Het onderwijs en de opvoeding van onze grootouders

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1992-1993

Lezing door Lode Jordaens, genoteerd door M. Vereycken

Spreken over het onderwijs en de opvoeding van onze grootouders  is heus geen gemakkelijke taak. Het zou zelfs onmogelijk zijn indien wij niet eerst even de sfeer van vroeger konden oproepen.

Die sfeer van vroeger terug oproepen, betekent dat wij de tijd situeren waarin onze grootouders leefden, dat wij gaan zien hoe die mensen er zich doorsloegen, zodat wij een vergelijking kunnen maken met wat wij vandaag kennen en beleven.

Wanneer wij als heemkundigen proberen de situatieschets te tekenen, hebben wij de dag van vandaag tal van hulpmiddelen ter onzer beschikking. Ik koos voor dia’s, die ik hier vanavond aan u zal tonen.

Niemand zal ons vandaag tegenspreken wanneer gesteld wordt dat de waarheid en de moraal van onze grootouders, volgens de jeugd van heden, achterhaald is. Maar niettegenstaande dit is het ook waar dat wij nog altijd teruggrijpen naar ’t geen onze voorouders geleerd en beleefd hebben. Het zal dan ook blijken uit wat ik U te vertellen heb, dat wij op onze dagen veel houvast verloren hebben. Spijts dit alles kijken wij toch graag naar foto’s van vroeger kijken en zien wij dat onze voorouders uit een tijd komen, die wij als “statisch” bestempelen. Want U weet bijvoorbeeld dat, wanneer deze mensen vroeger een plaatje lieten schieten, zulks gebeurde bij de genade van een cameraman. Deze kroop achter zo’n groot ding en trok een zwart doek over zijn hoofd. Iedereen moest enkele seconden lang onbeweeglijk stil staan eer ze op de gevoelige plaat konden gezet worden. Deed U het niet, dan was het resultaat een gevaarlijk zwarte vlek en … alles moest opnieuw  beginnen.

Wel, op de dag van vandaag leven wij op de tegenpool. Het kan allemaal niet snel genoeg gaan: een product ligt nog maar amper op de tafel of er is al een ander, en beter! Eén van de mooiste voorbeelden, om deze vaststelling te staven, vinden wij in onze musea, wanneer wij die tenminste bezoeken. Wij vinden er de Romeinse balans, de “eussel” zoals wij die in ons  dialect noemen. Deze balans is eeuwenlang meegegaan en wij vinden ze terug op schilderijen en tekeningen van Rubens,  Breugel, enz. De dag van vandaag kom je in de winkel en waarachtig er staat een andere bascuul dan de vorige dag. Nu moet er immers vermeld worden wie U bediend heeft, of het met een “smile” was of niet, of je in guldens betaalde of in Belgisch geld. Wij leven immers op de grens en met twee portemonnaies op zak. Nu is de tijd aangebroken dat er niet meer zo veel naar Nederland wordt gegaan. Het is er te duur geworden en de tijden wisselden.

Wij gaan nu vanavond wandelen, zonder auto, zonder fiets,
zonder motorfiets, in een tijd waarin er veel geloof was. In een tijd waarin ook veel bijgeloof was, want een tijd van geloof betekent ook een tijd van bijgeloof. Immers waar geen geloof is, kan ook geen bijgeloof zijn.

Wij verplaatsen ons vanavond even naar mijn streek, naar de geurige tijden van de Kempen. Op de heide kon men vredig de schapen hoeden en wanneer een fikse regenbui opstak, kon je gewoon uw klederen uitspelen en boven op uw klederen gaan zitten wachten tot die bui voorbij was. Om dan terug uw klederen aan te schieten, want die waren immers droog.

Die tijd is de tijd van onze schaapherders op de Kalmhoutse heide. Wij in Essen hebben bijna 600 jaar onder de kromstaf van Tongerlo geleefd. Gewoon een gift van de heren van Rijs bergen, Bernard en Arnold. Zij schonken hun vrijgoed Essen, Kalmhout en Rijsbergen aan de abdij van Tongerlo. Die paters kregen wel de opdracht om goed voor hen te bidden en zij konden voor de rest de mensen uitzuigen zoveel als zij wilden. Zo ging dat in die tijd.

De stroper die achter het wild aanzat, beleefde zijn beste periode in oktober – november. Dan was er op de heide en in de streek van de hei toch ook wat te vinden en moest er met de lichtbak op uitgegaan worden. Ook die tijd is voorbij.

Wij zijn ook nog altijd fier op ons wapenschild. Wij hebben ons wapenschild ontleend aan prelaat Herremans, destijds prior op de wreefhoeve, de man die de eerste supermarkt in onze streek bracht. Daar immers vonden onze boeren zaaigraan, men kwam er zelfs om vee, meststoffen en later om kunstmeststoffen.

Onze boeren haalden daar alles en gebruikten het. Deze prior heeft in de late eeuw bij ons een dertigtal hoeven gebouwd, waarvan er nog enkele overblijven en waarvan de Kiekenhoeve er eentje is.

Wij hebben zijn wapenschild overgenomen, omdat het zo wonderwel bij ons past, zo vonden wij. De devies luidt: “patienter et forti ter”, sterk en geduldig. Dat zien wij verzinnebeeld in die twee ossenkoppen en het lam. Wij leven nog steeds onder de mijter van Tongerlo, lopen nog steeds gebukt onder de kromstaf van Tongerlo, want bij ons zijn nog drie priesters witheren. Men noemt ze nog steeds witheren, alhoewel ze meestal in ’t zwart gekleed lopen.

Wij hebben hun wapenschild overgenomen, maar ook hun geloof.
Ik ben geboren onder de toren van Wildert en ik kan er niet onderuit. Mijn geboortedorp was een kalm, vredig en rustig dorp, waar iedereen iedereen kende, waar iedereen langs achter binnenliep. Alleen bij de pastoor, de nonnekes en de burgemeester werd een uitzondering gemaakt: daar moest je aan de voordeur kloppen. Voor de rest liep je bij iedereen langs achter binnen.

Op deze dia zie je de plaats, een ware woestenij, waar de paters Redemtoristen sinds 1906 een rusthuis probeerden te bouwen voor hun paters. Maar de streek was zo onherbergzaam, dat men er maar een kweekschool van gemaakt heeft. Wanneer je daar binnentrad, moest je de pretentie hebben om pater te worden, anders kwam je er gewoon niet in. Het was nog de tijd van drie maand binnen, dan even naar huis om vers geld en verse klederen en dan weer voor drie maand binnen om dan het noviciaat uit te doen.

Wanneer de dorps fotograaf op het dorp verscheen, werden de beste klederen aangetrokken en werden de foto’s gemaakt.
In die tijd werden er ook al schoolfoto’s gemaakt: eventjes stil blijven en naar ’t vogeltje kijken. U kan merken dat Essen ook niet onder de verfransing uitkon. Het was de tijd dat de nonnekes van Berlaar zich “soeur” noemden, dit bleef zo
tot in de jaren zeventig. Het was uiterst moeilijk dat er uit te krijgen. Nu zijn er nog een paar zusters.

Wanneer je de schoolplaats bekijkt en zo de mensen van vroeger terug voor de geest roept, dan zie je dat de kinderen vroeg betrokken waren bij het arbeidsproces: de winterarbeid in de schuur, in de lente op het land. Dit had tot gevolg dat we in de winter konden spreken van een massa kinderen in de school, maar in de zomer waren de banken leeg.

In ’t pensionaat Mont-Sainte-Marie hebben de meeste Essenaren hun wijsheid opgedaan. Ze deden dit met het rekenmachine van die tijd: het telraam. Je mocht, als je braaf was, de bollekens verschuiven.

Heel voornaam was het wanneer je in de beste kamer werd toegelaten, waar steeds het hele fotoboek van de familie uitgestald werd. Wanneer men paters of nonnekes in de familie telde, dan zaten die op de eerste bladzijde; daarachter kwam moederoverste van het gezin, enz… om dan vanachter nog een weinig plaats te laten voor de knecht en de meid. Die boeken beginnen terug te leven en dan zie je mensen zoals die bij ons in de streek leefden: sober en schamel gekleed, want kleding maakte de rijkdom uit. Dit kunnen wij terugvinden wanneer wij de boedelbeschrijvingen bekijken, die in de abdij van Tongerlo berusten. Wanneer een boer failliet ging, en in die tijd kon een boer nog failliet gaan, was dit omdat hij zijn huur niet kon betalen aan de paters. Kan je je inbeelden wat het betekent als je 1/10 van je oogst en je dieren moet afgeven aan de paters en je er niet kunt geraken. Dan werd alles netjes opgeschreven. Hier merken we dat de kleerkast en de linnenkast één van de zaken zijn die een beeld schetsen van de rijkdom van het gezin. Hoe meer linnen, hoe meer tin, hoe meer keukenpotten in de kelder, hoe rijker het gezin. Daarbij kwam nog het statussymbool: het paard. Zo komt het dat bij vele van onze boerengezinnen, wanneer ze zich lieten fotograferen, dat paard mee op de foto stond.

Wie woonde in het dorp? In dit trosseltje huizen rond de kerk vind je natuurlijk een smid, een wagenmaker, een gareelmaker of zadelmaker. De mensen die zulke bedrijven in het dorp hadden, zijn deze die we terugvinden in het bestuur van het dorp. Dezelfde mensen vinden wij in het kerkbestuur en in het schoolbestuur. Het zijn steeds dezelfde namen waarop je terugvalt. Zij hadden gewoonlijk naast hun café een winkel. Zondagsmorgens kwamen de dorpelingen naar de kerk en stalden hun paarden aan de ringen van de herbergen. Moeder de vrouw gaf haar boodschappentas af, die dan werd gevuld tijdens de mis. Nadien dronk de boer zijn druppeltje, moeder de koffie en de kinderen chocolademelk. Zo kon dan voor hen de week weer volop beginnen.

Eén van de figuren van het dorp was de dorpsonderwijzer. De kinderen speelden nog met eenvoudige dingen. Toen was Sint-Nicolaas nog St.-Niklaas. En als de geit geslacht werd, of het schaap, dan dienden de kootjes van die geit als bikkels. De bikkels waren het gegeerde speelgoed voor de kinderen.

De deugnieterij, wel daar moest je zelf voor zorgen. Als de vlierboom in zijn sap kwam, dan kon je daar een flinke tak uitsnijden en van die vlierboom een klakkebuis maken. Dan kon je lekker van die natte proppen tegen het bord schieten, zodat de onderwijzer dan op speurtocht moest naar het verboden wapen.

In het cafeetje gebeurde natuurlijk ook ’t één en ’t ander. De ruzies, die zich daar afspeelden, vinden wij beschreven in de schepenakten en in de verbalen, die daar opgesteld werden.

Wie zijn nog notabele dorpsbewoners? De herbergier en de veekoopman. Zij hadden de centen om een foto te laten maken. Prachtige foto’s, die wij hebben gekregen van onze dorpsfotograaf… Je ziet, alleen gegoede mensen hadden ’t geld en de tijd om een foto te laten maken.

Op de foto’s zie je ook de grens met de douaniers. De gendarmes aan de grens pronkten toen ook graag met hun uniformen.

De koffiebrander bij ons op het dorp was ook geen minbegoede. Hij had flinke dochters, die allemaal mee op de foto mochten.Hier zie je de boer op de foto. Dit is nu de situatie van de boer: heel zijn hebben en houwen staat mee op de foto. Hij had één paard en één os. De meid en de knecht en heel het gezin staan er mee op, want ook zij behoorden tot het patrimonium van de boerderij.

Nog een paar voorbeelden: de beste kleren aan en de bakker erbij.
’t Zijn juwelen van foto’s, gemaakt op de gekende glas-fotoplaten. Wat opvalt is de kledij van die mensen: grijs, sober, zwart. En ook de juwelen: die werden speciaal bovengehaald. Op de achtergrond zie je weer dat paard.

Wij kunnen ook in het museum spreken over de mode. De kleding, die bij ons wordt bewaard, was meestal grijs en zwart.

Bemerk de prachtige borduurwerken!

Op ieder dorp woonden ook wel een paar kwezeltjes: zij hadden van de boerderij afstand gedaan, onderhielden de kerk ter ere Gods en verzamelden de berichten van het dorp. Ze wisten precies wie op dit uur en dag getrouwd was. En indien er na negen maand nog niets was, dan “zal er toch wel niets fout zitten met die, zeker ?”. Ze wisten alles precies te vertellen.

Er was ook de knecht. Die mocht voor de foto even zijn beste pak aantrekken en mocht zo mee in het familiealbum. Ook de vrouw van de knecht mocht erbij, je merkt het alleen aan haar mutsje: het vrouwtje met de mooie kroezelmuts. De vrouw van de boer, dat zie je zo, zij was de heerseres over de boerderij.

Dit zijn enkele van die mooie voorbeelden, die wij bezitten in ons museum. Wij, grensbewoners, smokkelden en wij smokkelden niet alleen voedingswaren. Wij smokkelden ook brieven. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd deze foto opgestuurd naar vader aan het front. De grens over en via Zeeuws-Vlaanderen ging deze foto achter de Ijzer en zo werd vader op de hoogte gebracht van wat er zich thuis had afgespeeld. Hij had waarschijnlijk zijn eigen kind nog nooit gezien. Dan werden graag wat centjes bij elkaar geteld voor deze bijzondere postzending.

Bekijk dat hele heterogene gezelschap dat een dorp bevolkte!
Deze foto werd bij een jubileum gemaakt. Bemerk die prachtige Kempische muts, die het vrouwke draagt. Uitzonderlijk vind je soms wel eens een arbeider op de foto, maar dan is het ook weer wanneer hij aan de arbeid is. Het is wanneer de baas moet kunnen pronken met al wat hij bezit. De mensen van bij ons werkten in dienst van het kasteel en meestal in het bos.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd er ook aan liefdadigheidswerken gedaan. Hier zie je een broodbedeling, die werd vereeuwigd.

Om een centje bij te verdienen, trok men naar het bos om mastentoppen te rapen. Deze werden dan verkocht aan de mensen van de stad: dit bracht een extra centje in de lade. Ook waren er steenbakkerijen. De meeste van hen waren uitgerust met ringovens. De mensen van het dorp werkten hier, in het hoogseizoen waren ze met een twintigtal.

In 1906 werd een coöperatieve melkerij gesticht en ook daar kon er wel een foto af met alle werknemers er op. Het keuter boerke, de boerenarbeider die heel de dag slooft en bij de boer slaapt, moet thuis toch ook zijn veld nog bemesten. Hij
gebruikt daarom een kruiwagen, daarop een vat en daarop een baalzak, want anders klotst heel dat goedje met geweld er nog uit. Hij diende ook zijn brood te bakken; daar had hij mutsaart voor nodig en ook daar was de kruiwagen een welgekomen hulp.

Een boerin van die tijd: rondborstig en breed gerokt. Tiere- liere zei ooit: “een boer heeft een kop lijk een meuke en de boerin een kont als een man”.

En nu even kijken hoe onze mensen vroeger woonden. De tijd van de lemen hutjes is voorbij en de dorpsstraten verschijnen. Er ligt nog geen bestrating. Het is toch droog als het droog is en het is nat als het nat is.

1912. Zo zag Essen er uit aan de grenspost. Aan die grens stonden de voertuigen te wachten, want de koetsier van het Nederlands gedeelte mocht niet op het Belgisch gedeelte. Daar werd dus gewisseld. Er kwam alvast verandering in wanneer in 1854 in Essen een trein reed. Het was een privé spoorlijn, die van Antwerpen naar Moerdijk reed. Toen was er nog geen brug. In Moerdijk moest je uitstappen, het vlot op naar de overkant van het Hollands Diep en dan kon je verder naar Rotterdam, enz. Het is die kasteelheer, waarvan de Kiekenhoeve in Essen deel uitmaakte, die de eigenaar was van die  spoorlijn. Er is dan ook een gemakkelijke geschiedkundige verklaring te geven bij de discussies over de richting die de TGV moet gaan rijden. Deze gaan over de bocht in Kalmhout, die er uit moet. Die is immers niet aangewezen voor de snelheid van de TGV. Wel,  die bocht is er juist vroeger ingekomen omwille van de kasteelheer, want daar begon zijn landgoed en de trein mocht niet door zijn tuin. De trein reed dus over de grond van het keuterboerke en spoorde zo Nederland binnen.

Naast de trein was er ook de fiets. Hierdoor werden de dorpen uit hun isolement gebracht. Meneer pastoor had er geen zicht meer op, want men kon zich uit het dorp verplaatsen op een mum van tijd. Het hek was helemaal van de dam wanneer dan na die fiets de motorfiets verschijnt en later de autobus. Hierdoor is eigenlijk het interne dorpsleven een stuk verloren gegaan.

Hierdoor komen vreemde invloeden het dorp in en kan men niet meer spreken van de eigenheid van het dorp. ’t Is logisch dat meneer pastoor peinzend nadenkt over wat er met zijn parochianen allemaal gebeurt. Want deze krijgen niet alleen de gelegenheid om buiten het dorp te komen, maar er zijn ook andere mensen, die het dorp binnensijpelen. De bezembinder bijvoorbeeld, die zijn spullen komt verkopen en die verhalen vertelt uit het andere dorp; de voerman, die terugkomt uit de stad en die de rode lichtjes heeft gezien en dit vertelt in geuren en kleuren; de scharesliep, die zijn toer alle jaren maakt door het dorp en die in Terhagen zijn winterkwartier had.
De familie Van Poppel kwam in Terhagen bij elkaar om daar de winter door te brengen. Na de winter ging iedereen zijn eigen weg en vertelden ze wat ze allemaal weer gezien hadden. Ook de mensen, die lepels en vorken en messen vertinden en de bedelaars, brachten invloeden van buiten het dorp binnen.

De dorpelingen woonden niet langer meer in lemen hutten, hier en daar zag je op één nacht een huisje verschijnen en dan mocht het blijven staan. Volgens de wetgeving van toen mocht een huis niet meer afgebroken worden als het er ’s morgens stond. Allen verbleven onder één dak, mensen en dieren. Eerst verschenen er arbeiderswoninkjes, want van bij ons uit pendelden nogal wat mensen naar de stad. Ze trokken naar de haven, want daar was meer te verdienen dan bij de  boeren. Al deze huisjes hadden een tuin, waar ze staakbonen kweekten, want die brachten veel op. In de kelder stonden in de winter de keukenpotten met gezouten kolen en bonen en noem maar op. Ook verschenen de grotere hoeven, die verschaften dan wel wat meer arbeid.

De koeien stonden te dampen naast de keuken, want men was zuinig in die tijd. In de muur tussen de keuken en de stal was een opening: in dat venstertje stond het olielampje. Dat brandde zeer zuinig, want de brandstof was duur. Je vindt in diezelfde keuken, waar men leefde en woonde, de bedstee. Daar treft je de eerste tekenen van de devotie van de mensen aan, de patroon van de goede dood, St.-Jozef. Al wat in de bedstee gebeurde, was gezegend, want de paternoster hing erbij. Men stapte in bed met wijwater en het product lag naast het bed in de wieg. Wanneer daar wat teveel lawaai gemaakt werd, werd aan een koordje getrokken en men wiegde de zaak in slaap. Ik kan u hierbij vertellen dat wij volgend jaar onze thematentoonstelling zullen houden over de geboorte en de gebruiken hierrond. Wij gaan proberen de evolutie en het te slapen leggen van de kleinen te illustreren aan de hand van wiegen.

De buggy van toen: het looprek waarin het kind zich vrijelijk kon bewegen. Eens het kind uit zijn bussel gekropen was, dan werd hij in ’t looprek neergezet en kon hij ten minste 1,5 m. over en weer huppelen.

En ’s avonds bij de openhaard overdacht en overschouwde de Kempische boer datgene wat de dag hem gebracht had. Bovenop de schouwplank hing dan weer het kruisteken en vind je ook de tekens van geloof en bijgeloof: “God ziet mij, hier vloekt men niet” en “Geloofd zij Jezus christus”. Dit waren de absolute attributen die boven een openhaard vereist waren.

Naast de keuken vind je ook de moos met het mozegat. Ik zou zeggen het toenmalige aanrecht, een gemetste bak. De vaat werd daar gedaan. Tussen de vaat door werd ook gekarnd, de melk werd afgeroomd en tot boter gemaakt. Deze werd dan verkocht.

Een vaatwasmachine van 1900 ! Zo simpel was dat:, een emmer water, er werd even doorgekwanseld, daarna  te drogen gehangen en tegen de volgende maaltijd was alles weer droog en bruikbaar. Een voorbeeld van de zuinigheid van onze mensen:  de teemst, die kapot was,  werd nog aaneengebonden met koordjes zodat hij toch nog kon gebruikt worden.

In de beste kamer van de boer trad men niet zo vaak binnen.Alleen bij grote gelegenheden, wanneer er een familiefeest was, wanneer er iemand geboren of overleden was, dan kwam men er natuurlijk. Of als het kermis was, wanneer er frikadellen met krieken gegeten werden, dan was dit in de beste kamer te doen.

Daar vond je ook de juwelendoos van de boerin; de borden staan tentoon op de lambrizering. op de achtergrond zie je nog iets uit de Eerste Wereldoorlog, namelijk een speeldoos met daarop koning Albert en koningin Elisabeth en hun drie kinderen Marie-José, Karel en Leopold afgebeeld. Als je aan dat ding draait – het bevindt zich bij ons in het museum – dan kreunt dat op dit ogenblik nog steeds de “Brabançonne”.

De lampe-belge. Ik heb de tijd nog gekend dat men deze lamp gebruikte. Je kan dat geluk noemen, je kan dat tegenslag noemen. Ik weet het niet, maar in de tijd dat ik naar het meisje reed, dan hadden ze daar nog geen electriciteit en vooraleer wij ’s avonds de deur uit mochten, dan moest er in dat ding 2 liter petroleum gegoten worden, want dit was zo
ongeveer het verbruik van één etmaal. ’t Was ook gemakkelijk: hoe hoger de liefde, hoe lager de pit, enz. Dat waren echte juwelen, die spijtig genoeg tot de verleden tijd behoren.

Als wij even naar het menu kijken van onze grootouders, dan zijn we vlug uitgekeken, hoor. We stellen vast dat het begon met ’s morgens op te staan. Je moest vlug een snede brood nemen, wanneer je de stal in moest om ’t eerste werk te doen.

Het was naar de nog simpelder ’s zondags. Eerst ’s morgens nuchter naar de  zesuren mis, dat was ongeveer een uur lopen, heen en terug. Dan vlug wat eten en dan werd het werk in de stal gedaan. Dan stond de tafel gedekt en was het verdorie heel goed dat er  spek op de tafel kwam, want boter kende men amper. Men had heel mooie vormen om boter in te doen, maar de boter werd meestal verkocht. Wanneer je een beetje geluk had en er was aan varken geslacht, dan kon je op enkele weken spek rekenen. ’t Beste stuk was al wel eerder naar meneer pastoor gebracht, maar daar stoorde de boer zich niet aan. Hij at zijn vet spek en doopte zijn boterhammen in het spekvet, daar wat  suiker op en hij had zijn morgenmaal gehad.

’s Middags petatten met ajuinsaus en soms vlees, nadien een bord pap. Als vieruurtje waren er boterhammen, roggeboterhammen met spekvet en bruine suiker, soms een stukje chocolade, als het niet te duur was. ’s Avonds werd de rest op tafel gebracht: de grote pappot in ’t midden. Met z’n allen rond de tafel, geen borden, wel iedereen met een grote ronde lepel gewapend. Zoveel banen pap sierden de tafel als er volk zat. Die tafel werd even schoon geveegd en één keer op de week kreeg die een schrobbeurt. Dan werd ze zeer degelijk opgeschuurd. Waren er nog wat petatten over van ’s middags, dan werden die ’s avonds in één pan gebakken en iedereen pikte naar believen, om het rustig te verorberen.

Je ziet hier nog zo’n Brabants klaptafeltje. Het was erg praktisch: je kon het opvouwen, zodat het minder plaats innam. Zo konden de mensen nog wat rondlopen, wanneer er geen eten opstond.

Wanneer wij naar de kleding van die mensen kijken, dan zie je aan de hand van de familie foto’s dat er wel een beetje het
modieuze in zit en dat er pareltjes bij waren. Meestal waren ze wel in ’t zwart. zwart, ach ja, wanneer had men tijd om iets anders te dragen? Je moet je voorstellen dat wanneer er in de familie iemand overleden was, ’t zij neven of nichten of
noem maar op, er zes weken rouw gedragen werd; voor tantes en nonkels eveneens zes weken rouw. Voor broers, zusters of aangetrouwden een half jaar en voor ouders en kinderen 1 jaar en zes weken rouw. Zo blijft in de grote families al niet veel tijd meer over om iets anders modieus te dragen. Alhoewel de vrouwen van de stad toch de mode volgden.

We kennen stilaan de mode van de hoeden, die de muts verdreef. Op de buiten bleef de muts wel het statussymbool. Men werkte door de week met het “koofje” op, ’s avonds zette men de mooie muts op. Toen was men nooit bloothoofds, zelfs niet bij het slapen gaan, want dan werd de slaapmuts opgezet. Het was een kunst om al die dingen te strijken. Daarom kwam je ook in ieder dorp een mutsenplooister tegen, die zich bekwaamde in het wassen en het stijven met suikerwater van die dingen. Op onze tentoonstelling “Goed gemutst” tonen wij u de kleding uit die tijd, die in ons bezit is.
Wij beschikken in ons museum over +/- 120 van die mutsen, die jammer genoeg voor een deel in kisten en dozen zitten. We hebben nog geen plaats om ze allemaal tentoon te stellen. Maar dat zulks mooi en bekoorlijk kan zijn, bewijzen toch deze specimen wel op de dia.

1906 ! Een juffrouw studeert af en haalt haar diploma af. Heel haar bezit vonden we 10 jaar geleden terug, zorgvuldig bewaard in bruine folie. Wij staan versteld van die mooie spullen, die de mensen van toen maakten. En als we denken dat wij de dag van vandaag frivool ondergoed bezitten, wel toen bestond er ook al zoiets, want die rode lintjes waren er niet voor niets.

U kent ze ook wel zeker?  Bij ons noemen wij dat een “open gerij” of ,een “snelzeiker”, zo’n broek.  Daar kon je niet van beweren dat er een kruis in zat, want dat zat er niet in. Onze boerenvrouwen droegen meestal zo’n flanellen ding en daar droegen zij nog een moederkenszakje boven op.

De opvoeding van onze jongeren en jonge dames was meestal gericht op het verzorgen van een gezin en daarom ook werd er heel wat aandacht besteed aan de naad. Zij leerden in de naaischool ook kinderondergoed maken, ze leerden verstellen en herstellen.
De eerste opvoeding van onze grootouders was echter al begonnen op de lagere school. Ik gebruik als materiaal simpelweg hun schriften.

Onze grootouders studeerden omstreeks de eeuwwisseling. Wanneer je die mooie schriften bekijkt, dan kan je stellen dan die mensen toen aan geheugen- onderwijs deden. Iets wat wij vandaag niet meer kennen. Onze jeugd spreek van blokken; ook wij moesten blokken. Maar dan stel ik me de vraag, wat moet het geweest zijn bij onze grootouders? Zij hadden geen leerboeken, dat was veel te duur, zelfs onbetaalbaar. Wanneer er iets nieuws geleerd werd, werd dit door de meester of de zuster voorgelezen en daarna op het bord geschreven. De kinderen moesten dit overschrijven in hun schrift met een prachtig sierschrift. Daarna moesten ze het tientallen malen lezen om het uit het hoofd te leren, tot ze het “van buiten” kenden.

Wanneer we een 10-tal jaren terug met oude mensen praatten, merkten we verbaasd dat ze sommige van die tekstjes, die ze  in school leerden,  nog van buiten de kenden. Ze liepen naar school waar de onderwijzer zich verdiepte in zijn boeken… De boekentas van toen was geen  merkartikel, maar hij werd door grootvader in elkaar getimmerd. Daar zat heel het hebben en houden in: de catechismus en de lei. En die lei en die catechismus, daar kwam alle wijsheid op en uit. In Essen kenden wij twee orden van nonnekes, te weten de Franciscanessen en de Zusters van het H. Hart van Maria, de Soeurs  van Berlaar. Het waren die zusterkes die ons de wijsheid bijbrachten.

Wij bezitten een grote verzameling van al die leerboeken. Onze bibliothecaris is er in gelukt die allemaal te catalogeren. Naast onze heemkundige bibliotheek bezitten wij ook het schooltje dat destijds nog dienst deed bij de opnames van “De
Witte”. We lopen er even door: vele van ons zal het herinneren aan vroeger. Je ziet het gebed voor het slapengaan, ’t schrift van mijn moeder. Zo leerde zij in 1919 schrijven. Zo leerde zij het metriek stelsel kennen en rekeningen maken. Dit alles  zonder rekenmachine. En nu maar klagen dat de kinderen tegenwoordig veel huiswerk hebben.

De leden van de koninklijke familie: mijn ouders leerden over “hunne” koninklijke familie Albert en Elisabeth en de kinderen Karel, Leopold en Marie-José. Men leerde toen nog vaderlandse geschiedenis en ze wisten allemaal dat Clovis gedoopt was.
De hardvochtige knecht, wie zou er niet door geïmpressioneerd zijn!

Wanneer het dan zo ver was, dat de lagere school voorbij was, dan was het vooral voor de begoeden weggelegd om de naaischool te volgen. Daar mochten zij die heel mooie werklappen leren kennen. Dit was helemaal gericht op het grootbrengen van een gezin. Ook de vaat doen en de hygiëne kwamen aan bod. U herinnert zich allemaal misschien nog wel uit uw jeugd, die fameuze flater. vandaag zou men denken dat er nog een derde geslacht is, want wij leerden wel tot hier ongeveer en men begon terug onder de knieën.

Het opstaan is vroeger altijd moeilijk geweest.
Dat is nog niet veel veranderd.

De grote schoonmaak tegen Pasen: om beurten allen in diezelfde kuip. Het was al een heel evenement om warm water te maken.Voor de tandpijn hadden ze vroeger al een goede remedie: gooi er een goede borrel tegen.  De volkscultuur is later gekomen, na de Eerste Wereldoorlog.

Wanneer ik zo’n 40 à 50 jaar geleden met medemensen sprak, vertelden die nog steeds dat er iemand uit het gezin voorlas, dat men de mengelwerken uit de kranten bijhield om ze door te geven.

Een “gazet” was toen veel te duur, ze kon niet zomaar door iedereen betaald worden. Alleen de begoeden konden dit.

Nadien kwam het volkstoneel, in de jaren ’25 – ’30. Dit betekende een echte doorbraak omdat de gewone mensen nu ook een culturele opvoeding kregen. Wij hebben het geluk een rijdende kiosk in ons museum te bezitten, waarop volkstoneel gespeeld werd. ook de speelman, die bij kermisdagen het dorp aandeed en liedjes bracht, was een niet weg te denken personage.

Om geboren te worden had men geen negen maanden wachten nodig. Bevestiging vinden wij in de parochieregisters. Zelfs in de begoede boerengezinnen trouwde de boer, maar kocht hij een kleine voor er 9 maanden voorbij waren. Gewoon een kwestie van controle: macheert de zaak, dan kon getrouwd worden. Er moest toch gezorgd worden voor opvolging om de grond te kunnen behouden. De eigenlijke stelregel waar het om te doen was! Vrijen en trouwen, vroeger verkocht men daar allemaal zoveel flauwe kul niet om.

Wanneer de tijd aangebroken was van de geboorte van het kindje, dan werd de man het huis uitgejaagd, want dan speelde de baker de baas thuis. Een man liep dan toch maar in de weg. Gedurende een tiental dagen zwaaide de baker in huis de plak.

Wanneer de kinderen hun plechtige communie gedaan hadden, kozen ze ofwel voor het huwelijk ofwel voor de religieuze staat. In ieder gegoede familie moest er toch minstens één tante nonneke of nonkel pater zijn. Wanneer je die al dicht in de geburen had, dan kon je al voor een stuk gerust zijn. Koos je voor de huwelijkse staat, dan kwam er al eens een liefje binnen.

Vader en moeder konden niet lezen noch schrijven. Als onderdanig kind las men dat briefje dan voor, tenminste wat voorgelezen mocht worden.

Dat er vroeger katjes geknepen werden in het donker, zoals Miel Cools zingt, dat is ook nog niet uit de tijd. Het blijft nog steeds het zelfde, stiekem aan de achterdeur, of even naar de kippen komen kijken. Dat er controleurs op het dorp waren, is normaal, die zijn er nu nog. Die hielden veel in ’t oog of ’t allemaal wel in goede banen ging. Helaas, soms ging het wel eens op het minder goede pad, wanneer er boven op de hooizolder toch dingen gebeurden die tot gevolg hadden dat er na enkele maanden iets te voorschijn kwam. Dan werd er ofwel getrouwd of verdween de boerenmeid van ’t dorp, om dan na 1 jaar terug te keren, weliswaar zonder kind.

Dit verklaart het feit dat weeshuisjes van toen druk bezet waren met vondelingen, die voor de kloosterdeuren gevonden werden.
Die kindjes werden opgevangen in het klooster of in weeshuizen.
De meisjes, die na 1 jaar terugkeerden naar het dorp, bezaten soms opeens een stukje grond. Hoe zij aan die grond gekomen waren, moest je maar raden.

Trouwen toen was een zaak die tussen de plooien viel. Voor de begoede man was dat feest, voor de gewone man kon dat een daggetje zijn dat hij niets deed, maar voor de doodgewone man was dat even naar het gemeentehuis en de kerk en dan terug aan het werk. Want hij kon niet gemist worden.

Foto’s maken was niet voor iedereen weggelegd. Toch wel, zoals hier, voor de dochter van de dorpsonderwijzer, wanneer zij huwde in 1912. Op ’t kasteel reed men bij elk huwelijk met de koetsen.

Vijftien à twintig jaar na de geboorte hadden de ouders goed hun plicht volbracht en moesten de kinderen maar op hun eigen benen gaan staan. En zo werd er dan terug een nieuw gezin gesticht, waar de devote gedachten van vader en moeder werden voortgezet. Er werd voor het eten gebeden en het brood werd gezegend. Zo raken wij ook het geloof van onze grootouders aan. Want daar is het allemaal mee begonnen. Als kind een hele week in zo’n boek zitten kijken waar de 10 geboden op stenen tafels stonden. Je ziet het gebed, ’t Onze Vader, mooi uitgebeeld; maar in datzelfde boek zie je ook de miserie uitgebeeld waarmee het allemaal begonnen is. Zij de schuld en de oorzaak! Je ziet de engel met zijn vlammenwerper, die onze stamouders de deur uit jaagt, die dan voor de eerste maal de man met de zeis voor ogen krijgen. De taferelen van de Ark van Noë. Gelukkig dat wij daar ver van afstammen. Een voorbeeld als geen: ’t gedweeë en de onderdanigheid van Jezus in het gezin van Nazareth. Wie herinnert zich niet het tafereel dat aanzet nooit geen ergernis te geven of ’t ware beter dat je met de molensteen aan de hals in het diepste van de zee geworpen werd.

Uit onze jeugd herinneren wij ons nog die missiepaters die kwamen prediken én voor de volwassenen, én voor de gehuwden, én voor de ouden van dagen, én voor de jeugd, én voor de kinderen.  Het waren allemaal  verschillende preken,
donderpreken. Maar voor de meesten van ons was het een  welgekomen afwisseling, want je mocht ’s avonds eens buiten.
Zo was het ook in onze grootmoeders tijd.

Hier zie je de rotswand met de zeven gaten, met het eeuwigdurend vuur en de duivel daar van onder. Maar je ziet ook dat het offer één van die dingen was waarmee de zaligmakende genade kon verkregen worden. Daar kon je ook gebruik van maken wanneer je voor, je zaligheid bad. Het is ook de tijd van de aflaten, de volle aflaat, 700 dagen – 300 dagen. Herinner je nog Portiuncula binnen en buiten de kerk, in en uit de kerk, zoveel keren en iedere keer werd een streepke gezet, want zoveel keer geweest betekend later zoveel mensen gered. In die context zijn onze grootouders en onze ouders groot gekomen. In die context zijn onze grootouders ook gestorven. Het is dan niet verwonderlijk dat de schrik voor de dood bestond.

De priesters droegen toen nog met hun rug naar ’t volk en in ‘Latijn, waar je niets van verstond, de eucharistie op.
Iedereen ging wel devoot naar de kerk en zat met de beste wil naar ’t sermoen te luisteren.Maar het is ook de tijd van
de slapende kerk, want na 5 minuten preek lag 90% van de kerk te slapen. Er was ook de biecht: na al die miserie, die je meegemaakt had, kon je je pakje gaan afgeven in de biechtstoel, ten minste als je het schuifke niet kreeg. Daar zien we weer dat er twee op vinkenslag zitten: aan de ene kant de duivel die probeert, aan de andere kant de engelbewaarder. ’t Is altijd een gevecht geweest om dat zieltje. Wanneer de tijd komt, is de patroon van de goede dood, St.-Jozef, daar.

Alles wordt klaar gezet voor de laatste levensdagen, want dan worden de uitersten van de mens belicht. Die uitersten werden dan ook in gruwelijke taferelen uitgebeeld. Voor de begoeden ziet het er weer goed uit. Voor de anderen is ’t weer een vechten met de duivel aan de ketting. Kan je je voorstellen dat je als kleuter, als peuter of als kind, die niet of amper kan lezen, dat je in zo’n boek zit te bladeren. Je ziet ziektetaferelen, hoog op de wolken wordt dan ’t oordeel geveld en hier beneden is ’t gevecht nog in volle gang.

Ik heb ooit gezegd: “Geestelijke en morele armoede”. Ik denk dat het nogal straf is uitgedrukt. Ik ben van oordeel dat onze grootouders in een tijd leefden dat ze nog gelukkig konden zijn, in een tijd dat ze de plaats, waar zij geboren waren, aanvaardden. Ieder op zijn eigen plaatsje zal de wereld veel vooruit helpen. Dat waren de woorden van mensen van toen, in de tijd dat men H. Hart-beelden heeft opgericht in elk dorp, in iedere parochie, de tijd dat men op bedevaart ging, de tijd dat Vlaanderen zijn kapellekens had “waar men gaat langs vlaamse wegen”… Ik geloof niet dat het zo’n slechte tijd was. De houvast die onze grootouders en onze ouders aan die dingen hadden, moet voor hen een geweldige steun zijn geweest.

Een moeder gaat met een kind bij ’t Mariabeeldje even goedendag zeggen. De moeder moet toch enkele keren per jaar er zo eens tussen uit en gaat dan op bedevaart. Die bedevaart is niet voor haar alleen, want op bedevaart gaan betekent ook  gaan afsmeken en gaan bidden. Toch betekent dit voor de moeder een dag uit de dagelijkse slameur, weg van de zorgen van het gezin, weg van de zorgen voor de kinderen, zich eens een dag ontdoen van al die miserie, die in vele van deze gezinnen bestond. Men kwam dan terug thuis met de huiszegen. Je vindt zulks terug in het mooie handwerk dat toen gemaakt werd. Ze borduurden en telkenmale vind je die gelovige en godsdienstige inslag van onze grootouders terug. Op bedevaart gaan was niet alleen zoals ik zie, het geestelijke verzorgen, maar ook eens even verpozen, zeker voor de jeugd. Zo’n dag er uit, zo’n dag onder mekaar. Want toen mocht het zelfs gemengd in alle oefeningen.

Dan bracht men van alles mee: medailles, sculpturen. Van iedere heilige was er eentje. Je kon geen ziekte of geen euvel bedenken of er was een patroon voor. En op zoek naar deze patroon, kwam je dan tot een hele verzameling. Al die dingen werden dan aan zo’n grote veiligheidsspeld aan je onderhemd gespeten, tot er grote gaten inzaten. Het was het geliefkoosd geschenk van nonkels en tantes. Van de bedevaarten bracht men ook allerlei heiligdommekes mee, die je op zak kon houden.Tegenwoordig is dat vervangen door horoscopen, maar ik denk dat het oude toch iets zinniger is. Platen en gravures, meegebracht van de bedevaarten, sierden de woning. H. Hartbeelden of st.-Jozef troonden onder de stolp.

Werd het kermis in het dorp, dan ging eerst en vooral de processie uit. Eerst de fanfare met ’t vaandel -’t doet me denken aan Toon Hermans: “En men trok vanuit de parochiekerk naar verre oorden”. Na al die godsdienstige oefeningen hadden ze dorst. En dan werd er gedronken: de boer naast de knecht in ’t cafee. De boer dronk zijn dikkop, de knecht zijn halfke,  maar de knecht dronk er eens zoveel. Dan werd er dikwijls gevochten en veel gespeeld. Want toen bestonden er ook al gokspelen, de voorloper van de flipperkast.

Er waren spaarkaskens en er waren teerfeesten en ’s avonds dan moest je terug naar huis. En daar wachtte weer de bedstee, daar wachtte weer die wieg, daar wachtte weer dat wijwatervat om alle zonden van die dag te vergeten. Het was een tijd dat er nog schietgebedjes gepreveld werden. Als je nu aan de jeugd moest vragen wat een schietgebedje is, dan zouden ze gaan zoeken naar ’t een of ’t ander wapen, waar je elkaar mee kunt uitmoorden.

Maar toen waren dat machtige spreuken, die alle onheil konden voorkomen. Wanneer de bliksemschichten door de lucht slingerden, sprenkelde men wijwater door de woning. Je kon naar de dorpsfilosoof wanneer je een hoge bloeddruk had en men kon zelfs bij de waarzegster terecht om aan een goede vrijer te komen. Ze las alles in een glazen bol en ze wist te vertellen hoe je toekomst er uit zag. Grootmoeder, grootvader, mijn moeder en mijn vader hebben geleefd in die tijd wanneer het wat heet werd en wanneer er wat te veel borrels gedronken  werden in ’t café dat de herbergier nog altijd daar was om zo eens even van onder de toog de zageman te duwen: dan begon dit ding te knikken en begon te zagen en dan zag je hem in zijn vliegende vaan, want hij wilde naar bed. Dat wilde zo veel zeggen als “Hallo mannen, hou er mee op, want het is tijd”.

Met deze woorden zou ik ook willen zeggen dat ik er mee zou willen ophouden. Ik heb geprobeerd U even in de sfeer van toen te brengen, want wij als heemkundigen hebben een taak: het doorgeven van alles wat vroeger was en dat misschien wat somber leek, maar waar achter al die dingen inhoud zat. Een inhoud die wij in ons dagelijks leven maar al te veel vergeten zijn, inhoud die niet in de fles zat, maar in het nuchter hersenverstand.

En waarmee zij door het leven gingen en waarmee zij vochten om te komen waar zij moesten zijn: een gezin grootbrengen. Ik geloof dat mijn voorouders daar in gelukt zijn, dat wij het vandaag wel een beetje beter stellen dan zij. Maar dat wij als heemkundigen moeten proberen dat vuur, dat zij bezaten, door te geven aan de jeugd van vandaag om de brokkelingen, die nu dreigen verloren te gaan, te redden voor die jaren die na ons komen en ik zou zeggen zoals onze voorzitter vroeger schreef in zijn boek: “Verzamel de brokstukken opdat ze niet zouden verloren gaan voor het nageslacht”. Hij citeerde gewoon een psalm, die onze ouders in die tijd kenden. Dit is de opdracht, die wij hebben meegekregen als heemkundige kring.

Ik dank jullie voor jullie gehoor en ik nodig jullie allen uit om eens naar Essen te komen naar ons museum om daar even de tijd van toen te ruiken, te snuiven en te proeven. Dank U.

Geschiedenis van de gemeente Boom