en handelt over
de Grimbergse oorlog. Er werd daar heel wat fantasie in verwe-
ven. Wel daar is de anekdote aan verbonden van Manneke Pis van
Brussel. Zoals gezegd woon ik in de Ransbeekstraat te Neder-
over-Heembeek, dwz. de straat die uitgeeft op de Burcht van
Grimbergen, die nog altijd bestaat en te bezichtigen is: het
is nog altijd dezelfde constructie, twee ringen rond de
burcht, een burcht omgeven van straten.

Wat is daar gebeurd? Ik ga dus de historie van Manneke pis
vertellen zoals die van Grimbergen ze voorhouden. Ze hebben de
jonge hertog uit Brussel gehaald en hebben die met zijn wieg
aan een boom opgehangen. Niet te geloven, maar ik bezit er de
afbeelding van uit de Kroniek van 1300 met de miniatuur waar
de hertog in de wieg aan de boom hangt en waar heel de histo-
rie van Manneke Pis aan verbonden is. Welke historie? wel die
van de hertog hebben altijd blijven volhouden dat die kleine
hertog rechtgestaan is in zijn wieg om over die van Grimber-
gen te wateren om zo zijn misprijzen uit te spreiden. Terwijl
ik die van Grimbergen altijd horen zeggen heb dat die kleine
simpel gewaterd heeft uit grote schrik. Maar het eigenaardige
is, dat op die gravure van 1300 de hertog daar hangt, in zijn
wieg aan een boom. Te Brussel troont Manneke Pis nog altijd in
de Eikstraat, dwz. volgens de legende nog altijd, dat ze de
eik waaraan de wieg gehangen heeft uitgedaan hebben en naar
Brussel overgeplant hebben. En toen die eik dan toch versleten
was, wel dan hebben ze daar wel een andere sokkel gezet.

Het meest opmerkelijke van deze zaak is dat wij persoonlijk
een paardenkerkhof kennen op de plaats van de slag. Dit paar-
denkerkhof kwam bij een groot onweder te voorschijn: de grond
werd overspoeld en omgewoeld en een grote hoeveelheid hoefij-
zers, paardenhoefijzers kwamen naar boven. Dit wil dus zeggen
dat dit paardenkerkhof verband houdt met die slag. Want in die
tijd kon men nog geen honderden en honderden mensen bijeen-
brengen voor een veldslag, misschien een paar honderd maar,
plus twee- of driehonderd ridders alles bij elkaar die daar
wat gevochten hebben.

Wij kennen daar ook een Godevaert veldeken, en het wil wel
lukken dat het om een Godevaert gaat, om Godfried, die kleine
die later hertog Godfried is geweest.

We hebben nog de Wimpelberg, waar, altijd nog volgens de
legende de wimpel van de hertog zou gewapperd hebben. Tot
daartoe.

Maar kijk, hoe bepaalde legenden toch een ondergrond kunnen
hebben en naar iets verwijzen. Zeker is dat die miniatuur
bestaat, dat ze van 1300 dateert, dwz. dat er toch iets over-
gebleven is van deze zaak.

Zo is het verlopen met de heren van Grimbergen.

Daarbij heb ik in het cartularium van Affligem nog een oorkon-
de gevonden van 1159. Hierin verleent hertog Godfried aan de
abdij van Horst een afhankelijkheid van Affligem, een heel
stuk gronden, een grote schenking. Wat schrijft hij hierin: Eo
anno quo delevi castrum Grimbergiensem in segnoque destruxi,
dwz. dit is een bevestiging van de slag tussen die van Grim-
bergen en die van de Hertog. Daarbij komt nog dat er één der
getuigen tekent: ego de atrio, een van Kerkhoven, een ridder
die getuigt: toen ik het kind op mijn knieën had. Zo kan dus
een legende bevestigd worden door gegevens uit oorkonden, waar
ge niet aan voorbij kunt, want die oorkonde is echt.

Dat was de Grimbergse oorlog. Wat wil zulks zeggen? Eenvoudig
weg dat wij een nieuw tijdperk ingaan met de heren van Grim-
bergen. En dit nieuwe tijdperk betekent de opkomst van de
Berthouts.

Wij zien voor het eerst Wouter, de broer van Geeraard. Deze
Geeraard blijft pertinent altijd Dominus de Grimbergen teke-
nen. Maar die Wouter, die van Mechelen, die naar Mechelen
verhuisd was, en die daar de grote man geworden is, wel die
tekent altijd als Berthout.

Dit is het verschijnsel: 1147. Na de slag van 1142 bevestigt
een oorkonde getekend door paus Eugenius 111 de bezittingen
van de abdij van Grimbergen. Naast een hele trits getuigen:
Walterhus qui dicebatur Magnus, walter de Grote, de vader. Hij
is de stichter van de abdij van Grimbergen. Daarbij komen zijn
zoon Gerardus Aldericus en Walterhus Bertholdus cum heridibus
suis Gerardo en Walterho de Eewe terra, die een groot gebied
aan de Rupel aan de abdij van Grimbergen schenkt. We zien dus
voor het eerst de naam Berthout verschijnen in de oorkonde van
Grimbergen, na de slag van Ransbeek, dwz. 1147-1154. Waar hij
zich noemt: Notum est sic quod ego walterhus Berthout Grimber-
gis Ecclesiae advocatus. Ik, Walther Berthout, voogd van de
abdij van Grimbergen, dat wil dus zeggen dat hij dezelfde
persoon is als degene die wij vroeger reeds kenden, de broer
van Geeraard. Wel die is begonnen zichzelf sinds 1147-1154 en
zijn opvolgers allemaal, te benoemen als Berthout, wat voor-
dien niemand deed.

Dit is eigenlijk de grote scheiding in het land van Grimbergen
als gevolg van de historie met de hertog van Brabant, namelijk
dat enerzijds Geeraard in het land van Grimbergen blijft en de
andere naar Mechelen trekt, om daar voogd te worden van de
Prins-bisschoppen van Luik.

Dat is toch wel iets zeer eigenaardigs. Wat komen die Prins-
Bisschoppen van Luik doen in Mechelen en hoe komt Wouter
Berthout daar terecht? Er is geen ander oplossing, ik heb ze
al gegeven, namelijk de overgang van de rivieren. Mechelen is
toch de overgang van de Dijle en O.L. Vrouw over de Dijle ligt
aan deze kant en St. Rombouts aan de andere kant. Wat hebben
wij nog te Mechelen? Dijle en Zenne komen er samen en hogerop
hebben wij de Rupel. Daaraan kunnen we heel de zaak der bezit-
tingen van de Berthouts knopen en ook deze der heren van
Grimbergen. Het is namelijk zo dat alles wat langs de kant van
Wouter is gegaan, Berthout is. Wat echter langs de kant van
Geeraard is gegaan of gebleven dat is Grimbergen. Daar is geen
twijfel mogelijk.

Maar… Men heeft door de tijden heen er één van gemaakt:
Berthout.

En ’t schoonste van de zaak blijft altijd dat de
heren van Grimbergen zich tot in de XIII de eeuwen zolang ze
geleefd hebben zich altijd heren van Grimbergen hebben ge-
noemd. Ze hebben nooit de naam Berthout gebruikt, nooit en nu
de laatste, Geeraard, noemt zich Principes de Grimbergen,
prinsen van Grimbergen, dat zijn de oude.

Daartegenover zie je in Mechelen de Berthouts. Daar moet je
dus het onderscheid kunnen maken.  Zo kom ik tot het geval van Rumst en Boom.  Zijn dat de heren van Grimbergen? Zijn dat Berthouts ?

Wel, wij hebben daar in feite niets van, tenzij een late echo,
namelijk in het jaar 1290. Dat is namelijk de deling van het
land van Grimbergen en het land van Rumst dat tot dan toe langs
de heer van Grimbergen, -.Geeraard van Grimbergen, altijd van
Grimbergen één blok is geweest. Dit blok werd verdeeld. Welke
betekenis heeft Rumst? Wel, we bevinden ons daar aan één der
voornaamste overgangen van rivieren in ons land, Nete en
Rupel. En wat omvat het blok Rumst? Rumst, Boom, Heindonk,
Willebroek en Ruisbroek.

Wel, als ge ziet wat Heindonck betekent. Het is een stuk van
Zemst, parochiaal altijd geweest, maar gelegen aan de overkant
van de Rupel. Het blok Rumst-Boom heeft daar werkelijk heel
dat gebied bezet. Spijtig, langs de kant van Geeraard van
Grimbergen is Godfried van Perwez de opvolger geweest en de
laatste erfgenamen van de Perwez waren heel grote heren uit de
kring der hertogen.

Zo is dat ook met Grimbergen vergaan. Wanneer de heren van
Grimbergen verdwijnen van het toneel, zien wij de Perwez
verschijnen langs de hertogen om. De laatste dochter van
Perwez trouwt met Philips van Vianden. Na de dood van Philips
volgt de verdeling van het land van Grimbergen en het land van
Rumst: twee grote blokken werden gescheiden.

Tussen haakjes in het Rijksarchief heb ik een schat aan ar-
chieven van wel 2 m3 gezien in verband met het land van Rumst
en deze omgeving dus. Spijts het aandringen van de rijksarchi-
varis, die me aanspoorde het te ontginnen, heb ik de tijd niet
gevonden om het na te pluizen. Wel heb ik het even nagekeken.
Een wenk voor de liefhebbers!

Wel, ik heb dus in feite een evolutie gezien van de Berthouts
en ik zeg dat voor wat de feodalisatie betreft, het een zeer
gewone gang van zake was. Na jaren is bij mij de gedachte
gerezen dat zoals families uit de feodale periode 1300-1400,
zo’n 300 jaar stand houden en dat het dan gedaan is. En ik
merk op dat het met de heren van Grimbergen of met de Bert-
houts of hoe wij die ook zouden noemen, hetzelfde is gebeurd.
1309-1313: de laatste Berthout van Mechelen, hij staat nog
altijd aan de laatste pilaar in de kathedraal van St. Rombouts
met het opschrift: “De laatste van de serie”.

Zo waren wij dan bij de Berthouts beland. Toch wil ik nog een
paar figuren van de heren van Grimbergen belichten. De eerste,
Walter, moet ik U niet verder afschilderen. Wat hij gepres-
teerd heeft is de bekroning van zijn werk: hij verschijnt
ineens en zoals alle heren van die tijd heeft hij geprobeerd
zijn bezit moreel te versterken door het stichten van een
klooster of een abdij. Hij heeft het wel twee maal moeten
proberen, zo staat het toch in de oorkonde van de stichting
van de abdij van Grimbergen. Het is uiteindelijk wel gelukt in
1128. Wat betekende dit? Hij heeft zijn macht morele steun
verleend door de stichting der abdij.

Dit hebben ook de hertogen gedaan. Ze hebben Affligem gesticht
en Groot-Bijgaarden en Vorst. Allemaal om hun macht meer steun
te geven. Dat is juist wat ik de Renaissance van Brabant heb
genoemd: wij kruipen uit de put van de feodaliteit en er komt
iets nieuws. We krijgen de grote pauselijke encycliek van 1070
die beveelt dat al wie kerkelijk bezit heeft,dit moet restitu-
eren, hetgeen ze gedaan hebben, maar de meesten en de groot-
sten van hen hebben een klooser of abdij gesticht: de abdij
van ’t Park, gesticht door de hertog. We hebben de abdij van
Rozendaal, deze van Wezemaal enz. Iedereen is er toe gekomen
zich te vereenzelvigen door een stichting. Dat is het nieuwe
in Brabant, alhoewel het evolueerde. In vergelijking echter
met Vlaanderen staat Brabant 100 jaar achteruit. Want Vlaande-
ren was reeds geconstitueerd en volledig uitgebouwd in de jaren
900-1000.

Wat is er in Brabant achtergebleven rond die vestigingen?

Dan hoeven wij enkel te denken aan kastelen en burchten. Zoals
de nog bestaande burcht van Grimbergen. Ze zijn van daar wel
verhuisd naar het centrum van Grimbergen om daar een prinsen-
kasteel te bouwen, na ’t verwoesten van hun burcht. Overal in
de meeste dorpen vinden wij kastelen, de opvolgers van de
motte, dat een soort vesting was: cfr Londerzeel, Merchtem,
Asse, Lennik: de eerste grondvesten van de kastelen.

Nog enkele heren van Grimbergen, die het ver gebracht hebben,
zal ik even in ’t licht zetten. De zonen van Geeraard II van
Grimbergen, nl. Geeraard III en Aarnoud, hebben allebei het
centraal gedeelte van hun patrimonium, dat is het onver-
vreemdbaar familipatrimonium, waaruit de heren van Grimbergen
waren ontstaan en dat altijd een condominium was, gemeenschap-
pelijk bezit behouden en in die zin altijd beheerd en de
herkomst ervan bevestigd. Dat is de eeuwen door condominium
gebleven, welke ook de heer was, want wij hebben in Grimbergen
twee takken gekend. Zelfs later, zijn de Nassau’s in Grimber-
gen geweest en de heren van Aa, de casteleynen van Brussel of
Anderlecht, als een latere tak van het condominium van Grim-
bergen. En de heren van Perwez, de voornaamste heren rond de
hertogen Hendrik I, II en III die de specialiteit hadden
verdragen te sluiten tussen Brabant en de prins-Bisschoppen
van Luik.

Het is wel opmerkelijk in hun geschiedenis; de heren van
Grimbergen, die gaan uit elkaar, het komt terug bij elkaar en
tenslotte komt het terug naar het land. Zo zullen de broers
Geeraard en Arnoud in 1188 getuigen dat ze zich “principes”
noemen, een titel die geen enkele edele familie zich heeft
durven aanmeten, tenzij de latere plaatselijke heren die het
Prinsenkasteel bewoonden, kasteel dat bij de aftocht der
Duitsers in 1944 werd opgeblazen en dat nog altijd in deze
staat gebleven is. De laatste bewoners ervan waren de Herodes.
Over Perwez ea. zal ik niet uitwijden.

Hier ik wil toch nog even terugkomen op een paar bijzondere
leden uit het geslacht van de heren van Grimbergen of de
Berhouts, nl. Arnould de Brabander met zijn voetstokers uit de
Kempen. Die Arnould de Brabander, de eerste Berhout, is een
zonderlinge kerel geweest in deze zin, dat hij vooral betrok-
ken is geweest in het Kempische gedeelte van het bezit van de
Grimbergers of de Berthouts. Want er is namelijk ook een band
tussen de heren van Schoten, die van Breda en de Grimbergers.
Het is zonderling dat ge die zo ver moet gaan zoeken. Dat
heeft vooral de belangstelling opgewekt van Goetstouwers, die
ze teruggevonden heeft te Ekeren, Kapellen, Kalmthout. Neem
daarbij de schenkingen aan de abdij van Tongerlo en ge beseft
dadelijk dat die Arnold de Brabander zich vooral in de kempen
situeert. Hij betrekt bij dit alles ook Wouter Berthout en
durft te zeggen dat Arnold de Brabander dezelfde persoon is
als Arnold Berthout.

Arnulfus Grimbergensis is in de oorkonde van 1159 getuige van
de bisschop van Luik bij een gift aan de Abdij van Tongerlo. In
verband met de bevestiging hiervan zegt hij: “Ego Berholdus
archidiaconus van Luik”. ook in 1183 noemt hij zich Arnulfus
de Grimbergen. U ziet hoe in deze periode éénzelfde persoon
met 3 namen benoemt, Arnoldus de Brabander, Arnoldus Berthout
en Arnulfus de Grimbergen. Diezelfde Arnuldus was aartsdiaken
in Luik tussen 1157 en 1197. Zo vinden wij hem terug in Ton-
gerlo.

Ik hoef er nog bij te vertellen dat, altijd volgens Goetstou-
wers het bezit der heren van Grimbergen ook verdeeld is gewor-
den in 3 delen:

Wouter erfde de goederen van het land van Ryen tussen Zenne en
Nete.

Geeraard de rechten ten westen van de Zenne en tot over de
Rupel;

Arnould het land van strielen maar leenplichtich aan Wouter I
van Mechelen Berthout.

Wij hebben nog een ander geval nl. een Grimbergenaar die wij
in Vlaanderen terugvinden, dit is Gilles Berthout I met de
baard. Theo Luyckx, een klasgenoot van mij in Leuven, heeft
daar een bijdrage over geschreven. Deze Gilles 1 is kamerheer
geweest van de Graven van Vlaanderen, en hij was ook broeder
van de Duitse Orde van Pitzemburg te Mechelen. Dit wil zeggen
dat hij zijn bezit aan deze orde heeft toegezegd. En Pitzem-
brug betekende heel wat. De goederen der Heren van Pitzemburg
strekken zich uit tot in Brabant, waar wij hen oa. te Wolver-
tem terugvinden.

Deze Gilles I is ook de stichter geweest van Roosendaal,
tussen Walem en Kathelijne. Hij is heer van Berlaar, van Geel
en van Duffel en in 1202-1206 gaat hij met de graaf van Vlaan-
deren mee op kruistocht en ondertekent Egidius Berthout camer-
arius van Vlaanderen, gehuwd met Catharina Van Beloeil, een
der grote geslachten van Vlaanderen.

We hebben dus in 1202 een Berthout in Vlaanderen: hij noemt
zich kamerheer van de Graaf van Vlaanderen en voltrekt daar
heel zijn loopbaan in de zin dat hij één van de grote diploma-
ten is geweest van de Graaf van Vlaanderen, zo in de geschil-
len als wat de landsbetrekkingen met Engeland betrof. Die-
zelfde Gilles Berthout vinden wij terug als Dominus en Burg-
graaf tegelijk van Oudenburg boven Brugge. Zo ver in Vlaande-
ren vinden wij zelfs Berthouts terug. Hij trok ook mee met de
Graaf van Vlaanderen op kruistocht en vocht in 1217 mee met de
inname van Damiette. Hij wordt daar broeder van de Duitse
teutonisch orde.

Van deze teutonische orde is bij ons nog weinig geweten buiten
pitzemburg. Spijtig, want niemand denkt eraan dat bv. in
Vilvoorde, juist aan de overgang van de Zenne op de grote baan
van Brugge, Gent, vilvoorde, Leuven, Luik, Keulen, het gast-
huis is gesticht door die Teutonische Orde. Een stichting van
een gasthuis in die tijd betekent een passantenhuis langs de
grote baan, niet zo zeer voor zieken, maar wel voor de opname
van mensen die passeren.

Diezelfde Gilles Berthout is ook betrokken geweest bij de
stichting van Roosendaal in Walem in 1219 met zijn dochters
Oda, de eerste abdis, en Elisabeth. Wij vinden daar een merk-
waardig grafschrift nl. van de twee dochters Oda en Elisabeth,
die genoemd worden: Oda et Elisabeth filiae quodam Domini
Egidei Berholdo Domini de Berlare Gela et Duffel. We schrijven
1242.

Je ziet dus dat je altijd aan deze kant hier Berthouts tegen-
komt, en aan de andere kant die van Grimbergen. Dit is merk-
waardig, want als wij nu spreken van de Heren van Grimbergen
zijn wij altijd geneigd te zeggen de Berthouts, omdat zij het
langer in handen gehad hebben en ook belangrijker zijn gewor-
den door het bezit van Mechelen. En als ge de ligging van
Mechelen kent, nl. de sleutelposities langs de weg in midden
Brabant, halverwege Brussel en Antwerpen, en aan de overgang
van de Dijle, en bezit van de Prins-Bisschoppen van Luik, wel
dan moeten wij aan de Berthouts toekennen wat het toekomt,
waarmee gezegd wordt: eens over de Dijle zit ge bij de Bert-
houts.

Deze paar zaken wilde ik even onderlijnen. Als algemeen be-
sluit zou ik formuleren dat wij hier in het land van Rumst, en
omdat wij vandaag in Boom zijn, mogen zeggen dat wij één der
oudste en bijzonderste geslachten van Brabant als heren hebben
gehad en dat zij het belang van het gebied stevig onderlijnd
hebben, nl. de samenloop der rivieren Nete, Dijle, Zenne en
Rupel en de grote overgangen.

Daarbij blijf ik er ook bij dat de grote baan die ik vanuit
Asse en Aalst over Rumst trek, doorgekomen is in dit gewest en
dat zij het oudste litteken van de streek is.

vragen gesteld vanuit de toehoorders:

V : Over de Heren van Rumst mag men toch nooit spreken als
over een Berthout.

Antw.: Ze komen als dusdanig niet voor.

V : In Niel kennen wij toch een Berthoutplein !

Antw.: Ik weet niet vanwaar zulks gekomen is. Wij zitten hier
met de abdij van Lobbes via Kontich, een der oudste
vermeldingen in de vita Reinildis. De abdij van Lobbes
was een der grootste abdijen. Kontich met al wat er
parochiaal bijkomt, is steeds blijven bestaan tegen
alle kerkelijke regels. Bij de oprichting van het
Aartsbisdom Mechelen in 1559 door Granvelle, wordt
Kontich aan Granvelle toegewezen. Hij doet zich voor
als bezitter van de parochie, en beweert altijd dat hij
Kontich bezit ter persoonlijke titel en daar dus ook
pastoors benoemde. Eigenlijk was dat een voorrecht uit
de jaren 1100-1200 toen in vele parochies ook de heren
de bazen waren van de zogenaamde eigen parochies. De
parochie was hun eigen bezit met al wat er bijhoorde.
Maar dat wij deze situatie nog terugvinden in 1559 is
des te merkwaardiger: Granvelle was toch geen kleine
heer. En zijn opvolgers hebben slechts geprofiteerd van
hetgeen hij verkregen heeft.

Antw: In gans het aartsbisdom Mechelen vinden wij in die
periode geen enkel voorbeeld meer dat de heren van
Kontich nog het recht hadden een pastoor te benoemen en
aan te stellen.

V : Na heel uw uiteenzetting der blokken, overgangen, dus
uitwisselingen enz. interesseert mij alleen dit: Hoe is
de eerste van die families aan die bezittingen geraakt?
Er moet er toch één begonnen zijn.

Antw.: Wel dit is nu éénmaal het feodale stelsel.

V. : Die zeggen dus: dat is van mij en die er durft aanko-
men…

Antw.: Het feodale stelsel hé, deed alles uiteenvallen en ook
de rangorde viel uiteen. Wij kenden in ’t Groot Bra-
bants gewest vijf graafschappen die alle uit elkaar
vielen. De Graaf van Leuven is overgebleven, en palmde
Brussel in. Van Brussel bleef slechts een beheerder
over. Zo moet U zich dat voorstellen dat een die zich
op een bepaald ogenblik cruciaal heeft kunnen vestigen,
van daaruit…

V. : Ze hebben het dus gepakt?

Antw.: Nee, ze hebben niets gepakt.

V.
: Als ik nu grond wil verwerven, moet ik ofwel van de
privé of van de gemeente of zo.

Antw.: Dat bestond niet. We leefden in de feodale wereld. Van
waar kwamen de heren? Er zijn er niet te veel geweest:
de wezemaals, de Rotselaars, de Kraainems. Zij zijn
grote heren van Brabant geworden eenvoudig omdat zij
het bezit van de abdij van st. Baafs in Gent hebben
beheerd en overgenomen. Meer niet. Zo kan je ze allen
situeren. Overname van het bezit van iemand, een grote-
re. Langs de grenzen hebben ze motten opgericht, geen
kastelen maar motten, een soort versterkte hoeve. Dat
was het spel van die tijd.

V. : Is de naam Drakenbaard historisch?

Antw.: Hij wordt gegeven, maar ik heb hem nergens gevonden.
Drakenbaard is de eerste Wouter. Hij wordt in een
kroniek Drakenbaard genoemd, maar in die oorkonde, die
ik ken, wordt hij Magnus fundator genoemd, stichter
van de Abdij van Grimbergen. Drakenbaard is zoiets dat
ergens in een kroniek is terecht gekomen. Hij zal waar-
schijnlijk een verschrikkelijke baard gehad hebben, hé.
Dat is zeer romantisch.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Geschiedenis van de gemeente Boom