Historische wandeling: Brussel, de vis en zijn markten

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1993-1994

Door Roel Jacobs
(Foto: www.culturamavzw.be)

MOET ER NOG VIS ZIJN ?

Brussel ligt in de Brabantse leemstreek . Dit landbouwgebied is zeer vruchtbaar. De grote hoevecomplexen uit de omgeving, waarvan sommige nog steeds de tijd en de verstedelijking trotseren, bewijzen dat. Normaal moet die rijkdom dan ook tot uiting komen in de lokale keuken. Dat is zo.

Typisch Brabantse biersoorten zoals de geuze, worden vervaardigd met tarwe, een graan dat vroeger in de minder rijke streken noodgedwongen voorbehouden werd aan de broodbakker.

De naam kiekefretters hebben de Brusselaars te danken aan de grote hoeveelheid pluimvee die zij verorberden na de inname van het kasteel van Gaasbeek of die zij meesleurden naar de slag bij Baesweiler, in zoverre dat zij daardoor verantwoordelijk werden voor een Brabantse nederlaag. ook al moeten deze verhalen met een flinke korrel zout gelezen worden, zij wijzen op de culinaire overvloed die het verleden van Brussel even sterk tekende als het heden. Een koninginnestuk uit de Brusselse gastronomie komt helemaal niet uit de stad of haar omgeving: in de volkskeuken vindt men karikollen (zeeslakken) en mosselen. In de betere keuken, beter naar kwaliteit en naar prijs, wordt een belangrijke plaats ingenomen door visgerechten. Meer bepaald zeevisgerechten. Toch wel merkwaardig, die aanwezigheid van zeevruchten en zeevis in de keuken van een stad die honderd kilometer van de zee verwijderd is!

Nog merkwaardiger is de plaats waar deze vis verkocht wordt. Geen enkel stadsplan maakt er melding van. Elke Brusselaar kan u vertellen dat de “vismet” of vismarkt aan de Katelijnekerk te vinden is. Daar ter plaatse is er een Brandhoutkaai, een Baksteenkaai en een metrostation dat de naam van de kerk draagt. Maar van een vismarkt is er geen spoor, behalve in de naam van enkele handelszaken en in de aanwezigheid van opvallend veel visrestaurants. ook met die kaaien is er iets niet pluis. Kaaien veronderstellen dokken. De vijvertjes die de buurt sieren zijn amper diep genoeg om pootje te baden. Zij kunnen bezwaarlijk doorgaan voor havendokken!

Nochtans is de Brusselaar die over de vismet spreekt niet verder van de waarheid verwijderd dan het stadsbestuur met zijn kaaien. Hier lag ooit de tweede haven, later de vierde vismarkt uit de geschiedenis van de stad. Bovendien bestaat er een verband tussen beide. Redenen genoeg dus om in het kader van het jaar van de gastronomie enige klaarheid te scheppen in de vele havens en vismarkten die Brussel rijk is geweest.

VIS… OF VLEES?

In 1289 geeft Hertog Jan I van Brabant de vismarkt van Brussel in leen aan “onzen lieven vrienden den vischeren ende den vleeschouweren van Bruesselle”. Vis- verkopers en beenhouwers worden dus in één adem genoemd. onlogisch is dat niet, want waarschijnlijk bestond er oorspronkelijk geen onderscheid tussen beide beroepen.

De kerk hield zeer streng de hand aan de vele vastendagen die het jaar rijk was. Zij beantwoordde daarmee aan een noodzaak. De grote kerkelijke feestdagen werden evengoed in de keuken als in de kerk gevierd. Daarom werden zij voorafgegaan door perioden van versterving. De zwaarste vastenperiode viel net na het winterseizoen, de periode waarin men zich dik at tegen de kou. De vastenpraktijk was dus een manier om de vlees- en de geldvoorraad te reguleren. Als gevolg daarvan werden de beenhouwers regelmatig met perioden van technische werkloosheid geconfronteerd. Daarom is het begrijpelijk dat de verkopers van vlees en vis oorspronkelijk in eenzelfde ambacht zitten en dat de beenhouwers mee vermeld worden in de keure van 1289.

Dank zij deze tekst weten wij waar de eerste vis- en vleesmarkt was. Het vleeshuis kunnen de lezers van het tijdschrift “Brabant” gemakkelijk terugvinden, vermits het vandaag de Toeristische Federatie van Brabant, uitgever van dit tijdschrift, herbergt. De vismarkt lag er juist naast, in het stuk van de Grasmarkt naar de Heuvelstraat toe. De naam Grasmarkt is overigens niet vanzelfsprekend. Toen, net als nu, werden de koeien de weide ingestuurd om te grazen. Het gras dat op de markt terechtkwam waren de groenten waarvan het eetbare deel bovengronds groeit. Gras staat dus in tegenstelling met knol gewassen en de grasmarkt is gewoon de groentenmarkt.

Op de vismarkt worden twee soorten vis verkocht. De riviervis wordt vers aan de man gebracht door de groenvissers, die geen relaties hebben met de beenhouwers. Het ambacht is belangrijker dan de bevissingscapaciteit van de Zenne doet vermoeden, want het haalt zijn producten vooral uit de talrijke visvijvers die aangelegd zijn rond de stad. Meer dan één schilderij van Pieter Breugel toont ons deze visvijvers. In de loop der eeuwen zal hun aantal en bijgevolg het aanbod aan riviervis echter gevoelig afnemen.

De andere visverkopers, die verbonden zijn met de beenhouwers, verkopen zoute vis. Zout heeft hier twee betekenissen : afkomstig uit zout zeewater en bovendien gezouten of gepekeld. Met de transportmiddelen van toen was het immers uitgesloten verse zeevis honderd kilometer ver te vervoeren tot in Brussel. Bij aankomst zou het goedje er nog weinig appetijtelijk uitgezien hebben. Maar in die toestand komt er verandering vanaf de zestiende eeuw.

ZEEHAVEN, ZEEVIS

In de middeleeuwen is Brussel bereikbaar langs twee grote handelsassen. De belangrijkste is de weg die Keulen verbindt met Brugge. Het handelscentrum aan de Grasmarkt is daar een deel van. Naast deze landweg is er ook een waterweg: de Zenne, die de stad langs de Rupel en de Schelde verbindt met de Noordzee. zo komt de zeevis in Brussel terecht. Alhoewel de waterweg ouder is dan de landweg blijft hij tot in de vijftiende eeuw minder belangrijk. Dan verandert de toestand. Het graafschap Vlaanderen verliest zijn overwicht in de Nederlanden en het hertogdom Brabant wint invloed. De handelsmetropool Brugge wordt verdrongen door Antwerpen. Brussel draait op zijn as. De stad, die eerst oost-west georiënteerd was op de lijn Keulen-Brugge, vindt nu in Antwerpen een nieuw venster op de wereld. Zo worden de befaamde Brusselse wandtapijten te koop aangeboden in het Antwerpse tapissierspand.

De verbinding tussen de twee steden stelt echter problemen. Door de toenemende omvang van de schepen wordt de Zenne te klein. Bovendien ligt de monding van de Zenne in de Rupel op het grondgebied van het Land van Mechelen. Mechelen behoort niet tot het hertogdom Brabant en de Brusselaars moeten er tollen betalen. Daarom begint Brussel vanaf de vijftiende eeuw druk uit te oefenen op zijn vorsten om de toelating te krijgen voor het graven van een kanaal dat de stad rechtstreeks met de Rupel verbindt, zonder het Brabants grondgebied te verlaten. In 1561 wordt het kanaal Brussel-Willebroek geopend. Dat kanaal eindigt op een reeks dokken, die de nieuwe haven van Brussel vormen. Daarmee is verklaard waarom er rond de Katelijnekerk zoveel straatnamen op kaai eindigen, want precies daar lagen deze dokken.

De haven was uniek, voor zijn tijd. Door het nieuwe kanaal konden grotere schepen de stad veel sneller bereiken. Alle verhoudingen in acht genomen is de tweede haven van Brussel ook zijn eerste zeehaven. Door de verbetering van de verbinding met de zee, kunnen zeevis en zeevruchten nu in veel betere omstandigheden aangevoerd worden. Hier moet de oorsprong gezocht worden van de maritieme aksenten die vandaag nog steeds de Brusselse keuken kenmerken. Spijtig genoeg spreken de documenten uit die periode liever over veldslagen en vorstelijke huwelijken dan over déze dagdagelijkse realiteiten. Daarom valt niet te achterhalen wanneer de eerste mosselschuit aanmeerde in Brussel.

NA DE HAVEN VERHUIST OOK DE MARKT.

Door de aanleg van de nieuwe haven verliest de buurt rond de oude Zennehaven haar functie. De stedelijke bevolking neemt toe en het handelscentrum rond de Grote Markt wordt te klein. Daarom wordt de vismarkt in 1601 verplaatst van de Grasmarkt naar de oude Werf aan de Zenne. Op een stadsplan van vandaag kan men de ligging van deze nieuwe vismarkt situeren tussen de Zwarte Lievevrouwstraat en de Hallenstraat. Het ambachtshuis van de visverkopers werd tegen de Zenne aangebouwd, aan de kant van de Zwarte Lievevrouwstraat. In het verlengde van die straat lag de Visserszenne, vandaag de Visverkopersstraat.

Deze tweede vismarkt verdwijnt bij de overwelving van de Zenne in 1868-1871. Toch bestaat er nog een getuigenis van, op een wel onverwachte plaats. Het Museum voor oude Kunst in de Regentschapstraat herbergt in de traphal op het gelijkvloers een grote wandfontein met zeegoden. In 1675 hebben de zeevisverkopers dit werk besteld bij de beroemde rococobeeldhouwer Grupello, als wijnkoeler voor hun vergaderzaal. De fontein getuigt van de rijkdom van een ambacht dat toch een zeer belangrijke rol gespeeld heeft in de geschiedenis van de Brusselse keuken.

WAAR LIGT NU DE VISMET?

De tweede haven en de tweede vismarkt van Brussel worden opgeofferd aan de grote urbanisatiewerken van de negentiende eeuw. Het kanaal van Willebroek wordt doorgetrokken naar Charleroi. Een nieuwe haven wordt aangelegd ten noord-westen van de vijfhoek. De derde vismarkt wordt geïntegreerd in de Centrale Hallen, op de plaats waar voordien reeds de tweede vismarkt stond. De haven wordt in deze eeuw nogmaals heraangelegd, maar verandert niet meer van buurt.

Voor de vismarkt is het verhuizen niet gedaan. De oude dokken worden drooggelegd. Eerst het Katelijnedok waaop in 1854 de bouw begint van de nieuwe Katelijnekerk. Dan de helft van het Koopliedendok, dat tussen de Brandhoutkaai en de Baksteenkaai ligt. Op die plaats wordt in 1882-1884 een nieuwe vismarkt gebouwd. De vierde in de reeks, in 1955 eveneens afgebroken, maar nog steeds springlevend in de spreektaal als “Vismet”.

De restauranthouders uit de buurt kunnen hun viskaart dus koppelen aan essentiële bladzijden uit de economische geschiedenis van Brussel. misschien kan dit verhaal hen inspireren?

Uitgaande van hetgeen we op de schoolbanken qua nationale geschiedenis leerden, durf ik de vraag stellen of die geschiedenis wel de juiste geschiedenis is. Wij weten wel dat zo lang geleden er enkel agrarische aktiviteit was, die naarmate ze meer en beter werd – arbeidskrachten kon vrijmaken om nog beter te werken en te produceren; wat meebracht dat er een handelsaktiviteit kon volgen. De verstedelijking die hierop gevolgd is, zou ik willen verklaren in relatie met de omgeving.

Brussel is recent zeer groot geworden. over de Middeleeuwen is niet veel meer te vinden, omdat een bombardement alles kapot heeft gemaakt. Daarom dient alles begrepen te worden met zijn omgeving die soms meer betekenis heeft dan een monument. Vb. zullen de straatnamen, die niet zo maar kunnen vertaald worden, meer zeggen want zij zijn op zich historische monumenten. Er is soms meer geschiedenis dan daar waar alleen buildings staan. Het verschil in relief tussen de bovenstad en de benedenstad bedraagt 50 m. ook dat is een stuk geschiedenis. want waar vind je de handelskern? Natuurlijk in de benedenstad! Getuigen de massa watermolens die daar stonden. En de bovenstad : wel die was voorbehouden aan het chic volk.

We bekijken de Begijnhofkerk. Een typische kerk van bij ons: een barokkerk uit de 17e eeuw, het begijnhof daarentegen dateert uit de 13e eeuw, terwijl het kantwerk uit de 16e eeuw stamt. Hoe is dat samen te rijmen? Door de toenmalige overreglementering was kantwerk eigenlijk een miseriewerk, men kon er zijn kost niet mee verdienen. Zo is’t te verklaren dat er meer kant geklost is (als bijverdienste) in de rosse buurten dan wel in de begijnhoven.

We verplaatsen ons naar de 11e eeuw. Het begint langzaam beter te gaan. Spijtig genoeg groeit de bevolking te veel aan, er is te veel volk. Dan zal de godsdienst moeten helpen. En men weet dat er ook nog in ’t oosten veel heidenen wonen, dus zal men gaan missioneren om te bekeren. De Kruisvaarten worden op touw gezet. Maar vermits vechten mannenwerk is… Vele vrouwen gaan dus in een klooster, in een convent samen wonen, we zouden nu zeggen in een commune, en houden zich daar bezig ook met godsdienstzaken, zodanig dat door het 14e concilie van Vienne de begijnen zelf als ketters veroordeeld worden.

Maar bij ons kon men die conventen niet verbieden, want onze steden waren te talrijk en te groot. Men groepeert dus die conventen in begijnhoven. Wat ons laat zeggen dat de sociaal-economische ondergrond dit verschijnsel uitlegt.

Wat de stichting der begijnen door de H. Begga betreft. Deze heilige leefde lange tijd voor de opkomst der begijnen en laten we niet vergeten dat deze Begga een tante van keizer Karel was.

Het raderwerk dat hier als monument prijkt komt voort van de draaibrug tussen 2 dokken. Bij het dumpen der dokken is dit rad blijven liggen. Later bij de bouw van de metro werd het teruggevonden, bovengehaald en verplaatst. Deze dokken waren een stuk van het kanaal van Charleroi.

Broek-Zele : woonplaats in het moeras. Had dus niet veel te betekenen. maar meer en meer worden de landwegen belangrijk. De grote verbindingsas tussen de twee machtigsten van die tijd Brugge en Keulen kwam dwars door Brussel.

Ongelukkiglijk komt er tegenslag voor Brugge, het centrum van de textielnijverheid. Deze nijverheid hangt volledig af van de Engelse wol en door de 100jarige oorlog wordt natuurlijk de aanvoer van wol geblokkeerd. Brussel begint zich dan meer op Antwerpen te concentreren via de Zenne. Dit betekent dat zij door het land van Mechelen moeten, wat stapelrechten meebrengt. Dan graven ze nog liever het kanaal van Willebroek.

Hier staan we bij de Wallentoren, In gebouw van over 100 jaar. Wij hebben hem te danken aan Violet Leduc. Maar het lichaam van de toren is werkelijk uit de 12e eeuw. Gelukkig smeten ze in die tijd niets weg. En er worden nu nog steeds gedeelten der wallen gevonden.

Het kraanplein. Twee der meest noodzakelijke voedingsmiddelen van die tijd haring en wijn waren twee ingrediënten die in vaten werden verhandeld en dienden gelost. Men heeft daar een middel op gevonden en een soort kraan gebouwd, die door de loop der kraankinderen, want zo worden die mannen genoemd, in beweging werd gebracht om alzo de vaten op te halen. Het lopen gebeurde in een soort carroussel.

We staan voor de Kathelijnekerk, met hierover de straat de Kathelijne Toren en verder nog de Kathelijnestraat. Deze kerk is het werk van architekt Poelaert, in zijn jonge tijd. De stijl is zuiver eclectisme, wij bouwen zoals de mensen uit vervlogen tijden en zo bewijzen wij dat wij zo goed zijn als de optelsom van al die anderen. Het werd dus een formidabele hutsepot. Niet verwonderlijk dat Poelaert zot werd.

We bevinden ons in de Rue de Flandre – de Vlaamse Steenweg. Hier kwam de baan voorbij uit Brugge, Gent, Aalst. Zij maakte de ruggengraat uit van de stad want het was de handelsweg. Dit bewijst dat wij ten huidige dag, niet de uitvinders zijn der opstoppingen van ons wegennet. Hier was het niet anders.

Op het kruispunt bemerken wij het voetpad dat trappekens heeft. Een duidelijk relief. De handelsweg kruist immers op zijn laagste punt de Zenne. Men zegt wel dat de Zenne onder de centrale banen ligt. Dat is niet 100% juist. Want de Zenne, zoals alle rivieren, kronkelt. Hier kwamen twee Zenne-armen bijeen, toen lag er zelfs een brug. En hieruit ontstaat de eerste haven- en handelsactiviteit. Dit wordt geillustreerd door het testament van Angelo of Madame Angèle. in ’t vooruitzicht van haar levenseinde en omdat er alleen in Lennik één pastoor was, schonk ze liever al haar bezittingen aan het Kapittel van Keulen. maar juist daarom moesten nu haar onderdanen In deel van de oogst aan Keulen afstaan. Deze brug de St.-Antelebrug en door transsciptie St.-Goedelebrug genoemd deed dienst als overslaghaven van die goederen die vandaar naar Keulen verscheept werden.

De markt : Een vergiftigd geschenk van de Fransen, in 5 jaar volgens sommigen in 3 jaar wederopgebouwd. De markt zou getuigen van het belang der ambachten. Maar wat zien wij? De meeste data in de gevels spreken van rond 1696. Deze datum heeft met de middeleeuwen niets te maken. Daarbij tonen deze gebouwen een overdreven versiering. Zij willen meer tonen dan ze in werkelijkheid zijn.

Wij staan hier voor ’t Hof Van Spanje. Boven de deur prijkt het borstbeeld van de koning van Spanje, niet van de patroon der bakkers St Autbertus want het huis was ’t Gildehuis der bakkers. Boven vinden wij de inschriften “De koning van Spanje”. Verder de 4 frontons. En boven alles de allegorie van de Spanjaarden met uitbeelding van hun overzeese gebieden ( ’n Islamiet en een Indiaan).

De Boterstraat en hier tegenover de Taborastraat. De Taborastraat doet denken aan de overwinning der zwarte belgen op de zwarte duitsers gedurende de oorlog 114-118 in onze kolonie. Boter: als voedingsmiddel enkel aan het chic volk besteed. maar daar diende de Boterstraat niet voor. Wel werd hier de boter of de vetstof verhandeld die dienen moest om de weefdraden in te vetten die de kwaliteit zou bepalen van een degelijk weefsel.

De fontein is hier teruggeplaatst. Water is de natuurlijke bron van alle leven. Boven op de Zavel valt de regen op de povere ondergrond, dringt door en ontspringt als bron.

Maar als de waterleiding uitgevonden wordt, tracht men de inwoners te verplichten aan te sluiten. Tot er te veel mensen zijn die het niet betalen kunnen. Dan komen er terug fonteinen. Bekijk de constructie: iedereeen wordt van water voorzien. Beneden water voor de honden, iets hoger voor de paarden, de kraantjes voor de mens, en bovenop voor de vogels.

De St. -Niklaaskerk. Wat een namaaksoep qua bouwstijlen. In 1958 ter gelegenheid van de Expo heeft men de kramikkelijke St-Niklaastoren verborgen voor ’t oog der expo-bezoekers door die wansmakelijke muur. Nochtans was de St. Niklaastoren een ware stadstoren met klokken. Niet om er beiaard mee te spelen. Maar de klok uit de toren reguleerde het leven der mensen : tijd voor opstaan -werken – ophouden met werken – avond!

De archeologische krypte. Eens heeft de directeur Generaal der Gebouwen van Brussel, de heer Rombout, georakeld: “Bij ons moet ge geen opgravingen doen”. Broek-Zele daar is niets te vinden. En zie hier 30 cm onder de grond deed men opmerkelijke vondsten die nu in dit belangrijke ondergronds museum te kijk staan. Het zijn de grondvesten der Minderbroederskerk, der Franciscanen. Hoe komt het nu dat wij die bedelorde midden in de stad terugvinden? omdat de bedelorden niet te verstaan zijn zonder de steden noch de steden zonder de bedelorden.

De bedelorden bouwen hun klooster in de stad omdat de stedelingen nood hebben aan armoede, nederigheid enz.

Ook politiek is hier een belangrijke vaststelling te doen. De hertogen van Brabant worden begraven te Affligem, de bewaarplaats der oorlogsbanier van Brabant. Later zal dat gebeuren in Leuven, hoofdplaats van het hertogdom. Hendrik III laat zich echter begraven bij Dominicanen. Hertog Jan I komt naar Brussel om begraven te worden in de Franciscanerkerk. Hij werd er more teutonico begraven d.w.z. men kookt het lijk tot op ’t been en met een geraamte kan men voyageren.

De opgravingen hebben ons de ganse Franciscanerkerk doen terugvinden en we kunnen het hoogkoor situeren hier links in een halve cirkel tegen de cafés en tot onder de Beurs door om te eindigen onder de trottoirs der volgende straat.

De Handelsbeurs. In de 19e eeuw moest de rivier de stad uit. We hoefden een handelscentrum en daar was ook geen plaats, noch voor een kerk noch voor een stadhuis. De handelsbeurs prijkt hier rechtover die brede laan, de boulevard naar het westen. In 1881 waren hier de hallen d. w. z. de grote beenhouwerij gevestigd. Hier stond eertijds de St. -Goorikskerk, opgebouwd in de 16e eeuw ter plaatse waar vroeger de kapel rees bij het aloude slot der hertogen van Neder-Lotharingen. Ze werd afgebroken, in 1798 nadat ze als nationaal gemeengoed werd verkocht. Het zou goed kunnen dat deze St. -Goorikskerk de moederkerk van Brussel zou zijn, eerder dan St.-Michiel en Goedele.

Charles de France was de bouwheer en bouwde in 977. om nu Brussel de gelegenheid te geven het millennium te vieren werd die datum even verlaat tot 979. Dan kwam het millennium later uit in 1979, geen concurrentie van Europalia of iets anders. En zo gebeurde het.

Charles de France nu werd door de francofone Brusselaars aangegrepen om hun zaak te dienen en de Vlaamse oorsprong van Brussel te loochenen. Maar ’t is een feit dat deze Karel niet tevreden was met zijn positie qua opvolger. Hij lanceerde een roddelcampagne tegenover zijn schoonzus die zogezegd niet katholieke dingen zou doen en dan nog met een bisschop. Hij moest vluchten om zijn hachje te redden en kwam naar hier.

Hij is dus nog min nog meer de eerste Fransman die met de Duitse Otto II tegen de Fransen deed. Voor de francofonen helaas is dit een verkeerd voorbeeld geweest.

De site Intede: een gelukkig overgebleven pand aan een armke tussen de twee zennes. Het behoorde tot het domein der Rijke Klaren : waar heel wat sociale geschiedenis werd geschreven. Wij merken hier de mooi gerestaureerde brouwerij en de bakkerij van het klooster op. De Clarissen zijn hier gekomen na de godsdienstoorlogen. Eerder kennen we wel de broeders van het gemene leven, mensen die zich zoals Ruisbroeck onledig hielden naar God te zoeken zonder het gezag te raadplegen. zo bereiken deze broeders een gans nieuw publiek : het individu namelijk krijgt zijn plaats. Zij stellen zich de vraag of de Latijnse tekst van de Bijbel wel juist is. Om deze te kunnen bestuderen moeten ze natuurlijk de Latijnse cultuur bestudeerd hebben. Ze ondervinden echter dat deze Latijnse cultuur erfgenaam is van de Griekse cultuur die op haar beurt afstamt uit de Hebreeuwse. Dit moet dan allemaal uitgediept en bestudeerd worden.

Het witte bijgebouw werd de plaats waar de eerste drukkerij van Brussel werd gesticht, en waar ook de eerste school tot stand kwam die vrij was voor iedereen, d.w.z. los van het kapittel.

De nieuwe stad verbergt de oude handelsweg. vanaf de Beurs loopt nu de baan naar Molenbeek, de nieuwe industrie tegemoet. We passeren de oude Graanmarkt, daterend uit de 19e eeuw.

Op de hoek zien wij een nieuwe moderne constructie maar helemaal boven zien we nog sporen van de vroegere activiteiten : bananen, appelsienen, ananassen staan uitgebeeld. Zo zien wij dat de hedendaagse activiteit zich ent op oude structuren.

De vismarkt gelegen tussen de Baksteenkaai en de Brandhoutkaai. Een levendig bewijs dat de Brusselaar geen kiekenfretter is, zoals zijn bijnaam hem noemt. Want wat wordt er te Brussel meer verorberd : heel veel zeevruchten en verse vis. Het is niet voor niets dat Brussel zeehaven ontstond zelf tot jolijt der Antwerpenaren. Want qua gabarit en aantal mag Brussel terecht beroep doen op die titel.

Geschiedenis van de gemeente Boom