Boomse steen 1910

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1993-1994

door Broeder Paul Peeters
(Foto: Alex Vinck )

De Boomse klei is tertiaire obligacene diepzee-klei, in relatief aanzienlijke grijze lagen voorkomend, tot 70 m diep. Er bovenop ligt een paar meter gele zavel en +/- 1 m donkerder zandige kooljèr (koolaarde), een arme landbouwgrond.

De klei bevat veel “onreinheden” van zuiver minerale of van dierlijke oorsprong : getuigen groot en klein van het dierenleven duizenden eeuwen geleden in die diepe zee. De vroegere trapjes-ontginning en later het schuin baggerwerk waren niet van aard om de horizontaal liggende, grotere fossielen te ontdekken. In het Natuurhistorisch Museum te Brussel vind je paarlemoerspiralen (20-30cm) van het nautulus soort, uit “onze” klei, mooie stukken, maar die ook pyriet bevatten en, behoudens speciale behandeling, in de open lucht snel vergaan. Daar staan ook versteende geraamten van grote zeeschil- padden en van een zeekoe, gevonden bij het jèrsteken op het gelaag van De Cock, nu ruim 100 jaar geleden. De kenschetsende schelp voor de Boomse klei is de +- 3 cm grote Leda Deshaysi.

Meest voorkomend bij het kleisteken waren de ekkerstenen (zie foto), die uit de klei gehaald werden; vingerkleine, meestal langwerpige pyrietknolletjes (markassiet), met binnenin fijn glanzende kristalletjes van zwavelijzer FeS, die wij, kinderen, kattegoud noemden. verder veel schelpjes en fossielresten, die niet gemakkelijk opgemerkt worden daar alles even grijs doordrongen is van fijne klei. Het best bewaard blijven nog de katoengskes,=haaitandjes, van verschillende soorten en grootten : brede, tot 7 cm lange, en kleinere, zwarte, kromme, scherpe, die ook elders en in andere aardlagen te vinden zijn; die konden wel de handen van de jèroepzetters kwetsen. Sommige van die jonge mannen droegen aan één hand een leertje om duim en wijsvinger te beschermen.

Tenslotte liggen, ten minste op 2 zichtbare niveaus, meer dan 1 m grote, ruim 1/2 m dikke, ovale ka’s (keien) verspreid; eigenlijk gegroeide formaties, van buiten witgrijs, van binnen geelbruin, harder, met spleten; de binnenste steenstof herinnert aan de druipsteen in de grotten. Deze ka’s (wetenschappelijke naam : septaria) werden op voorhand uit de kleihelling gebroken en in de op te vullen verdieping gestort. Ook voor de schoepen van de baggers waren ze een hindernis.

In de Rupelstreek lagen de meeste steenbakkerijen naast elkaar aan de rechter-(noorder)oever; te Niel en te Boom dwars onder de met de Rupel parallelle hoofdstraat west-oost : de Boomse en de Kapelstraat; verder, tussen de dorpskernen van Terhagen en Rumst, op het niveau van die verkeersbaan. De overblijvende dwarswegen gingen dus van de waterkant langzaam omhoog en heetten leien : Bassenlei, Flesseslei, Hoeklei… Als aan de andere kant van de straat ook uitgegraven werd, heetten de overblijvende wegen daar ook Schommelei, Bosstraatlei, enz.

De exploitatie gebeurde op een ongeveer horizontaal vlak. De kleiwand week dus altijd noordwaarts achteruit en werd hoger, maar ook beneden, op het werkvlak, werden putten gegraven, langs wier vertikale wanden houten stellingen toegang mogelijk maakten, ook met kruiwagens! (Later groeven de baggermolens die verdiepingen zonder moeite.) Op een bepaalde diepte raakte men aan een waterader. Dan werden soms pompen aangezet. Maar de verdiepingen liepen vanzelf vol tot ongeveer 1 m van de begane grond en werden in jaren aangevuld met gruis en puin. Vis werd er opgezet; allerlei groen gewas en onkruid, potsjèrbloemen(klein hoefblad) en -blaren, wederik, lis en riet, heroverden die verlaten hoekjes terug tot een stukje natuur, met kikvorsen en jak-over-thuizen(grote zwarte waterkevers), artissen (watersalamanders), korenbijters (libellen).

Wie daar eens op een stille zondag een trekkende reiger zag neerkomen, bleef verrast staan en wie er een blauwe ijsvogel zag vliegen, geloofde zijn eigen ogen niet. In de pitten; vol verrassingen voor onze kinderogen.

Van die hoogte of uit die diepten begon dus de ruwe klei haar reis naar de waterkant en naar het truweel van de metser, voor een mensenwoning; een van de oudste nijverheden van het mensdom. Bij de ontginning en de bewerking ter plaatse, het vervoer naar de steenmakers op de pletsen, naar de pannen-en de kerksteenmakers, het drogen in de lange lèzzes (loodsen), het bakken in de klampovens, het uitzetten naar de kó (kade) en het laden op een schip, hebben, nog in het begin van deze eeuw, veel mensen zwaar gezwoegd, voor een magerloon.

Die steile helling werd, tot voor de oorlog van 1914, afgegraven met steekschippekes, vlakke spaatjes met nogal korte steel. De mannen stonden als op smalle trapjes, staken vier-vijf dunne sneetjes af en wierpen die omlaag; elke knol of ekkersteen verzamelden ze in een ekkerbak; elk ekkersteentje meegebakken, stak als een los, purperblauw brokje gereduceerd ijzer in de baksteen. Ze voerden de klei op een grote hoop (jèdoop), daar kon ze in de winter kapotvriezen. De jèdoop moest éénmaal geheel omgekeerd en met water besproeid worden. met een houten spa, die telkens in een emmer water gedompeld werd, anders bleef de klei eraan plakken. zware arbeid, barvoets in de modder. Het besproeien gebeurde met een (k)eest, een soort grote houten lepel. Een deel van de jèdoop ging, voor de pannen en de plava’s, nog eens door de jèdmele(aard-molen) : een stevige vierhoekige kast; daarin draaide een verticale as, waaraan schuine, handvormige ijzers gesmeed waren, die de klei kneedde en omlaag duwde. Die viel er dan van onderen als een ronde massa uit, de struik. Aan de as was boven een lange boom gehecht, waaraan een paard altijd rustig rondliep, in het licht bouwsel, dat tegen de regen beschermde .

De steek was winterwerk, dat regen en koude dikwijls beletten. De steekschippekes droegen ze regelmatig avonds bij de Fikker (Viktor Wuyts), die sloeg ze terug scherp en temperde ze even in koud water. Een kleine jongen zag daar die donkere gestalten staan, in de rosse gloed van het smisvuur, met hun handen diep in hun zakken, een zelfgerold sigaretpeukje in de mond… Mijn volk.

En als ik nu de houtsneden van sommige Vlaamse kunstenaars zie, dan rijzen ze weer uit de schaduw van Mijn tachtigjarige herinnering op. Mijn volk!

De voerman bracht de malse, homogene klei van de putten naar de pletsen (plaatsen), waar de steenmakers werkten, in open lucht. In Niel, Boom en Terhagen reed hij door onder de straat gegraven tunnels die ze briggen noemden. Waar boven huizen langs de straat stonden, waren de bruggen natuurlijk langer. De oudste waren smalle pijpen, nauwelijks breed en hoog genoeg om een paard en de wagonnekes door te laten. Elke steenbakkerij had ten minste één zwaar trekpaard; de stallen bevonden zich aan de waterkant, soms op de hogere straat. Het paard trok, in het smalspoor, twee of drie wagonnekes klei naar de pletsen, droge steen naar de ovens, of gebakken steen naar de kô (kade), als het smalspoor door het miereke ging, dat de meeste steenbakkerijen daar tegen de springtijen van de Rupel afsloot. Anders werd de steen op open (krui)wagens gedaan, met een verticale voorwand en natuurlijk zonder zijborden (kisbedden).

De pletsen, aan beide zijden van de straat, waren, tussen de parallel lopende droogloodsen, lange, open, gelijkgeschalmde vlakten, door het smalspoor middendoor gedeeld in smallere helften van 8 tot 10 m breed; ze helden een weinig naar de loodsen toe, waar het regenwater in een ondiepe greppel wegvloeien kon. De smalle greppel tussen twee droogloodsen heette elzegriep. Elzenloof duwden ze in de brandgaten van de klampovens, om door de rook de gloeiende steen donker te maken (grijze, of blauwe steen, vooral kerksteen.) Toch zag ik nergens elzen tussen de loodsen groeien. Misschien euziegriep? Euzie is de ruimte onder een over de muur reikend dak.

De lage, nogal zwaar gebouwde wagonnekes, met omkip-zijsponden, hielden stil bij een steenmakersploeg. Op een plets werkten gewoonlijk 2 ploegen tegelijk, ieder op zijn helft, achteruitwijkend, soms naast elkaar, soms ver vaneen, en dan moesten ze de jèroepzetter roepen, die voor beiden zorgde.
Hij moest de werktafels van klei voorzien, zorgen voor water op de tafel en voor zand in de zandbak.

Droog zand was onmisbaar, om de klei te beletten te kleven waar ze niet moest; zo gebruikten de (brood)bakkers ook een snuifje meel als ze de deeg tot een broodvorm rolden. Fijn rivierzand werd per schip aangebracht en lag op een hoop, waar de kinderen gaarne in speelden. Met een houten rijf opengespreid, droogde het zand snel; men legde op de pletsen een voorraad aan; in het zandkot, een tegen wind en regen beschermd hoekje van een droogloods, waar de jèroepzetter het kwam halen. De jèroepzetter ledigde het wagonneke langs het spoortje, streek de brede hoop wat glad en spreidde er, zo nodig, lissematten op, tegen het drogen en tegen de regen. Alles deed hij met blote handen. Met gespreide duim en vingers streek hij een deeltje van de hoop omlaag, duwde beide handen erin en hief zo die klad op de werktafel, tot een massa in het bereik van de steenmaker. Dat moest hij ongeveer alle kwartiers doen, aan twee werktafels, soms een eind van mekaar. ’t Gebeurde soms dat hij zich kwetste aan een klein, scherp, in de klei overgebleven tandje van de sedert veel duizenden jaren uitgestorven haai Odontaspis cuspidata. Sommige jèroepzetters droegen een leertje aan hun hand.

De steenmakersploeg bestaat uit vier personen : de steenmaker zelf, twee afdraagsters en een jèroepzetter (voor 2 ploegen). Op een hoek van de werktafel (+- 1,70 m x 1,50 m) staat een houten waterbak (0,30 m x 0,30 m), daarin drijft de plaan, een dik vierkant houtblokje, wat breder dan een steen, met in’t midden een opstaand steeltje. Voor de waterbak ligt een duimdik houtblokje, wat breder en langer dan een vorm. Naast de rechterhoek van de tafel staat de even hoge vierkante zandbak met droog rivierzand.

Er zijn altijd drie steenvormen in omloop, stevige, rechthoekige “beukenhouten” bakjes zonder bodem, alnaar het steenformaat. De uitstekende langszijden zijn spits afgewerkt, om zo gemakkelijker te kunnen dragen.

De steenmaker is eigenlijk dé man van het vak en als men in het Boomse een monument van de baksteennijverheid zou oprichten lijk men in andere streken voor de mijnwerkers deed, dan zou dat een man zijn, die met zijn knoestige handen een klad klei in de vorm ploft.

De steenmaker geeft het ritme aan en mag commanderen, zijn snelle handen werken meest onafhankelijk van elkaar. Met beide haalt hij een klad klei van de hoop op de tafel, rolt die tot een dikke kegel en terwijl zijn linkerhand die omhoog tilt, strooit zijn rechter een snuifje zand op het blokje voor zich en zet er de lege vorm uit de zandbak op, de linker ploft de klei erin en schuift met open klauw het overtollige eraf en de rechter wrijft met de plaan uit de waterbak de klei in de vorm glad. De overschot van de greep klei wordt weer samen gerold, enz. Intussen bracht een afdraagster een lege vorm in de zandbak, ronselde er even in om de vorm met zand te drogen en draagt de volle vorm weg. Een greep klei is genoeg voor twee stenen, de rest vliegt tegen de hoop. Dit scenario herhaalt zich een paar keren per minuut, tot 7.000 keren per (lange) werkdag. (in 1900 van het krieken van de zon tot 8 of 9u ’s avonds, met -theoretisch- een uur en twee kortere pozen.) Altijd dezelfde beweging, de man als een dansende automaat, met een pruim tabak of een uitgedoofd sigarettenpeukje in de mond.

De afdraagster(of -drager) draagt de volle vorm voorzichtig 3 tot 7-8 m ver, buigt naar de grond en laat de steen keurig naast de andere glijden op de vlakke grond, schuift hem, zo nodig, met de platte zijde van de vorm terecht en keert naar de tafel terug. onderweg kuist ze de binnenkant van de vorm schoon met een vegemes(vaagmes), een zelfgesneden plat stukje hout, dat ze altijd bij ’t werk bij heeft. De gemiddelde leeftijd van de afdraagsters was in 1900 12 jaar, die was in 1910 wel een paar jaar hoger. Stel je de eerste dagen van het werkseizoen voor : ze legden enkele kilometers af, in hun blokken (klompen), maar meest nog barvoets, en moesten 3.000 keer hun jonge lijven naar de grond buigen. In ’t begin werden ze wel eens een kwartiertje afgelost, door hun moeder of zo. En ’s avonds doodmoe naar huis, zelden alleen, want de schemering en de donkere, enge droogloodsen waren niet altijd veilig, althans voor de meisjes. Kinderen, vertelt men, werden ’s morgens soms slapend op een kruiwagen naar hun gelaag gevoerd. Ter gelegenheid van een werkstaking in 1905 werd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers een foto getoond van “stakers” van 5 en 6 jaar. Verdedigers van die toestanden noemden het afdragen voor kinderen onder de 12 jaar “een gezonde gymnastiek in open lucht. Maar Wardje Anseele in dezelfde Kamer : “Er zijn te Boom en te Niel werkdagen van 15 uren en méér!

De rijen natte steen liggen netjes te blinken, op 2-3 cm van elkaar. Wanneer de afdraagster de steen uit de vorm laat glijden, komt er wel eens een fijn randje klei mee omhoog, dat dan met de vorm gelijk geduwd werd. Zo kan men handsteen gemakkelijk van machinesteen onderscheiden : op één plat vlak staat gewoonlijk een randje afgedrukt. De stenen werden per rijen geteld en het duizendtal zachtjes met een spijker in een weke randsteen gegrift. Felle regen maakte de oppervlakte van de natte steen hobbelig.

Als de stenen bij goed weer een dag of drie gedroogd hadden, moest men ze optrekken, d.i. op een langszijde overeind stellen, zodat de beide grote vlakken konden drogen. optrekken was kinderarbeid : tussen de dicht opstaande stenen was amper plaats genoeg voor een bloot kindervoetje. Je zag ze dan staan met gespreide beentjes, in alle richtingen om zich buigend, om de malse stenen zonder vingerindrukken recht te trekken en er bij het verstappen geen plat te trappen. Van loon geen spraak. Ze moesten het doen om te helpen.

Weer na enkele dagen diende de steen omgekeerd te worden om de onderkant in de zon te zetten. Dat heette weinen(of wijnen?) Meestal deden vrouwen dat, ook ’s zondags namiddags. Ze liepen diep gebogen achterwaarts langs de eerste rijtjes, namen met de ene hand een steen bij de hoek vast en de andere hand zette hem omgekeerd neer. Er ontstond dus een smal open paadje, dat zich zijwaarts verlegde. Die hoop rokken ging op slepende blote voeten altijd achteruit en de stenen vlogen betrekkelijk rap aan de andere zijde.

Geen lichte arbeid. Intussen sliep een kleine kleuter in zijn mandje in de schaduw van een droogloods. Ik zal daar ook wel gelegen hebben, 83 jaar geleden.

Helemaal uitdrogen moest de steen onder dak in de lezzes, de droogloodsen, lange, luchtige bouwsels met dicht pannendak, waarvan de smalle toegangen kiekengat genoemd werden.

Behalve een paar dunne, lange horizontale spar(r)en van de ene steunstijl naar de andere, waren de wanden open, soms met een zeer dunne 1 m. hoge rietafsluiting; de pannendaken reikten ver over. Tussen 2 loodsen liep een ondiepe greppel die ze elze-griep(elzen- of euziegreppel?) heetten. Een bredere afwatering heette laas. Daar zwommen wel bonte watersalamanders in, die je met een lang rietje eruit kon wippen, als ze boven kwamen ademen. Lis groeide er ook in; wij, kinderen, trokken er de vingerdikke lisstengels uit en pelden die af; de middenste kern was geel en week. Die aten we op; sterke boter, noemden we dat.

Het binnenvoeren en opstapelen in hagen, was gammen, gewoonlijk weer vrouwenwerk. op een open kruiwagen met hoge voorkant voerden ze de stenen binnen. In het midden van een lezze lag wel eens een smalle halve boomstam ingegraven, de klootweg(kluitweg) om het verzakken van de wielen te voorkomen.

Aan beide buitenkanten in de lezze lag een smal los plaveienvloertje tegen de vochtigheid van de grond, het pladekke; daarop werd de steen gestapeld, op een zijkant, één laag een beetje schuin naar links daarop een laag een beetje kruislings naar rechts, tussen alle stenen een kleine ruimte van ongeveer een vingerdikte, zodat “de wind” er overal doorkon. Op sommige plaatsen waar de lezze breder (en hoger) was, stond er ook te midden een grotere blokgam. Daar werd de steen dan droog en gereed voor de klampovens.

De eindeloze, smalle, grauwe droogloodsen gaven vanop de hoger gelegen straten, het troosteloos uitzicht aan de gelagen, toen een verzonken, boomloos doolhof, waar de Boomse potsjèrkladders hun karig loon verdienden, degelijke bakstenen vormden en brandden, terwijl ze zelf veelal in krotten woonden. Waar nu nog bouwvallige resten van droogloodsen overschieten, is de aanblik nog troostelozer. Schilders en tekenaars blijven er voor staan. Het kapotte raster van de panlatten herinnert aan de afgetakelde wieken van een dode windmolen, nog een getuige van vergane tijden.

Einde juni vierden de steenmakers St.-Pieter, met papieren vlaggetjes op de werktafel en met stopen bier. Het vormseizoen van de handsteen liep ten einde. De droge, groene steen moest naar de klampovens gebracht. Dat doen de paarden met de wagonnetjes, of de mensen met hun wagen. De klampovens hebben dikke muren, en boven meterbrede openingen onder het breed pannendak; wind en rook moesten er vrij doorheen. De inzetters stapelden de stenen ongeveer lijk de gamsters, strooiden met een gevlochten mandedeksel kolen tussen de lagen en spaarden smalle ruimten uit als een tunnel achter de stookgaten. De smalle deur sloten ze af met bleke steen, te weinig doorbakken steen, beplakt met klei. Dan bracht men met hout het vuur aan de gang in de brandkanalen. De rook sloeg er van boven vrij uit, al naar de richting van de wind, en verspreidde een eigen zwavelgeur, omdat de tweedekwaliteitskolen nogal pyriet(zwavelijzer) bevatten. De hoge schouwen kwamen met de ringovens, maar de kenmerkende, een weinig prikkelende geur bleef over de streek. Soms wakkerde met het vuur aan met een windmolen, een soort wanmolen, die met zijn voorste rechthoekige opening de vuurmond afsloot. Hij werd met de hand gedraaid en dreef knarrend wind in het stookgat. Met een loet, een lange, duimdikke ijzeren stang met een plat dwarsstuk aan het einde, kon men ook de vuurgang vrijkoteren. Bij het steenbakken kwam veel ondervinding te pas. De oven brandde ongeveer dagen. overhitting deed de steen verglazen; stenen smolten aaneen met een soort glasschuim. Zo een paar aaneengesmolten stenen noemden ze padden, ze waren wel harder, maar konden hoogstens nog dienen voor fundaties bij huizen- of fabrieksbouw.

De uitzetters haalden de klampovens leeg, met kruiwagens, een stofferig werk. Tussen de stenen stak gruis en stof van ongebluste kalk; slecht voor de longen. De asse stortten ze ergens op een hoop; kinderen en ook volwassenen zochten ze af of ziftten ze voor de kooltjes of nog brandbare schramillen (escarbilles?).

Uit de ovens, dicht bij de waterkant, voerden de uitzetters de steen buiten het miereke naar de kô (kade). Daar stonden ze bij honderdduizenden in stapels tot manshoogte. De meeste steenbakkerijen hadden toen kaaimuren noch laadkranen. De kleine schepen die er aanlegden, rustten bij laag water op de zaat, een zand- of slijkplaat, die van tijd horizontaal moest gemaakt worden: de zaatschieten. Voor het laden lag er een lange zware plank zonder leuning van de oever naar het schip, dat als het leeg was, bij de vloed nogal hoog lag. op die gank duwden ze dan hun kruiwagens -zonder kiesbedden(afneembare zijborden)- omhoog aan boord, gaven de stenen behendig bij peizen (grepen van 4 of 6) over aan de mannen in het ruim; die stapeltjes van 6 bleven daarbij altijd bijeen; en dan terug naar de wal met de kruiwagen achter zich, soms langs een tweede gank, want ze waren gewoonlijk met tweeën en de laders bij de steenhopen waren vlug met hun verharde vuisten. In het ruim van de boot stouwden ze de steen zo breed mogelijk, zodat hij niet kon verschuiven. Veel later, tussen de twee oorlogen, kwamen er wel kustvaarders uit Engeland en Denemarken aanleggen. De Rupelsteen ging zelfs tot in Amerika!

De zwarte aken(spitsen) brachten ook de steenkool naar de ovens. De kolenlossers liepen de ganken op en af, over hoofd en hals de bekende stevige dokwerkerskap, die Constant Meunier in zijn beelden vereeuwigd heeft. In het schip vulden een paar mannen een tamelijk brede zak uit baalkatoen op een baskuul met 40 kg ruwe steenkool, en hielpen die op de schouders van de losser, die meestal nog een laddertje opmoest uit het scheepsruim, dan de gank af en naar het koolkot bij de ovens, heel de grondige dag en “zo zwart als een kolenlosser”.

Als een scherpe kolenbrok wat hard tegen zijn hals drukte, schudde hij even zijn vracht, tot ze goed zat. En wij, kinderen, stonden naast zijn pad, met een kapotte emmer of zo, gereed om de vallende brokjes op te rapen. “Motje(maatje), schied er nog eens mee?” De zwarte mannen telden de zakken met krijtstreepjes op een dakpan, met bomen van 5.

A propos van dakpannen : pannenblokken waren droogloodsen vol schappen langs smalle dwarsgangen : links en rechts, delen, dunne planken, ongeveer 20 cm boven elkaar. De pannenmakersploeg bestond uit 3 personen : de pannenmaker zelf, de inslager(kon ook een vrouwmens zijn) en de walker. De fijne klei, niet zo mals als voor de stenen, kwam uit de kleimolen. De walker maakte er ronde koeken van, ongeveer voor 2 pannen, sneed die middendoor met een nagel aan een korte stok en stapelde die opeen. De inslager had een ijzeren rechthoekig kader voor zich met één afgerond hoekje en ongeveer een duim dik. Daarin legde hij een halve koek klei en drukte die plat met zijn handen en dan met een soort natte deegrol met 2 handvatten, zodat het kader vol was. De pannenmaker nam dit dik blad klei en legde het met beide natte handen op een holle houten panvorm met een kuiltje vooraan. Hij streek de klei glad op de ronde rand en vulde het kuiltje met wat klei; dat werd de neus van de pan. Dan legde hij een smalle tegenvorm in de pan, draaide beide vormen samen onderste boven en droeg de pan op de smallere tegenvorm naar een schapje van de pannenblok, schoof ze erin en haalde de tegenvorm er onderuit. De klei moest al stijf genoeg zijn om niet ineen te zakken. De inslager moest maar met beide handen duwen op zijn taartenrol! De ploeg werkte synchroon en betrekkelijk snel. Met fijn zand zorgden ze ervoor dat de klei niet kleefde waar het niet hoorde, al waren de rol en beide handen van de pannenmaker nat. De pannenmakers evenals de steenmakers werkten de hele dag lang staande, maar de eersten stonden onder een dak, de anderen moesten vluchten voor de regen, die voor hen tijd- en loonverlies betekende. Ook het bakken van de pannen moest voorzichtiger gebeuren omdat men ze moeilijker kon opstapelen in de oven. Hetzelfde gold voor het vervoer naderhand. Natuurlijk kostte een pan meer dan een steen.

Kerksteen, zo noemden ze de meestal vierkante vloertegels, werden al enigzins mechanisch gevormd. De machien bestond uit een zware metalen kast, met een stevig afsluitbaar deksel, dat 2 handvatten had. Vooraan was er een opening als de doorsnee van een vloersteen. Daarvoor was een stel losse rolletjes aangebracht waarop een “kleiplank” kon schuiven. Te midden daaronder rustte een rechthoekig kader met gespannen dunne draden. Hun afstand was juist de zijde van een tegel. Dit raam kon van de ene zijde naar de andere gekanteld worden en de draden sneden tussen de rolletjes de “kleiplank” in vierkante of rechthoekige delen los, alnaar de afstand van de gespannen draden. De machien bestond uit een zware ijzeren horizontale kast met vooraan een rechthoekige opening lijk de doorsnee van een plava. In de kast paste een piston(zuiger) die van buiten uit met een groot drijfwiel voor- of achteruit gedreven worden kon.

De fijne klei kwam in stuiken van de kleimolen, niet zo mals als voor de steen- of de pannenmaker. Om een stuik te verdelen gebruikte de man van de machien (gelijk de walker bij de pannenmaker) een eind ijzerdraad met aan de uiteinden twee proppen als handvatten. Hij vulde de kast met klei die hij met het zwaar ijzeren deksel tot in alle hoeken dreef, zodat er geen lucht meer tussen zat, en blokkeerde dan het deksel met beide handvatten. Vervolgens dreef hij met het groot wiel de piston (zuiger) aan. De klei werd uit de opening geperst onder de vorm van een duimdikke plank, die over de rolletjes schoof. Als de kast leeg was, kantelde hij het dradenraam naar de overkant en hij bekwam 6 of 8 nette plava’s, die hij dan op hun zijde gesteld, enkele dagen liet drogen. Want die moesten nog gekalibreerd worden. Daarvoor had de man vooreerst een mal, een houten aan de vier zijden met dun metaal bekleed model. Verder een bepaald snijmes, een stalen plaat, ongeveer 15 cm breed, de onderkant wat langer dan de tegel en scherp geveild; op de bovenkant stak ze in een lengtegroef van een houten rol waarop men kon duwen.

Om te beginnen sloeg hij een paar maal op de tegel met een zwaar blok hout, dat een steeltje had en van onder een gladde langszijde. Daardoor zette de plava zich een paar centimeter uit. Dan hield hij met één hand de mal vast op de tegel en draaide die om, om met het mesblad langs de metaalkant van de mal vier repeltjes klei af te snijden. Dan kon de fijn afgesneden tegel helemaal drogen voor de oven. De afgesneden randjes heetten snijlingen, passend materiaal waarmee de kinderen knikkers rolden en “ventjes” maakten. Jammer dat de volwassenen daar weinig acht op gaven.

Gebakken kerkstenen werden wel eens op één vlak gladgeslepen. De slijper wreef met blote handen één plavei over vijf-zes andere. Daar kwam een rood stof van voort. Een bedreiging voor de longen. Maar van silicosegevaar was geen slijper bewust.

Het bakken en het vervoer van pannen en kerksteen moest met een speciale zorg geschieden. Bij het vervoer kwam stro te pas. Voor verpakking in doorschijnende plastiekfolie was het nog 60-70 jaar te vroeg.

Vergeten, de potsjèrkladders van Boom, de obscure wroeters.

De Franse dichter Sully Prudhomme zag in het verre verleden een jonge slaaf, één van de duizenden, zwoegen bij de bouw van de grote, nutteloze pyramiden en verpletterd neerstorten onder zijn overzwaar granietblok. Zijn onmenselijke doodskreet galmt nog door alle tijden en ruimten heen, “cherchant les dieux et la justice”, zegt de dichter.

Stijn Streuvels zag jonge Vlaamse boerenzonen noodgedwongen naar Frankrijk trekken, naar de uitgestrekte graanvelden, dicht volgegroeid lijk muren, zoals Breughel ze schilderde. Die gingen ze verbeten te lijf, vechtend tegen de laaiende zomerhitte, tot ze omvergebliksemd achterover vielen, schrijft Streuvels.

Mijn Boomse potsjèrkladders, de grauwe, grijze, zijn stiller uit onze geschiedenis verdwenen. Geen stenen of litterair gedenkteken voor de dansende automaat die, sjiek in zijn mond, met zijn blote handen per dag 7.000 degelijke stenen vormde voor degelijke huizen, waarin hij zelf met zijn jonge afdraagsterkens niet wonen kon. Wie tuberculose overleefde, kwam met zijn rheuma nog in het oud gasthuis terecht. Het vroegere kerkhof lag er recht over; ze moesten niet ver gaan met hem. In 1910 was dat al lang buiten gebruik en met de onderliggende klei uitgegraven. Ik zag wat verder een brug onder de straat door bouwen en altijd maar door noordwaarts graven, naar het nieuw kerkhof toe, aan de grens van de gemeente.

Intussen kwamen baggers, pletmolens, ring- en tunnelovens. Nu staan daar nog enkele nette automatische fabrieken. De pitten, de lèzzes, de pletsen, ovens en hoge schouwen zijn verdwenen. Vreemde fabrieken storten giftig afval. Het eigen landschap is weggezonken, je ziet er overheen, van de Schommelei naar de Bosstraatlei. De meeste krotwoningen aan de waterkant zijn spoorloos weggeruimd. De Rupel zelf is daar een dode rivier. Het leefmilieu van mijn grootouders en ouders, van mijn volk : verzonken en vergeten.

 

Geschiedenis van de gemeente Boom