Hotel De Scheepvaart

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1992-1993

Door Marcel Vereycken

In zijn boek “Hoe Boom groeide” vertelt Prof. Dr. Lamot: “Vanaf 1765 werd de Leopoldstraat dwars door de tuin van het kasteel getrokken. Dit geschiedde om de nieuwe steenweg naar Antwerpen rechtstreeks met de Veerdam in verbinding te stellen. De onteigeningen brachten voor de stad Brussel een uitgave van 21 894 gulden mee. Meteen deed de stad Brussel de afspanning” De Scheepvaart” bouwen.

op. cit. blz. 135.

en verder:
“In 1765 deed de stad Brussel een afspanning bouwen voor de reizigers die te paard of met hun gespan de tocht naar Brussel of naar Antwerpen ondernamen. Daar vonden
zij onderkomen in afwachting dat de boot aanlegde, om met al de reeds vermelde ongemakken van overstappen en wachten aan ieder sas, de reis voort te zetten.
De huidige “Scheepvaart” in de Leopoldstraat is die afspanning”.
op. cit. blz. 84.

september 1993.
De eerste dagen van de maand worden bulldozers aangevoerd. De laatste restanten van wat eenmaal “De scheepvaart”” was, worden met de grond gelijkgemaakt om plaats te maken voor een gloednieuwe residentie met twee handelsruimten, 9 appartementen elk voorzien van twee terrassen, één dakappartement en één studio. Garages en lift zijn tevens voorzien.

Vele Bomenaars, liefhebbers van oosterse lekkernijen zullen bij het aanschouwen der werken met weemoed het chinees restaurant “Canton” gedenken, de laatste commerciële uitbating van het pand.

Vroeger, om precies te zijn in 1969 had de familie Albert Cop- Thijs voor notaris Paul Hellemans een eerste deel van het fameuze pand “De Scheepvaart” verworven. Albert Cop diende zijn van heinde en verre bekende zaak uit te breiden en incorporeerde het verworvene in zijn winkels.

Toch zullen wij Jaak en Wiske Willemsen-Peeters niet kunnen vergeten. Hoe zouden wij de befaamde groene ingangspoort kunnen wegdenken? En het mooie segmentvormige houten timpaan?
De vertrouwde katrol, in vroeger tijden het onmisbaar getuig om de zakken paardenvoeder op te halen of te laten zakken. Wie onder ons heeft niet “Monsieur Jacques” met zijn autootje, dat kevertje, buiten weten springen, of springend dat karretje weten stallen binnen die grote groene poort?

De zaal! Onuitwisbare herinneringen aan de exploten van de fanfare der Sint-Jansvrienden kleven aan haar muren. De Vrienden repeteerden er niet alleen, maar verzorgden er ook hun  optredens.

Dit alles is nu verleden tijd.

Toch willen wij graag even terug naar de glorietijd van “De Scheepvaart”. Wij doen zulks aan de hand van een reisverhaal van de Engelse schrijver Robert Louis Stevenson, dat ons toekwam via de heer Paul Jacobs, producer BRTN. Het boek, getiteld “Waar ligt België” verscheen in vertaling van Anita Buyse bij Kritak in 1986.

Hier volgen zijn belevenissen.

REIS NAAR HET BUITENLAND.

Van Antwerpen naar Boom.

We verwekten heel wat deining in de Antwerpse dokken. Een stuwadoor en een heleboel bootwerkers namen de twee kano’s op en liepen ermee weg om ze te water te laten. Een bende kinderen liep hen juichend achterna. De Cigarette plonsde weg in een schuimwolk van spetterende waterdruppels. Het volgende ogenblik ging de Arethusa haar achterna. Een stoomboot naderde, vanop de raderkast riepen mannen schorre waarschuwingen,de stuwadoor en zijn sjouwers stonden te brullen vanop de kaai. Maar na een slag of twee waren de kano’s ver weg in het midden van de Schelde, en alle stoomboten, en stuwadoors en andere ijdelheden van de wal lagen achter ons.

De zon scheen helder; de vloed kwam opzetten: ruim vier mijl per uur; er stond een strakke wind, die af en toe een rukwind werd. Wat mij betreft, ik had nooit eerder in mijn leven in een kano met een zeil gevaren; en mijn eerste experiment, in het midden van die grote rivier, gebeurde niet zonder enig beven. Wat zou er gebeuren als de wind voor het eerste mijn klein zeildoek zou doen bollen?
Ik veronderstel dat het bijna was als een ontdekkingstocht in onbekende regionen, als het publiceren van een eerste boek, als trouwen. Maar mijn twijfels waren niet van lange duur; en over vijf minuten zal het u  niet verbazen te vernemen dat ik mijn schoot had vastgelegd.

Ik geef toe dat ik er zelf enigszins versteld van stond;
natuurlijk had ik altijd de schoot vastgesjord wanneer ik samen met mijn overige collega’s in een zeilboot zat, maar in een dermate klein en rank geval als een kano, en onder de aanstormende rukwinden, zag ik mezelf nog niet zo gauw hetzelfde doen; en het riep in mij enige geringschattende gedachten over onze eerbied voor het leven op. Het is zeker gemakkelijker om te roken als de schoot is belegd; toch had ik nooit voordien een gezellige pijp tabak tegen een onmiskenbaar risico afgewogen, en ernstig voor de gezellige pijp gekozen.

Het is een gemeenplaats dat we niet voor onszelf kunnen instaan vooraleer we op de proef zijn gesteld. Minder banaal, en zeker opbeurender, is de overweging dat we onszelf gewoonlijk als heel wat moediger en beter leren kennen dan we hadden verwacht. Ik geloof dat elkeen dat ervaart: maar het bange voorgevoel in de toekomst wel eens tekort te kunnen schieten, weerhoudt de mens ervan om dat blijde gevoel uit te bazuinen. Ik wilde oprecht, want het zou me veel angst hebben gespaard, dat er in mijn jeugd iemand was geweest die me beter op het leven had voorbereid; iemand die me verteld had hoe gevaren op een afstand het dreigendst zijn; en hoe het goede in je geest niet verdraagt dat het wordt weggedrukt; dat het je in het uur van nood zelden of nooit in steek laat. Maar we zijn allemaal geneigd om in de literatuur de sentimentele fluit te bespelen; en geen mens onder ons trekt naar de kop van de mars om er op de grote trom te slaan.

Het was aangenaam op de rivier. Er voeren een paar met hooi beladen aken voorbij. De stroom was omzoomd met riet en wilgen; en vee en grijze, eerbiedwaardige paarden hingen met hun zachtaardige hoofden over de dijk. Hier en daar was er een lieflijk dorp tussen de bomen, met een lawaaierige scheepswerf; hier en daar een villa te midden van een gazon. De wind hielp ons een heel eind de Schelde op en daarna de Rupel op; en we voeren tamelijk ruim toen we de steenbakkerijen van Boom, die over een lange afstand op de rechteroever van de rivier gelegen waren, in het zicht begonnen te krijgen. De linkeroever was nog groen en landelijk, met dreven langs de dijk, en hier en daar een trap voor de veerboot, waar misschien een vrouw zat met haar ellebogen op de knieën, of een oude heer met een wandelstok en een zilveren bril. Maar de rook en armoede van Boom en zijn steenbakkerijen kwamen elke minuut dichterbij, tot een grote kerk met een klok en een houten brug over de rivier het centrum van de stad aangaven.

Boom is geen mooie plek, en is maar voor één ding merkwaardig:
dat de meeste inwoners de persoonlijke mening zijn toegedaan dat ze Engels kunnen spreken, wat niet door feiten gestaafd wordt. Dat leidde tot een soort neveligheid in onze gesprekken.

Wat het Hotel de la Navigation betreft, dat is volgens mij het akeligste wat heel Boom te bieden heeft. Het gaat prat op een met zand bestrooide lounge, met aan de ene kant een bar die op de straat uitkijkt, en nog een met zand bestrooide lounge, donkerder en kouder, met een lege vogelkooi en een collectebus in de nationale kleuren als enige ornamenten, waar we het klaarspeelden om in het gezelschap van drie onmededeelzame  leerling-ingenieurs en een zwijgzame handelsreiziger te dineren. Het voedsel had, zoals gewoonlijk in België, iets ondefinieerbaars en toevalligs; het is mij inderdaad nooit gelukt om bij dat charmante volk iets te ontdekken dat op een maal lijkt; zij schijnen de hele dag door te knabbelen en lichtzinnig met levensmiddelen om te springen, op amateuristische wijze: ze zouden wel willen dat het Frans was, het is waarschijnlijk Duits, en ergens valt het tussen twee stoelen in.

De lege vogelkooi, schoongemaakt en versierd, en zonder spoor van de vroegere kwelende favoriet, behalve waar twee tralies uiteengebogen waren om er een klontje suiker tussen te proppen, zorgde voor een soort kerkhofstemming. De leerling-ingenieurs wilden niet met ons praten, en trouwens ook niet met de reiziger; maar spraken stil en zuinigjes met elkaar, of monsterden ons in het gaslicht, waarbij hun brillen glansden. Want al waren het knappe jongelui, ze droegen allen neusknijpers.

Er was een Engelse meid in het hotel, die lang genoeg uit Engeland weg was om allerlei grappige, vreemde idiomen te hebben bijeengeraapt, en allerlei eigenaardige, vreemde manieren, die hier niet nader hoeven te worden omschreven. Ze praatte heel vloeiend in haar jargon, vroeg of de manieren in Engeland veranderd waren en verbeterde ons beleefd wanneer we een antwoord trachtten te geven.

Aangezien we met een vrouw te maken hadden, was onze informatie misschien toch niet zo weggegooid als we dachten. Haar sekse houdt ervan allerlei kennis te vergaren en toch haar superioriteit te bewaren. Het is een goede tactiek en bijna onvermijdelijk onder de gegeven omstandigheden. Als een man ontdekt dat een vrouw hem bewondert, al was het maar om zijn geografische kennis, begint hij  direct op die bewondering in te spelen. Het is alleen door niet aflatende terechtwijzingen dat het schone geslacht ons op onze plaats kan houden.

“Mannen,” zoals Miss Howe of Miss Marlow zouden hebben gezegd, “zijn zo opdringerig”. Wat mij betreft, ik sta met lichaam en ziel achter de vrouwen; en behalve een gelukkig getrouwd paar is er op de wereld niets mooiers dan de mythe van de goddelijke jageres. Het bos invluchten baat de man niet; we kennen hem; heel lang geleden probeerde Sint -Antonius hetzelfde, en had naar algemeen wordt aangenomen een beklagenswaardig leven. Maar sommige vrouwen hebben iets waardoor ze de beste gymnosofist onder de mannen overtreffen: ze hebben aan zichzelf genoeg, en kunnen zich in hoge en koude regionen begeven zonder de steun van een of ander wezen met een broek aan.

Werkelijk, al ben ik het tegendeel van een praktiserend asceet, ik ben de vrouwen dankbaarder voor dat ideaal dan ik de meesten onder hen, of liever allen behalve één, voor een spontane kus dankbaar zou zijn. Niets is zo aanmoedigend als de aanblik van onafhankelijkheid. En als ik denk aan de slanke, beminnelijke maagden die de hele nacht op de tonen van Diana’s hoorn in het woud rondlopen, dwalend tussen de oude eiken, even ongebonden als zij, één met het woud en het sterrenlicht, onberoerd door de drukte van het driftige en troebele leven van de man – al zijn er vele andere idealen die ik zou verkiezen – dan voel ik mijn hart slaan bij de gedachte aan dat ene ideaal. Falen in het leven, maar met wat een gratie! Wat niet betreurd wordt, is niet verloren. En wat – hier laat de man zich horen – wat zou er overblijven van de glorie die met het inboezemen van de liefde gepaard gaat, zo er geen minachting te overwinnen was?

Geschiedenis van de gemeente Boom