Kroniek van de stroomverdeling van Antwerpen-stad tot de Rupelstreek (tot de Eerste Wereldoorlog)

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1993-1994

Door Ronny Claes
(Foto: Thomas Alva Edison)

(volgens gegevens uit het boek : Waterdruk in Antwerpen een stroom van elektriciteit door : Dirk De Vleeschauwer en Noël Kerckhaert).

IK ZAL DE VERLICHTING ZO GOEDKOOP MAKEN

DAT ALLEEN RIJKE MENSEN NOG KAARSEN ZULLEN BRANDEN.

T. A. Edison

HET EXPERIMENT MET WATERKRACHT TE ANTWERPEN.

 In augustus 1790 vaardigde het Oostenrijkse regime een wet uit die een aantal verplichtingen oplegde aan de gemeentelijke overheden. We lezen hierin o.m “...  tout ce qui intéresse la sûreté et la commodité du passage dans les rues, places et voies publiques; ce qui comprend le nettoiement, l’illumination, l’enlèvement des encombrements,…”  Het Antwerps stadsbestuur had reeds vroeger aandacht besteed aan openbare verlichting. Zo werd in september 1769 een verordening uitgevaardigd dat voor bepaalde huizen een lantaarn moest worden geplaatst tijdens de winterperiode. Eeuwenlang hebben kaarsen en olielantaarns de duisternis verdreven. In de loop van de 19e eeuw verschenen gas, petroleum en elektriciteit als nieuwe lichtbronnen op de markt.

In augustus 1835 experimenteerde Antwerpen al met de zogenaamde ”gaz de résine”. Nadien zouden in Antwerpen twee gasmaatschappijen worden opgericht: “Compagnie Nationale d’Eclairage” en Imperial Continental Gas Association”. Van deze laatste was de hoofdzetel te Londen gevestigd, en was het bureel gevestigd op de Meir, waar de gasmaatschappij heden nog resideert.

In 1891 pakte Frankfurt uit met de prestigieuze “Internationale Elektro-technische” tentoonstelling. Onder de titel “Eine neue Zeit” werd al het nieuwe getoond dat deze jonge bedrijfstak te bieden had. Dit evenement vond een enorme weerklank.

Toen in 1885 de eerste uitstalramen in de Brusselse Nieuwstraat elektrisch verlicht werden, kon Antwerpen natuurlijk moeilijk achterblijven. Parijs paste intussen het systeem Popp toe om elektriciteit op te wekken, t.t.z doorheen een netwerk van leidingen dreef men geperste lucht om dynamo’s aan te drijven. Dit systeem werd één van de blikvangers tijdens de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1890.

Precies in datzelfde jaar kwam ook Brussel weer met plannen aandraven: het zogenaamde systeem Van Rysselberghe. Het lag in de bedoeling nabij de Zenne een fabriek te bouwen waar stoommachines water zouden oppompen en onder druk in de stad verspreiden. Op verschillende punten in Brussel zou dit water onder druk dynamo’s aandrijven. Volgens Van Rysselberghe mocht een verbruikspunt van elektriciteit maximum 500 m. van de productie-eenheid liggen. Dat is trouwens uit het oogpunt van rentabiliteit heden nog zo bij de verdeling van onze laagspanning.

Daar te Antwerpen de haventuigen en bruggen reeds aangedreven werden door waterdruk en er daardoor reeds pershuizen en een verdelingsnet van waterdruk functioneerde werd Van Rysselberghe prompt uitgenodigd om de werking van zijn systeem uit te leggen. Stadsingenieur Royers (vandaar : Royerssluis ) bleek ook wel belangstelling te betonen om de sluizen en de toegangskanalen elektrisch te verlichten. ook hij was gewonnen voor de hydrau-lische moter omdat de infrastruktuur op de sluizen aanwezig was en het voor de bediening volstond om “een kraan open te draaien.”

Nadat er op een sluis elektrisch licht geplaats werd kwam er in 1882 vanwege de “Compagnie Continentale Edison” uit Parijs een aanvraag bij het stadsbestuur toe om het Frans theater
(Bourla schouwburg) en het stadhuis elektrisch te verlichten. onvermijdelijk zou men hier in het vaarwater komen van de gasmaatschappij, die het monopolie verkregen had van de gasverlichting en het gebruik van de ondergrond voor het verdeelnet. Toch verleende het stadsbestuur de toelating aan de maatschappij Edison om bij wijze van proef het stadhuis elektrisch te verlichten.

Inmiddels had de Franse maatschappij in ons land de “Compagnie Générale d’ Electricité” C.G.E. uit Brussel overgenomen, die op 31 augustus 1882 het Antwerps stadsbestuur om toelating verzocht een bovengronds net aan te leggen. Omdat het stadsbestuur moeilijkheden vreesde met de gasmaatschappij werd de beslissing in beraad gehouden en zou men eerst juridische inlichtingen inwinnen. Wel verkreeg de C.G.E de toelating om door middel van mobiele groepen de kaaien te verlichten tijdens het lossen. uiteindelijk werd in de gemeenteraadszitting van 6 oktober 1884 aan C. G. E. toelating verleend om de Gemeenteplaats en het kwartier rond het station van een elektrisch bedelingsnet te voorzien. De gasmaatschappij betwiste deze vergunning, maar na wat gerechtelijke perikelen werd hun eis onontvankelijk geacht.

Door het afbreken van de stadsomwalling was deze wijk in volle expansie en verschillende hotels, horecabedrijven en winkels sloten aan, maar het initiatief kende toch niet het verhoopte succes, en reeds in 1888 werd het bedrijf in liquidatie gesteld.

Op 28 februari 1891 ontving het stadsbestuur een schrijven uitgaande van de heren Moris en Van Rijsselberghe, waarin deze voorstelden een waterleiding onder druk aan te leggen om op diverse punten dynamo’s aan te drijven. Voorafgaandelijk hadden ze afspraken gemaakt met de gasmaatschappij en ” Antwerp Water Works Company” Bepaalde rechten werden door deze maatschappijen afgestaan aan “Compagnie Hydro-Electrique Anversoise” In maart 1892 begon Van Rijsselberghe tijdelijke proefnemingen op de Groenplaats. De public – relations werden goed verzorgd in de pers, en de gebeurlijke winst van dit experiment zou afgestaan worden aan een vereniging voor ondersteuning van goede werken. Uiteindelijk begon men dan toch met de aanleg van het definitieve net. Uit de eerste bilan (1893) bleek dat er reeds voor een goede 700.000 toenmalige franken investeringen uitgevoerd waren.

In 1894 werd op de Wereldtentoonstelling te Antwerpen gezorgd voor een publicitaire stunt in de vorm van de verlichting met een 1800 lampen, voornamelijk opgesteld in het gedeelte “Oud Antwerpen”. Inmiddels waren er te Antwerpen reeds verschillende fabrieken en bedrijven begonnen met de eigen productie van stroom door middel van stoommachines of gasmotoren. Begin 1895 telde Compagnie Hydro Electrique 242 aansluitingen en bedroeg de totale lengte van het net 20 km. De opwekking van elektriciteit door middel van waterkracht bleek toch geen onverdeeld succes, want van 1896 dateert een aanvraag om elektriciteit op te wekken door middel van stoommachines voor de nieuw op te richten stations. Toch kende de onderneming niet de verhoopte opbrengst, want op 11 november 1897 werd het plan opgesteld om te liquideren en op te gaan in een nieuw te stichten maatschappij onder de benaming : Compagnie Electrique Anversoise (C.E.A.).

COMPAGNIE ELECTRIQUE ANVERSOISE ( C.E.A.)

In juli 1898 stichtten o.a. vertegenwoordigers van Duitse bankiers en van de Duitse industrie, samen met Belgische financiers, mensen van de compagnie Hydro-Electrique Anversoise de maatschappij compagnie Electrique Anversoise. De doelstelling bestond om niet alleen Antwerpen van stroom te voorzien, maar ook op termijn haar vleugels uit te slaan naar andere gemeenten. Vanwege bewoners van het kwartier Warande te Berchem was er immers reeds vraag om ook op het elektriciteitsnet aangesloten te worden. Verder werd er een basisprijs van 0,75 fr per kWh vastgesteld voor huishoudelijk gebruik en 0,30 fr kWh voor drijfkracht.

Reeds tijdens 1899 werd een kapitaalsverhoging doorgevoerd. Hydro bediende op het einde van haar bestaan een net van 23 km met een vermogen van 1. 200 pk terwijl de doelstelling voor C. E. A. voor de onmiddellijke toekomst 50 km met een vermogen van
6. 000 pk omvatte. veel risico ging men echter niet nemen: men zou eerst de “rijke stadskwartieren” verbinden waar “elektriciteit zeer grote bijval kent”.

Reeds sinds 1873 waren er verschillende trammaatschappijen ontstaan met paardentractie en rond deze tijd dachten deze onafhankelijk groepen aan een fusie en … elektrische tractie. In 1901 werden door de stad verschillende nieuwe concessies verleend aan Tramways, op voorwaarde van elektrificatie, terwijl de bestaande netten ook binnen een periode van 4 jaar onder draad moesten.

Na een kapitaalsverhoging met 2.000.000 fr. bij Tramways werd er gedacht aan een eigen centrale, maar na studie werd deze uitbreiding in beraad gehouden vanwege de kosten.

Aan de andere kant ontbrak het C. E. A. ook niet aan concurrentie. De machtige groep Empain sloeg in België meer en meer haar vleugels uit, de gasmaatschappij bood bekken aan met een groter rendement en de productie van elektrische stroom door middel van een door gasmoter aangedreven dynamo kon reeds voor een kostprijs tussen 30 a 40 centiemen. Daarom werd een nieuw tarief opgesteld als volgt:

– 0, 65 fr. voor de eerste 6. 000 kWh en 0, 40 fr. voor de volgende voor huishoudelijk gebruik.

– Voor magazijnen en werkhuizen 0,60 fr. kwh voor de eerste 6. 000 kWh en 0, 40 fr. voor de rest.

– Koffie- en spijshuizen, hotels, schouwburgen en feestzalen 50 centiemen voor de eerste 10. 000 kWh op jaarbasis en 40 centiemen voor de overige. Het geven van een gunsttarief aan dergelijke gelegenheden werd ingegeven door het feit dat vele burgers in deze instellingen voor het eerst kennis maakten met het nieuwe licht.

– Voor drijfkracht tenslotte: 30 centiemen per kWh met een teruggave van 1 % voor een verbruik van meer dan 1.000 fr. per jaar. Deze vermindering in schijven kon oplopen tot 20% voor de zeer grote klanten.

Niettegenstaande de netten te Berchem en Borgerhout niet aanstonds zouden renderen begon C.E.A. met deze gemeentebesturen onderhandelingen, ingegeven door de vrees dat mogelijke anderen (o.a. Empain) de omgeving zouden binnendringen. sommige leden van het bestuur opperden de idee om samenwerking met Empain te zoeken, anderen zagen meer heil in het samenwerken met de Antwerpse Trammaatschappij. Verder werd er toenadering gezocht met diverse diensten om grote klanten te werven zoals : het spoor, de telegraaf, de haven enz …

In 1905 begonnen de eerste gesprekken met de Trammaatschappij om mogelijk gezamenlijk te Merksem een centrale op te richten. Technisch was het nu mogelijk elektriciteit onder hoogspanning te produceren, zodat het mogelijk werd vanuit één centrale een hele provincie te bedelen. Verder werd er besloten een nieuwe vennootschap op te richten waarin C. E. A. voor een belangrijk deel zou participeren. C. E. A. zou de verdeling van stroom blijven verzorgen in Antwerpen, terwijl de nieuwe vennootschap zich zou bezig houden met de grootschalige productie voor het hele gebied en de verdeling voor de rest van de provincie.

DE OPRICHTING VAN ESCAUT.

Op 8 augustus 1905 verleed notaris A. Cols de oprichtingsakte van société d’Electricité de l’Escaut. Tussen de aandeelhouders treffen we o. a. C. E. A. , de compagnie Générale des Tramways d’ Anvers, verschillende banken en financiers. opvallend is hier dat in tegenstelling met de oprichting van C. E. A. geen buitenlandse deelneming bestaat. Dit was trouwens als voorwaarde gesteld bij de oprichting.

Siemens-Schuckert had gratis, maar natuurlijk niet belangloos, aangeboden een studie te verrichten voor het oprichten van de nieuwe centrale. Gezien de princiepsverklaring over buitenlands kapitaal stond men hier voor een moeilijke keuze. Uiteindelijk werd de opdracht toch aan Siemens verleend, gezien hun enorme ervaring op dit terrein.

De Antwerpse Trammaatschappij, mede aandeelhouder in Escaut, bezat een geschikt terrein te Merksem van 18.000 m2. Er werd echter moeilijk overeenstemming bereikt over de prijs van deze gronden. Na heel wat onderhandelen stemde Escaut in met de koop tegen een volgens haar te hoge prijs, maar ze bedong toch en verkreeg dat de trammaatschappij haar productie van stroom zou bevriezen op haar toenmalige capaciteit van 4.000 pk. en voor het overige energie zou aankopen bij Escaut tegen kostprijs vermeerderd met 5 %. verder kreeg Escaut vanwege de Buurtspoorweg een aanvraag of ze kon instaan voor levering van jaarlijks 400.000 kWh. in hoogspanning voor de elektrificatie van haar lijnen noord van Antwerpen.

In 1907 werd te Merksem aan het kanaal nog een terrein van 3 ha. bij verworven en er werd aanstonds aangevangen met de werken. Reeds begin 1908 waren de werken van de centrale in de eindfase. Tevens deed men al het mogelijke om ook de aanleg van de hoogspanningsleidingen gezwind te laten vorderen.

Begin augustus 1908 waren de bouwwerken en de installatie van de machines bijna voltooid. Op28 juli hadden de twee turbo-generatoren van 1. 250 kW proef gedraaid, tot ieders tevredenheid en op 1 oktober bracht men de centrale in productie.

 ELEKTRICITEIT IN BOOM, HEMIKSEM EN NIEL.

 BOOM

Na een eerste contactname in 1905 was Escaut sinds 1908 stevig aan het onderhandelen met de gemeenten ten zuiden van Merksem. Niet dat elk van die gemeenten zo rendabel waren om stroom te verkopen, maar Escaut had de toelating nodig van de gemeentebesturen om haar kabels over het grondgebied te voeren. De gemeenteraadsleden wisten ook wel van wanten en bedongen dan ook steevast stroomlevering op hun grondgebied, en als het enigszins kon tegen de beste prijs en voorwaarden. Daarom schoten de onderhandelingen niet altijd even vlug op als wenselijk voor Escaut. Voeg daarbij nog dat in vele van deze gemeenten er reeds gasconcessies bestonden en U begrijpt dat het niet altijd gemakkelijk was een overeenkomst te sluiten. Inderdaad de gasbedeling was door vele gemeenten binnengebracht om o.a. de openbare verlichting te verzorgen. Buiten de reinigingsdienst, die ofwel in regie uitgevoerd werd, of verpacht, was de gasbedeling een der eerste nutsbedrijf in onze samenleving. zelden werden bij het afsluiten van de overeenkomsten tussen gasbedrijf en openbare instelling de toekomstige gevolgen degelijk ingeschat. Wie kon rond het midden van de vorige eeuw immers de spectaculaire vlucht van andere energiedragers voorzien.

De Rupelstreek was voor een elektriciteitsproducent het gedroomde gebied voor uitbating. Goed voorzien van belangrijke industries, dicht bevolkt, gemeenten met relatief gesproken kleine oppervlakten, en … palend aan een gebied waar de groep Empain reeds actief was.

Zoals iedereen weet, werd rond de eeuwwisseling de aanzet tot mechanisatie in de steenbakkerijen gegeven. verder bestonden er verschillende scheepswerven en aanverwante bedrijven, brouwerijen en een zinkfabriek. In 1902 had de gemeente het “Gasgesticht van Boom” opgericht en tot 1908 uitgebaat om in de plaatselijke behoefte van gas te voorzien. Een voorloper daarvan was al in 1866 opgericht door F. Troch om onder meer de verlichting van de gemeente te verzorgen. Het gemeentebedrijf werd in 1908 overgenomen door de “Société Centrale pour l’Exploitation de l’Industrie du Gaz et de lElectricité”. In 1905 had Mr. Fastenakel, directeur van Escaut, reeds een schrijven gericht aan het gemeentebestuur met voorstellen. De brief kreeg weinig aandacht en burgemeester Van Reeth liet zonder meer antwoorden dat Boom niet van plan was vooralsnog een “electrischen dienst” in te richten.

Toch was de nieuwe energie hier niet onbekend, want reeds in 1888 bezat de molen Reypens een door stoommachine aangedreven dynamo, waarschijnlijk enkel benut om te verlichten, want een in 1897 opgestelde graanmolen werd door een stoommachine aangedreven.

Ook de gasmoter kende in Boom nogal succes in heel wat kleinere bedrijven. Zo installeerde A. Thijs een gasmoter met dynamo in zijn diamantslijperij. In 1901 voorzag de zinkfabriek “Société Métallurgique” zijn werkplaatsen van elektrische verlichting.

In 1908 drong Escaut nog eens aan op een onderhoud om voorstellen te doen en de voordelen te doen uitschijnen van een “regelmatige elektrische uitbating”. Gezien de gemeente juist haar gasuitbating had laten overnemen, volgde een kort maar krachtig antwoord in de zin van : het gesprek zal onnuttig zijn vermits de gemeente juist een concessie van verlichting met gas had verleend. De elektriciteitsonderneming liet het daar niet bij. In een nieuw schrijven werd uiteengezet dat het niet in de bedoeling lag een concessie te verkrijgen om het grondgebied te verlichten, maar enkel een net aan te leggen om de bedeling van stroom te verzorgen voor verlichting bij particulieren en het leveren van drijfkracht aan de industrie. Van de gemeente zou niets gevergd worden en tarieven en voorwaarden zouden gelijk zijn aan die der grote steden zoals Brussel, Antwerpen en Luik. Deze voorstellen en toegevingen tonen duidelijk welk belang het inpalmen van de Rupelstreek voor Escaut betekende.

Deze keer werd directeur Wüst ( Mr.Fastenakel was inmiddels overleden) op de zitting van het Schepencollege op zaterdag 24 oktober 1908 uitgenodigd. Hij liet vooraf reeds een plan opmaken van de straten waar de elektrische leiding zou worden aangelegd. De vergadering blijkt vlot te zijn verlopen, want veertien dagen later werd al een ontwerp van vergunningscontract aan Burgemeester en schepenen overgemaakt.

De verantwoordelijken van Boom hadden intussen echter vernomen dat de onderhandelingen die Escaut met Hoboken en Hemiksem had gevoerd, mislukt waren. In die omstandigheden kon men ook de kabels niet leggen van de centrale te Merksem naar Boom. Besloten werd voorlopig geen gevolg te geven aan de voorstellen van de elektriciteitsproducent.

Inmiddels waren er ook gesprekken gevoerd met Niel en Schelle, waarbij de gemeenteraad van Niel de overeenkomst met Escaut had goedgekeurd.

Anderhalf jaar lang werd te Boom officieel met geen woord meer over elektriciteit gerept. Midden 1910 nam de elektriciteitsmaatschappij weer contact met het Boomse bestuur. Alles verliep veel vlotter omdat een aantal gemeenten intussen met Escaut scheep waren gegaan. Toch duurde het nog tot 9 december 1911 vooraleer de Boomse gemeenteraad zijn ja-woord gaf, hierin door de Bestendige Deputatie gevolgd op 22 december. De overeenkomst had onder druk van gemeenteraadslid / steenbakker Haesaerts nog heel wat wijzigingen ondergaan. Intussen was de onderneming aangepord om een aantal plaatselijke initiatieven te steunen. Zo werd in 1913 in het onze-Lieve-Vrouwcollege een tentoonstelling ingericht, waar Escaut 1.008 lampen plaatste. Voorwaar een niet misse publicitaire stunt.

HEMIKSEM.

In Hemiksem waren er ook heel wat mogelijkheden voor stroomafname onder de vorm van drijfkracht door vele potentiële klanten. ook hier liep het contact met Escaut niet zo vlot als verwacht. Na enkele contacten zonder gevolg waagde directeur Wüst in maart 1909 een nieuwe poging. Dit naar aanleiding van een verzoek vanwege de heer Meulepas, bestuurder van de toenmalige “usines à Cuivre de Hemixem”. Intussen had de gemeente op 15 october 1908 een concessie voor de verlichting met gas toegestaan, zodat ook hier Escaut enkel de distributie aan particulieren en bedrijven kon verzorgen. Meulepas beloofde dit bij de gemeentelijke in die zin te verdedigen en stelde trouwens samen met Wüst een soort werkplan op.

Eerst moest uiteraard de katholieke burgemeester, dokter Van Nuffel, worden bewerkt. Niet minder belangrijk was een bezoek aan dokter De Backer, leider van de liberale oppositie. ook gemeentesecretaris Hallemans werd gecontacteerd om meer inzicht te verwerven over de afgesloten overeenkomst met de gasmaatschappij. Toen bleek dat de vraag van Meulepas veel ernstiger moest worden genomen dan aanvankelijk was ingeschat. Zijn fabriek beschikte immers over een kleine eigen centrale, maar die volstond niet meer om de productie naar wens uit te breiden. Vandaar de noodzaak om over drijfkracht van Escaut te kunnen beschikken. Kwam die er niet vlug, dan zou Meulepas wel eens kunnen overwegen een grotere centrale te bouwen, waarmee hij zelfs de onmiddellijke omgeving zou kunnen bedienen. ongetwijfeld zouden die klanten nooit meer terug kunnen gewonnen worden. Bovendien vernam Wüst dat het bedrijf pas een nieuwe ingenieur aangeworven had die gespecialiseerd was inzake drijfkracht.

Ondanks alle inspanningen brak het gemeentebestuur de onderhandelingen af. Het duurde tot 1911 vooraleer beide partijen weer aan tafel gingen zitten. Escaut had inmiddels verkregen dat Antwerpse Gasmaatschappij haar monopolie zou afstaan. Het gemeentebestuur werd over deze toestand ingelicht. Dit resulteerde in een overeenkomst waarmee het gemeentebestuur het niet onverdeeld eens was. Ze eisten een ondergronds net en drongen aan op de meest dringende werken. Een echte doorbraak kwam er niet. Op 16 december had een ultiem gesprek plaats tussen een vertegenwoordiger van Escaut, de burgemeester en de gemeentesecretaris, die op hun standpunt bleven. veel tijd was er niet meer, want het punt stond op de dagorde van de gemeenteraadszitting van 29 december 1911. Uiteindelijk werd op deze bijeenkomst de concessie toegestaan mits nog enkele kleine wijzigingen. Dit leverde verder geen moeilijkheden meer op en in de gemeenteraadszitting van 29 december 1911 werd de vergunningsakte goedgekeurd, hierin gevolgd door de Bestendige Deputatie die akkoord verleende op 7 juni 1912.

NIEL… EN ZIJN KERMIS.

De belangstelling van Escaut voor Niel, maar ook omgekeerd van Niel voor de elektriciteit dateert van 1909. In 1910 toen de elektrificatie van de gemeente aan de orde was had Niel een bevolking van 8.860 inwoners over een oppervlakte van slechts 527 ha. Deze dichte bewoning vergde dus geen uitgebreid net en dat speelde uiteraard in de kaart van Escaut. Een brief in 1905 aan het gemeentebestuur wekte niet de minste belangstelling. Maar onder druk van de plaatselijke industriëlen was er in april 1909 toch enige interesse. De pas aangeworven ingenieur Wildiers kreeg vanwege het gemeentebestuur een brief met de vraag omtrent nadere informatie over het tarief bij productie en verdeling door Escaut, of verdeling in “demi-regie”.

Verder luidde de vraag hoe lang het zou duren vooraleer “de verlichting alhier kan in regel zijn?” Blijkbaar waren aan deze brief reeds gesprekken vooraf gegaan. Het antwoord vanwege Wüst, zij het vaag met inlichtingen, liet niet lang op zich wachten. Mocht de gemeente een concessie verlenen dan zou hetzelfde tarief toegepast worden als in Berchem, Borgerhout, Deurne en Merksem. Aan de gemeente zelf zou een korting van 10 % verleend worden.

Wat de “demi-regie” betrof, wilde Escaut vooraf meer inlichtingen over wie welke investeringen op zich zou nemen. Tenslotte deelde de directeur nog mee dat Niel tegen het einde van het jaar – de brief dateert van 29 april 1909 -over stroom zou kunnen beschikken, als er niet te lang getalmd werd met het verlenen van de concessie.

Weliswaar moest Escaut nog het probleem van de aanvoer van elektriciteit oplossen. Kon Société d’Electricité du Nord de la Belgique gebeurlijk tijdelijk hoogspanningsstroom leveren voor de distributie in Niel ? Zolang er immers geen akkoord was met Hoboken en Hemiksem, bleef het onmogelijk om vanuit Merksem stroom te leveren. Anderzijds zou de gemeente waarschijnlijk een concessie verlenen aan de gasmaatschappij als er niet vlug een oplossing kwam. Vandaar de poging om stroom te kopen bij Nord, die over hoogspanning beschikte tot tegen de brug naar Boom. Dat liep echter op niets uit. ondertussen klonken andere verontrustende berichten. vooral Niel en Schelle, maar ook Aartselaar bleven aandringen op een spoedige levering van elektriciteit. De druk was groot, want bij een negatief antwoord zou men misschien ofwel kiezen voor gas, ofwel een eigen regionale elektriciteitscentrale oprichten. onvermijdelijk zou dat voor Escaut het verlies betekenen van een van de meest geïndustrialiseerde streken van de provincie.

Geen wonder dat de onderneming bereid was tot uitzonderlijke toegevingen. Zo onderzocht ze de mogelijkheid een voorlopige centrale te bouwen die zou volstaan om de onmiddellijke behoeften van Niel en Schelle te voldoen. Berekend werd dat een vermogen van 150 kW zou volstaan, wat een investering zou vergen van 85.000 fr. Op basis van deze studie werd aan het gemeentebestuur een voorstel voor elektriciteitsdistributie overgemaakt. Indien Niel hiermee akkoord kon gaan, zou de eerste elektrische lamp negen maand later al branden. over de technische details bleef men wat in het ongewisse, maar zeker was dat driefazenstroom zou worden geleverd met een spanning van ongeveer 300 Volt aan een tarief van 0.45 fr.kWh. Andere aspecten waren nog voor bespreking vatbaar.

Begin december 1909 raakte bekend dat het gemeentebestuur van de “semiregie” had afgezien. In de plaats daarvan zou er misschien een plaatselijke onderneming worden opgericht die voor de stroomverdeling moest instaan. Escaut wou daaraan de nodige steun verlenen, want naar verluidt zou deze nieuwe onderneming ook instaan voor de elektrificatie van andere gemeenten gelegen langs Rupel en Schelde. Het beginkapitaal zou 200.000 fr. bedragen.

Intussen voerde Escaut ook gesprekken met de cementfabriek van Niel. De directie wilde onderdak verlenen aan een productie-eenheid voor het gemeentelijk net. Er kwam al vlug een akkoord. Op 10juni 1910 keurde de gemeenteraad van Niel de concessie goed, en wat later bevestigde de Bestendige Deputatie. Kort daarop kocht Escaut een huis op de hoek van de Tuyaertsstraat en de Boomsestraat, waar een omvormingspost werd opgesteld. In maart 1911 werd ook de aanleg van het net toegewezen aan een Brusselse firma. Het moest 12 km. lang worden en op dit tracé werden 152 lampen van 50 kaarsen als straatverlichting aangebracht.

Met de gemeenteraadsverkiezing voor de deur zag burgemeester Lega het aansteken van het nieuwe licht als één van de topattracties van de kermis van 1911. In augustus van dat jaar schreef hij een verontruste brief aan directeur Wüst, want volgens lopende geruchten zou men alsdan met de elektrische verlichting niet gereed zijn en zouden we verplicht zijn de feestelijkheden uit te stellen. Daags nadien antwoordde deze laatste dat alles zou voltooid zijn tegen zondag 17 september “octaaf van de grote kermis”. Daarom zou men de proefperiode, “bij het ingang zetten van zulke grote inrichtingen doen zich licht onaangenaamheden voor”, zo kort mogelijk houden.

Dat kon de burgervader niet geruststellen en op 22 augustus belandde een nieuwe brief op het bureau van Wüst. Daarin lezen we o.m.: “Wij haasten ons uwe bijzondere aandacht in te roepen op de overgrote moeilijkheid waarin wij ons zouden bevinden indien vanaf 10 september a.s., eerste dag van onze Grote Kermis, de verlichting met electriek niet zou kunnen plaats hebben.”

“In het vooruitzicht van met de nieuwe verlichting begin september gereed te zijn, hebben wij de straatlantaarns niet meer laten voorzien en deze zijn bijgevolg bijna alle onbruikbaar, te meer daar alle palen waarop die lantaarns geplaatst werden, zijn uitgedaan. Gij ziet dus dat wij niet meer in staat zijn onze gemeente op de vroegere wijze te verlichten. Daarboven moeten wij u nog doen opmerken dat er zalen en herbergen zijn die de installatie voor de elektrische verlichting hebben gedaan en die zich dus eveneens in een netelige positie zouden bevinden.”

Om al die redenen wenste het schepencollege dat onmiddellijk met het leggen van de kabels zou worden begonnen. Diezelfde dag nog ging de eerste kabel de grond in. Als er zich geen onvoorziene gevallen of heirkracht voordoen zal Niel op 10 september over het nieuwe licht kunnen beschikken.

En nog was de kous niet af, niet in het minst omdat de oppositie binnen de gemeenteraad erg aktief was en bovendien goed gedocumenteerd. Vandaar de verhoogde aktiviteit bij de meerderheid. Op 2 november van 1911 kwam de burgemeester weer bij direkteur Wüst aankloppen : “onze gemeentelijke feestcommissie heeft besloten op zondag 12 november een lichtstoet in te richten en heeft te dien einde al de maatschappijen der gemeente uitgenodigd om er aan deel te nemen. Dit feest is op touw gezet tot viering van de prachtige inrichting van de elektrische verlichting in de gemeente. Reeds zijn er verscheidene bijtredingen toegekomen. Het ware ons zeer aangenaam zo Uwe maatschappij ook iets wilde bijdragen tot opluistering van het ontworpen feest, hetzij door de verlichting van een of ander gebouw, hetzij op welkdanige andere wijze.”

Op de affiche was te lezen : “met de welwillende medewerking der société d’Electricité de l’Escaut, van Antwerpen.” De opwekking van stroom gebeurde tijdelijk door middel van mobiele groepen, omdat de voedingskabels vanuit Merksem nog ontbraken.

TARIEVEN,PROMOTIE EN INSTALLATIES.

In een folder, bedeeld in de gemeente Wijnegem op 17 januari 1910 naar aanleiding van de mogelijke installatie van een elektriciteitsbedelingsnet, kunnen we het volgende lezen:

(Het is niet ondenkbaar dat er soortgelijke folders circuleerden in andere gemeenten, zij het misschien niet zo uitgebreid als deze.)

“Er ging zonder al te grote kosten elektrische verlichting bezorgd worden in de straten en huizen van Wommelgem. Gemeenten waar villa’s, renteniershuizen enz… gebouwd worden, zien hun handel in korte tijd verdubbelen, ja : vertiendubbelen, en daaruit spruit voor alle inwoners een groot welzijn. De winkeliers, de bakkers, de herbergiers, de beenhouwers, in één woord, al de handeldrijvers bekomen grotere ontvangsten, eenieder komt vooruit. Maar ene gemeente die slecht verlicht is heeft gene of weinig aantrekking voor de inwoners der steden. … Zegt niet : ik wil eerst eens zien, hoe mijnen gebuur zal gaan met dit elektriek licht, het gevolg zal wezen dat het getal inschrijvingen te klein zal zijn, en terwijl alle gemeenten vooruit gaan met reuzenstappen, Wommelgem als vergeten in het donker zal kwijnen.”

Wat gaat het kosten : en dan volgt een uiteenzetting met verbruiksprijzen in centiemen volgens de kracht van de lamp uitgedrukt in bougies, met daaraan nog toegevoegd een voorbeeld wat een lamp van 25 bougies in verbruik kost in vergelijking met een grote ” petroollamp.”

“Zijn er dan de kosten van aansluiting en binneninstallatie.
– Het binnenbrengen van den draad en het plaatsen van den elektriciteitsmeter : fr. 25. – Groote aan- en uitdraaier om alle bekken (sic) in eenmaal aan of uit te doen, circa fr. 1, 50

Plaatsen van eenen veiligheidsstop van fr. 1,50 voor het bewaren der lampen. Circa 80 meters draad ( dit hangt af of de plaatsen ver van malkander zijn ), draad volgens keuze, verschillend van 9 tot 15 centiemen den meter, totaal fr. 10 à fr. 12.

Verschillende witte porceleinen knoppen om den draad vast te maken ( deze isolatoren werden op afstand van mekaar in de muur bevestigd, de “draad” die met caoutchouc en kunstzijde geïsoleerd was twee-aderig in mekaar gevlochten, werd aan een isolator open gedraaid, zodanig dat er een lus ontstond, en aldus over de porceleinen knop geschoven.) Deze porceleinen knoppen kosten 2 a 4 centiemen het stuk, samen ongeveer fr.1.

Volgen nog een deel toebehoren, o. a. schakelaars tegen fr. 0, 50 het stuk, lampen, “geheel in regel volgens “het nieuwe stelsel tegen : 4,75 fr. stuk; volgens “het oude stelsel gansch in regel” aan : 1, 80 fr. (voor deze laatste wordt bedoeld: een kooldraadlamp zoals Edison ze ontwikkelde; voor de nieuwe: lampen met wolframdraad, die een veel hogere lichtopbrengst boden bij gelijk verbruik.)

2 dagen werkloon voor het plaatsen der leiding tegen fr. 4 daags.

Iedere verbruiker kan zijne inrichting zoo profijtelijk laten maken als hij verlangt. Men mag rekenen dat een inrichting van 5 lampen ongeveer fr. 40 kost voor plaatsing, draad, lampen en alle toebehoorten. Er dient ook gezegd te worden dat er in de bestaande petrollampen elektrieke lampen kunnen geplaatst worden, waardoor men eene vermindering in het plaatsen bekomt.

Volgt dan een kosten-baten analyse voor een herberg waar 3 lampen opgesteld worden :

  • binnenbrengen van den draad en den elektriekmeter : fr. 25.
  • inrichting : fr. 20.
  • verbruik en meterhuur voor één jaar : te zamen : fr. 30.
  • vergelijking volgens de folder : 2 liters petrool per dag gedurende 5 maanden, bedragen fr. 48 zonder de nieuwe wieken en nieuwe lampglazen.

Voor een burgerswoning met 5 lampen : aansluiting en installatie samen : fr. 67.

Er wordt nog eens uitdrukkelijk verwezen naar het feit dat dit éénmalige kosten zijn, terwijl meterhuur en verbruik samen op jaarbasis tegen fr. 40 ingeschat wordt.

En de twee pagina’s tellende folder besluit pathetisch:

“En nu, Medeburgers, dat wij het gemak, de zekerheid, de reinigheid en den goeden koop van het elektriek licht kennen, laat ons vaarwel zeggen aan die onaangename petrollampen,die voorwaar niet passen aan eene gemeente van 3500 zielen, gelegen in de nabijheid der stad Antwerpen; laat ons met het oog op den vooruitgang van wommelghem en het welzijn zijner inwoners, zeggen:

Ja ! ! het elektriek licht moet en zal er komen.

WOMMELGHEM BOVEN ! !

HET GEMEENTEBESTUUR VAN WOMMELGHEM.”

 SCHELLE

Ingevolge de voortdurende uitbreiding van het aantal concessies en abonnees was Escaut verplicht haar productiecapaciteit op te voeren. Zo kreeg de centrale in Merksem er voor de wintermaanden 1911-12 vier nieuwe ketels en een schouw bij. De uitbreiding van het net bleef doelstelling nummer één. Er werd ook onderhandeld met de gemeente Schelle, die in de toekomst nog een belangrijke rol zou spelen in de verdere ontwikkeling van de onderneming.

Alhoewel de gemeente in 1910 slechts 2.800 inwoners telde en de twee aanpalende gemeenten reeds bedeeld werden, leek aansluiting voor directeur Würst toch voldoende interessant. Eind mei 1910 bracht hij een bezoek aan de burgemeester, die de gedane voorstellen onmiddellijk liet onderzoeken. Deze bekwame spoed had wellicht te maken met een woningbrand, drie jaar geleden, die nogal wat opschudding had gewekt. De ramp in het huis van de meesterkleermaker van het leger was veroorzaakt door een ontplofte petroleumlamp. Een drietal kinderen konden ternauwernood worden gered.

Naar aanleiding van het bezoek kreeg het gemeentebestuur een ontwerp van vergunningsakte toegezonden, gebaseerd op de overeenkomst met buurgemeente Niel. Drie maanden na datum was er nog altijd geen antwoord, zodat Escaut opnieuw aandrong. Op Hemelvaartsdag 1910 vond burgemeester Steenackers kennelijk de tijd om een antwoordbrief te schrijven. Kort maar krachtig liet hij weten dat het voorgelegde ontwerp niet aan de gemaakte afspraken beantwoordde.” Gij hebt ons 9 grote lampen en 27 kleine toegestaan en de akte bevat er 36, allen grote. “Bovendien kreeg de gemeente Niel voordelen die in het document voor Schelle niet voorkwamen, meende de burgemeester. “Het is maar na deze twee terechtwijzingen dat wij de overeenkomst aan de goedkeuring der Bestendige Deputatie zullen onderwerpen” luidde zijn besluit. De toon van de brief die Escaut daarop aan burgemeester Steenackers en zijn schepenen schreef was heel anders. De afstand tussen de lampen van de openbare verlichting was te groot om enkel maar ” kleine” lampen ( 25 kaarsen ) te gebruiken, zo stond er te lezen, en ook te Niel wilde men in de toekomst alleen maar grote ( 50 kaarsen ) plaatsen. Er kon daarentegen niet worden ingegaan op de vraag om dezelfde tegemoetkomingen als de buurgemeente. De voordelen die aan Niel waren toegestaan, waren trouwens gebaseerd op de veel grotere perspectieven die deze gemeente bood. Na nog wat gehakketak zonder echte toegevingen keurde de gemeenteraad van 10 februari 1911 de vergunning toch goed, hierin gevolgd door de Bestendige Deputatie op 12 mei van dat jaar. Alles samen was er een jaar overgegaan voor de zaak helemaal rond was.

Toch kwam er nog een klein vervolg op dit verhaal. Schelle sprak kort nadien ook de Antwerpse gasmaatschappij aan voor het leveren van gas aan de inwoners. Escaut kon daar mee instemmen.

Wel benadrukte ze nog eens dat het “monopolie der openbare verlichting, alsook het leveren van elektriciteit aan bijzonderen ons voorbehouden blijft” In de loop van juli 1912 liet de gemeentesecretaris Voet van schelle ook nog eens van zich horen: “Zondag 14 juli vieren wij het 25-jarig burgemeesterschap van de heer Steenackers”, liet hij aan directeur Wüst weten. Bij die gelegenheid wilde men het gemeentehuis met groene kransen opsmukken. Zou Escaut eventueel willen instaan voor het aanbrengen van enkele kleine lampen voor de avondverlichting ? Naderhand kon men in het krantenverslag over het feest lezen dat er een “menigte” lampen waren aangebracht en dat de openbare verlichting liefst tot 2 uur in de nacht had gebrand.

RUMST EN TERHAGEN.

Eind 1911 werd er ook onderhandeld met Terhagen en Rumst. De nijverheid toonde levendige belangstelling. Een van de steenbakkerijen, waar men de productie wou moderniseren, vroeg of de onderhandelingen gingen over stroomlevering voor de verlichting en drijfkracht en of alles zou lukken tegen oktober 1913. voor Escaut was dit een argument om bij het gemeentebestuur aan te dringen. Steenbakker Michel Cuykens werd uiteraard ook op de hoogte gebracht en ontpopte zich tot een waardevol contactpersoon. Zo wist hij te vertellen dat Rumst een heel goede burgemeester had, maar dat hij nogal traag was in het nemen van beslissingen en geregeld wat moest aangepord worden.

De neef van Cuykens was burgemeester in het nabij gelegen Terhagen. Michel Cuykens had met hem gepraat over de invoering van elektriciteit in Rumst en Terhagen. Hij sprak tegenover Escaut zijn twijfel uit of de gemeenteraden van beide gemeenten de voorwaarden van de elektriciteitsproducent ooit zouden aanvaarden. Daarop volgde een hele briefwisseling waarbij de steenbakker zelfs optrad als tussenpersoon in Terhagen. Achteraf drukte hij de vrees uit dat de elektriciteitsonderneming fel zou moeten inbinden om resultaten te bereiken.

In oktober 1913 was het schepencollege van Rumst het eens over het ontwerpakkoord, op twee punten na. In de eerste plaats moest er in de dorpskom een ondergronds net komen. Bovendien wilde men een uitgebreider net dan was vooropgesteld en eiste de gemeente dezelfde voorwaarden als Terhagen. Tenslotte werd ook de hulp ingeroepen van Haesaerts, een burgerlijk ingenieur uit Boom, om de plooien glad te strijken. Een maand later kon hij reeds meedelen dat het schepencollege enkel nog een uitbreiding van het net wilde tot aan het kastelen van graaf de Beaulieu en Meester de Belzenbroek. Dat leverde kennelijk geen moeilijkheden op en enkele dagen later keurde de gemeenteraad van Rumst de concessie goed. Het duurde echter nog tot 15 april 1914 vooraleer ze door een notariële akte werd bekrachtigd. Op 10 juli 1914 betuigde ook de Bestendige Deputatie haar instemming.

Uit de bewaarde briefwisseling blijkt dat Escaut reeds in januari 1912 ingenieur Jacobs naar Terhagen stuurde om er de concessie voor de elektriciteitslevering aan te kaarten. Burgemeester Van Bulck bleef echter een stugge houding aannemen en wachtte op de beslissing van zijn buren Boom en Rumst. En zo gebeurde het dat pas op 8 november 1913 een beslissend onderhoud plaats vond over de eerder gedane voorstellen. Dit leidde tot een vergelijk dat officieel op 26 maart 1914 door de gemeenteraad en op 14 augustus door de Bestendige Deputatie werd goedgekeurd.

Daarmee waren al de Rupelgemeenten de revue gepasseerd en was dus overal de aansluiting op het elektriciteitsnet een feit voor het ingaan van de Eerste Wereldoorlog.

Digiprove sealCopyright beveiligd door Digiprove © 2017 Marc Verlinden

Geschiedenis van de gemeente Boom