Diamanten

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1994-1995

Lezing op 14/02/95
door LEO BACKELJAU
(Foto: personeel van een Boomse diamantslijperij in 1923 FAB 5492)

Geachte Burgemeester,
Waarde prominenten, Eerwaarde Heren, Dames en Heren,
Het is mij een groot genoegen u hier enkele woordjes te kunnen vertellen over diamanten en edelstenen. De meeste mensen hebben er wel al van gehoord en toch blijft het voor velen een mysterie, een ondoorgrondelijk iets. Want al deze zaken behoren tot de dode natuur, het rijk der gesteenten en mineralen. Ze bieden ons een weelde van kleuren en vormen, glans en schittering.
Het zijn kleinoden, gevormd bij de schepping der aarde, een geschenk van God.

Wat zou echter de mensen in de ban hebben gebracht van deze stenen? Wat zou de primitieve mensen gedreven hebben om wit schitterende of helder gekleurde steentjes te dragen? Misschien de zucht naar verfraaiing van het lichaam of een duister geloof in de onbegrijpelijke krachten der natuur? We kunnen er slechts naar gissen, maar om hun magische eigenschappen behoren de edelstenen tot de kostbaarste bezittingen van de mens. Duizenden jaren geloofden de mensen in de toverkracht van zekere stenen en wie waagt niet alles, wanneer hij zich beschermd voelt door een amulet of talisman tegen de toorn der goden.

Hoofdstuk I: De geschiedenis van de diamant
De geschiedenis van de diamant begint met zijn ontstaan, maar daarvan weten wij in feite niets. Wij weten ook niet wanneer de eerste diamant gevonden werd, maar wel waar, want met zekerheid komen de eerst gevonden diamanten uit India. Betrouwbare gegevens hierover vinden wij in twee bronnen, waarvan wij de ene nauwkeurig in de tijd kunnen situeren, de andere echter niet.

Reeds in de oudheid wordt diamant vernoemd als het hardste, het mooiste en het meest duurzame van alle edelstenen. In het boek Exodus vinden wij een citaat waarin geschreven staat:
“Twaalf edelstenen sierden de borstplaat van de Hoge Priester, waaronder één schitterende diamant de edelste van alle was.”

Ook elders in de bijbel is er sprake van diamanten, bijvoorbeeld in het boek Ezechiël (par.28,13): “Gij waart in Eden, Gods hof, het aards paradijs. Alle kostelijk gesteente was uw deksel en een geschenk van God. Sardonix, topazen en diamanten, turkooizen, jaspis, saffieren, robijnen, smaragden, granaten en tot bekroning van Gods geschenk goud in overvloed”.

In de Hybrotaal wordt het woord “sjamir” gebruikt voor diamant, in het modern Hebreeuws spreekt men van “jahalom”. Dit woord werd in de oude tijden gebruikt om alle harde stenen aan te duiden. Evenzo gebruikten de oude Grieken het woord” Adanas” voor diamant, maar het was echter korund, nu in de nieuwe versie bekend onder de naam van paparadjadiamant met een hardheid van 9.5 (hardheid van diamant 10). Daarom begrijpen we ook zeer goed de woorden van Plinius: “Diamant is de kostbaarste, niet alleen van de edelstenen, maar ook van alle dingen ter wereld”.

Oorspronkelijk en zeker tot in de l8de eeuw kwamen alle stenen uit India. Men sprak toen van een diamantroute, die ging van de Indus tot Tripoli over Carthago tot Rome en zo tot in onze streken, waar de kooplieden er fabelachtige prijzen voor afdwongen. Zo vertelde men: “Een diamant is de steen der koningen, doch niet eens alle koningen bezitten hem.” De weg die deze karavanen volgden was dikwijls zeer lastig en gevaarlijk vanwege de struikrovers, die zich overal ophielden en op rijke buit belust waren. Heden worden er diamanten gevonden in Afrika, Rusland en Zuid-Amerika, doch 95% van de wereldproductie komt voort uit Zuid-Afrika, Zaïre en Australië.

In vroegere eeuwen werd er wel onderscheid gemaakt tussen edelstenen en half-edelstenen, doch dit onderscheid is zuiver kunstmatig. Half-edelstenen bestaan niet, er is wel een merkwaardig verschil in kwaliteit en prijs. De kostbaarste zijn goudgele madera topaze, donkerrode spinel, korenbloemblauwe saffier, duivenbloedrode robijn, violetblauwe heldere amethist, diepgroene smaragd en primus inter pares diamant. Bij diamant is het zijn magische kracht die zijn waarde bepaalt. Plinius zei dat de hardheid van diamant wonderbaar en bovennatuurlijk is: hij overwint het woedende vuur. Nu kunnen aantrekking en afstoting tussen de dingen in de natuur – die de Grieken ‘sympathia en antipathia’ noemen – in geen element beter waargenomen worden dan in diamant. Deze onoverwinnelijke delfstof, waartegen noch vuur, noch staal – de twee sterkste en machtigste scheppingen van de natuur – bestand zijn, is gedoemd overwonnen te worden door het bloed van een bok, het enige waardoor het kan verbrijzeld worden. Zorg er echter voor dat de diamant gedompeld wordt in bokkebloed vers uit het lichaam van het dier, voordat het koud geworden is. Zelfs wanneer dit gebeurt, moet je de diamant nog vele slagen geven met de hamer op een aanbeeld en opletten dat hamer en aanbeeld niet bezwijken.

Ik persoonlijk zou graag willen weten wie voor het eerst een diamant in bokkebloed dompelde of liever door welk toeval hij dit ontdekte. Wat mag de mens ertoe verleid hebben zulk uitzonderlijk experiment uit te voeren en dan nog met een bok, één van de vuilste dieren in heel de wereld. Ik moet deze uitvinding toeschrijven aan de macht en de goedheid van de goden.

Diamant heeft de eigenschap de schadelijke uitwerking van gif tegen te gaan, begoochelingen te verdrijven die de mensen tot waanzin brengen en ijdele angsten te verjagen die de geest verstoren. De steen die zo zeldzaam is dat slechts koningen en niet eens alle koningen hem bezitten, heeft magische krachten. Ongetwijfeld zijn het Indische kooplieden die verantwoordelijk zijn voor een dergelijk geloof, want zij brachten de stenen naar Rome en bedongen er fabelachtige prij zen voor. Doch met de verspreiding van het christelijk geloof werd de magische kracht van diamant steeds minder en minder en tenslotte tot het rijk der fabelen verwezen.

Diamant is zuiver gekristalliseerde koolstof, dezelfde koolstof
die het voornaamste bestanddeel is van steenkool en ook van grafiet, waarvan potloden gemaakt worden. Diamant ontstaat slechts alleen bij zeer hoge temperaturen. Miljoenen jaren geleden moet het ontstaan zijn bij vulkanische uitbarstingen.
Want tot vandaag vindt men diamanten enkel in vulkaanpijpen van een bepaalde steensoort, genaamd kimberliet of blauwe grond. Men kan ze ook vinden in rivierbeddingen, waar ze terecht gekomen zijn door de erosie, die de vulkaan afsleet en zo de diamanten meevoerde.

Waar men ook ter wereld diamanten vindt, moeten honderden tonnen zand verzet worden om één gram diamant te vinden. Bijvoorbeeld in Kimberley (Zuid-Afrika) bestaat nog steeds de ‘Big Hole’ of het grote gat. Het is het grootste gat door mensenhanden gegraven. In de 19de eeuw zocht men er naar diamanten.
De afmetingen van het gat zijn 463 m diameter en 1.097 m diepte. Momenteel is het geklasseerd tot nationaal monument ter herinnering aan de diamantzoekers van weleer.

De laatste jaren wordt diamant volledig mechanisch ontgonnen en van de mijn rechtstreeks naar Londen verstuurd, waar de grootste diamantbeurs ter wereld voor ruwe diamant gevestigd is. In Londen worden de stenen gesorteerd en verkocht aan de verschillende diamantcentra ter wereld en voornamelijk aan België, waar Antwerpen nog altijd de grootste afnemer is. Antwerpen heeft de meeste slijpers, die de stenen zo nauwkeurig mogelijk bewerken.
Dat is niet altijd zo geweest, want de eerste vermeldingen van slijpers komen voor in India, dus bij de bron. Verder moet men wachten tot de jaren 1373 om nog enig spoor van diamantslijpers te vinden.

De eerste vermelding van een diamantpolijsterij was in de Duitse stad Nurenberg in 1373. Omstreeks deze tijd moet er te Parijs ook één zijn geweest, vermits er sprake van is tijdens het opmaken van de inventaris van de Hertog van Anjou. Op het einde van de 17de eeuw vermeldde Parijs 75 diamantslijpers, de meeste waren Joden en Protestanten.

In de 17de eeuw werd ook het briljantslijpen uitgevonden door de Italiaan Vincenso Perruzzi, wat echter op het einde van diezelfde eeuw verbeterd werd door de beroemde Franse staatsman Kardinaal Mazarin. Ook vermeldt een Parijs’ boek nog een zekere Louis de Berquem, meester diamantslijper, die in de 15de eeuw de stenen sleep met poeder van dezelfde stenen op een draaiende schijf, die met een rad voortbewogen en met de hand in werking werd gesteld. Dit laatste was meestal het werk van de vrouwen, zoals we kunnen bewonderen op oude prenten of gravures.
De oudste vermelding op ons grondgebied dateert van 1483. In de Broederschap van O.-L.-Vrouw van Loven wordt een Wouter Pauwels, diamantslijper van deze stad, vermeld. De eerste vermelding te Antwerpen vinden we in de kerkregisters . Deze vermelden een zekere’ Notelaert Lieven, diamantslijpere geboren te Gent en woonachtig achter St. Andrieskerke tot Antwerpen in het jaar onzes Heren 1534′ .

Vanaf het einde van de 15de eeuw werd er te Antwerpen op grote schaal handel gedreven in diamanten en edelstenen. Reeds in die tijd werden de mensen verwittigd op te passen voor de vervalsingen, die in omloop waren.

Een weinig later werd er ook een Gildebroederschap opgericht binnen’ t Antwerpen in 1577. Bij een eerste melding van de broederschap meldde ze 30 tot 40 arbeiders. Zij zonden een request tot de magistraat van de stad met het verzoek onder. hen een natie met deken op te richten, zulks ten voordele van de koopmanschap, van de edellieden – kopers der diamant – en tot glorie van de stad. Groeperingen van zo’n ambachtswezen waren toen algemeen gekend. De gewenste ordonantie bleef echter vijf jaar achterwege en pas op 25 oktober 1582 werd het ambacht der diamant- en robijnsnijders voor goed opgericht.

De inleiding op de ordonantie van 1582 leert ons dat het ambacht werd opgericht om de handel te begunstigen. De 39 artikelen beschrijven verder de aard en de bevoegdheid van de vereniging, vooral tegenover de leden. Het bepaalt ook wanneer de regeerders zullen gekozen worden en hun betrekkingen met de magistraat van de stad. Verder spreekt men over de verplichte inschrijving, de gezellen en de meesters en de proef, die te leveren is om als vrijmeester te kunnen werken en opgeschreven te worden. Het ambacht telde ongeveer 40 tot 50 leden in 1621 en als patroons werden St.-Pieter en Pauwel aangegeven. Op hun feestdag zou er ieder jaar een H. Mis worden opgedragen ter bevordering van gunstige tij den ten voordele van de diamant – en robijnsnijders werkzaam binnen ’t Antwerpen.

Een van de oudste stukken die ons in handen viel, is de aanvraag of indiening om als leerjongen te worden opgenomen:
Jo Agneette wed. van wijlen Hans Wijnants heeft den 29 april in ’t jaer 1586 haar zoon Jaspar Wijnants besteed tot Artus Donks, diamantslijpere voor vijf jaer mits betalende het eerste jaer 7 ponden Vlaems en de drie andere jaeren 40 guldens ’s jaers en het laatste jaer niets meer.

Dus hebben wij hier meteen het eerste leercontract van een leerling-diamantslijper te Antwerpen. Rond de jaren 1620 telde men te Antwerpen 164 vrijmeesters, er waren er ook enkele in Mechelen en Brussel, doch allen afkomstig van Antwerpen.
Met de sluiting van de Schelde ging ook de diamantnijverheid in Antwerpen achteruit. Volgens de legende zou de Antwerpenaar Peter Goes het ambacht overgebracht hebben naar Amsterdam, tot groot nadeel van onze stad. Na enkele j aren ondervond men dat hier zeer goed. Vandaag de dag wordt nog steeds diamant geslepen in Amsterdam. Er zijn ongeveer vijftien bedrijven in werking.

Antwerpen kwam enkele jaren nadien echter de crisis terug te boven en is tot vandaag een grote diamantstad.
In 1663 kocht de natie, ondanks de crisistijd, een huis in de Korte Clarenstraat ten behoeve van het ambacht. Om aan de nodige gelden te geraken waren heel wat bewerkingen nodig.
Het huis werd ‘Het Vosken’ genoemd.

Er waren ook regelmatig geschillen met de oude kleerkopers. Deze verkochten op de Vrijdagmarkt ook diamanten en juwelen, voortkomend uit nalatenschappen. Zo was er in 1606 een proces tussen de deken van de diamantbewerkers en de deken van de oude kleerkopers. Het vervolg hiervan is niet gekend. Ook in de 18de eeuw waren er nog regelmatig processen tussen beide gilden. Zo is er een proces gekend van 1788, dat in 1793 nog steeds niet beëindigd was.

De algemene toestand was anders eerder naar de gunstige kant in deze eeuw. Ja, zelfs zo goed dat er allerlei feesten en plechtigheden plaatsgrepen, zoals bals. Op deze bals of op H. missen moesten telkens de dekens aanwezig zijn, anders kregen zij geldboetes.
Deze feesten hadden voor 1800 steeds plaats in ‘Het Schermerhuis ‘. De grootste kosten bedroegen het geld voor de muzikanten en het breken van de glazen. Naar het schijnt kon er in deze eeuw niet gedronken worden zonder glazen te breken. Zo bestaat er een rekening van 1793 die meldt: “Te betalen 5 gebroken glazen en 10 potten Lovens. aardewerken bierkruiken”. Zelfs in de besloten tijd van 1799 gingen deze feesten door, alsook de zielemissen van de overleden gildenbroeders, ondanks het overheidsverbod.

In het jaar 1844 vierden zij hun voorzitter Johannes Franciscus Govaerts ter gelegenheid van zijn vijftigjarig lidmaatschap.
Er werd voor hem een vers samengesteld waarin hij vergeleken werd met Lodewijk van Berquem, de zogezegde uitvinder van’ het diamantslijpen. Hier volgt de tekst:

Berquem Govaerts
te Brugge 1478 te Antwerpen 1844
Jubelgalm aan den achtbaren heer J. Fr. Govaerts Als vijftigjarig lid en vijf en twintig jaren hoofdman der Diamantslijpersgilde van Antwerpen, gevierd in het jaar onzes Here den 29 dag van juni 1844 op het feest van de H.H. Petrus en Paulus, patroonsheilige der gildebroederschap.
Een wonder vreemd geval brengt ons vandaag te samen,
en komt ons blijde ziel tot ware vreugde pramen.
Geheel de slijpersgilde, de snijders eveneens,
zijn allen aangedaan, het is iets ongemeens.
En dat men zelden ziet, Govaerts om zijn wandel,
en zijn rechtzinnigheid en onbesproken handel… enz.

Diamantslijpen buiten de stad Antwerpen

De jaren 1840-1850 waren bijzonder gunstige jaren. Er werd geld verdiend als slijk door patroons en arbeiders. Men kraaide echter te vroeg victorie, want er kwam crisis in het vak. Gelukkig niet voor lang, want tijdens de oorlog van 1870 bloeide het vak opnieuw.
Het is tijdens deze periode dat er ook diamantslijperijen op de buiten ontstonden, voornamelijk te Boom en Willebroek.
Ook de confrerie of broederschap kreeg andere benamingen en de hoofdman werd nu voorzitter genoemd en zijn trawanten secretaris en schatbewaarder.

Diamantslijpen te Boom en Willebroek

Ongeveer in de tweede helft van de 19de eeuw begon men te Boom met diamantslijpen. Omstreeks de jaren 1900 was het aldaar een zeer bloeiende en gevestigde nijverheid. Ons grondgebied telde dan zowat dertig grote en kleine slijperijen, waarvan diamantslijperij ‘Den Engel’ de eerste en grootste was. Zij was gelegen op de hoek van de Kerkstraat en de Boomse Grote Markt, de latere danszaal van Gust Kade (nu ASLK). Momenteel is er geen enkele slijperij meer in werking in Boom. Het merendeel van de fabrieken zijn nu nog te Antwerpen gevestigd.

Ook te Willebroek is er ooit een diamantslijperij geweest. In 1913 werd het huis in de Kerkstraat, palend aan veearts Van Passe en vlak tegenover de herberg “bij de sette” , aangekocht door Victor Leo Backeljau, diamantfabrikant van beroep. Hij bouwde weldra een slijperij in de hof van de woning. Backeljau was leerling geweest bij meester-diamantslijper Jan Lodewijcks in de Molenstraat te Boom. Eens gevestigd te Willebroek was hij eigen werkrnaker, wat wil zeggen dat hij werkte met zijn arbeiders aan zelf gekochte stenen, die hij geslepen verkocht op de beurs te Antwerpen. De beurs was toen gevestigd op de Quinten Metsijslei en niet zoals nu in de Pelikaanstraat . De werkzaamheden te Willebroek waren nog datzelfde jaar van wal gestoken en als energie werd reeds electriciteit aangewend.

Het was één van de eerste van het land, want de meeste fabrieken werden toen nog voortbewogen door stoom of gas. Patroon Backeljau had hier te Willebroek tien werklieden in dienst, doch schone liedjes duren niet lang. Er dreeg gevaar, donkere onweerswolken verschenen aan de horizon en ons land werd overweldigd door de Duitsers. Hiermee hielden alle activiteiten volledig op om nooit meer te Willebroek hervat te worden.
Na de oorlog herbegon de fabricatie in Boom, alwaar zij stand hield tot 1964. Nu is de diamantslijperij Backeljau omgevormd tot een fabriek voor kinder- en keukenmeubelen.

DIAMANTSLIJPERIJEN TE BOOM
A. De Paep & A. De Jonghe Antwerpsestraat
Victor Backeljaubegonnen 1920 – gestopt 1966
David Frans Mampaey
Keppens & Van Camp
Sander Hellemans
Gustaaf Hellemans
Karel Mees
Emile Simonis  laatste gewerkt 1/11/74
Karel Koopman
Mariette Van de Mosselaar
Isidoor Leens
Gustaaf De Wachter
Jan Lodewijcks – later Karel Somers
Lambrechts
Karel Raes – A. Beulens
Lodewijk de Pine
Laurikx Molenstraat
Kamiel Verlinden
Eduard Wolschaers
Herman Coenaerts
Brandstraat ???
Spiessens Steenbakkerijstraat
Van Crombruggen Kerkstraat
Den Engel (Bij Gust Kadé)
Decomles en Trey
Gustaaf Cop
Jozef Verstappen
Claes Molenstraat
Eduard Verbruggen
Pulteaux Eduard

HOOFDSTUK II: DE FABRICATIE
Zoals we reeds weten, is diamant het hardste van alle gekende delfstoffen. Er bestaat geen enkele steen of metaal die bij machte is er krassen of schrammen op te geven. Diamant kan men splijten volgens een vaste was, hiermede wordt de richting bedoeld volgens dewelke de steen gegroeid is. Deze was is van zeer grote betekenis voor de fabricatie van de steen. De zaag en slijpwassen staan rechthoekig op de splijtwas, deze laatste is alleen van belang voor de kliever.

Bij zeer schone en regelmatige stenen bemerkt de vakman ogenblikkelijk de was, maar bij stenen die onregelmatig gegroeid zijn of naadstenen of stenen die met twee en drie aan elkaar gegroeid zijn, is dat heel wat anders. Men moet dan dikwijls zoeken hoe de wassen lopen en hoe men moet beginnen de steen te bewerken of te klieven. In de oudste tijden werd er alleen maar geslepen of gepolijst op de vlakken die door de natuur zelf geschapen waren.

De eerste mens die geprobeerd heeft de steen aan zijn wil te onderwerpen, was vast en zeker Lodewijk van Berquem.

Hij gelukte daarin maar gedeeltelijk, want diamant geeft zich niet zomaar gewonnen. Zelfs tot het begin van onze eeuw werd er maar op los geslepen. Het resultaat was dat na de Eerste Wereldoorlog duizenden karaten diamant moesten herslepen worden of ze waren gewoon niet meer verkoopbaar. Nu zoekt men ze terug op als antiquiteit.

De methode van van Berquem paste zich echter wel aan. De snijder wrijft een diamant tegen een diamant om de steen het gewenste model te geven en de slijper en zager brengen wel degelijk diamantpoeder op hun schijf of zaag anders kunnen ze de steen niet bewerken. Diamant slijpt men alleen met diamant.

Tot ongeveer 1900 werden de diamanten alleen gekloven, gesneden en geslepen. Juist na de eeuwwisseling kwam er een nieuwe methode opgang: het zagen. Diamanten die voorheen niet konden gekloven worden, moest men slijpen tot het gewenste model en dat was soms zeer schadelijk. Met het zagen maakte men nu van één diamant twee en dat op de meest voordelige wijze. Deze nieuwe uitvinding bracht meer werk met zich mee, maar ook meer geld voor de patroon.

Alle bewerkingen die diamanten ondergaan, komen echter op hetzelfde neer: zo weinig mogelijk van de steen afnemen en hem zo groot mogelijk houden. Want diamant is een te dure grondstof om er de gek mee te houden.

Het klieven

Diamant splijt zoals sommige houtsoorten in een enkele richting, kliefwas genoemd. Het klieven heeft tot doel van een grote onzuivere steen verschillende kleine zuivere stenen te maken.
De te klieven steen wordt bij middel van speciale cement op een houten stokje geplaatst. Deze stok past juist in een gat, dat in een blokje hout gemaakt is en dat zich juist voor de klieversbak bevindt. In de steen, die moet gekloven worden, is eerst met een ander vlijmscherpe punt van een diamant een kerf of groef gemaakt. Hierin kan de kliever zijn mes plaatsen. Met zijn houten hamer en met een forse slag wordt de steen in twee stukken gespleten, zoals een wig in een stuk hout.

Natuurlijk is een grote vakkennis vereist aangaande de wassen, want een verkeerde berekening of een verkeerde hamerslag doet de steen niet in twee splijten, maar kan hem helemaal verbrijzelen in ontelbare kleine stukken, die dan waardeloos zijn.

Het zagen

De zaagschijf is een legering van speciaal brons. Ze heeft ongeveer zeven centimeter diameter en is een tiende millimeter dik. De rand van de zaag wordt met een speciaal werktuig bestreken, dat van diamantpoeder is voorzien, er op gebracht met olie. Oorspronkelijk diende de zaag om kleine puntjes weg te halen, die anders door de snijder weggenomen werden. Doordat de techniek verfijnde, kon men hele stenen doorzagen.

Dit was ook een hele vooruitgang om naar onzuiverheden te werken. Een steen die bijvoorbeeld zwarte greinen in het hart had, kon nu zo worden gezaagd dat men ze eruit kon slijpen. Voorheen bleven die midden in de steen.

Alvorens de stenen gezaagd worden, worden ze met Oostindische inkt getekend om nauwkeurig de zaaglijn te volgen. Daarna worden ze met gips in een koperen zaagdopje versteld. Het zagen vergt soms veel tijd, zeker bij grote stenen. Daarom kan deze arbeider over een groot aantal machines beschikken, wat juist het tegenovergestelde is van de snijder of slijper.

Het snijden 

Het snijden van diamant gebeurt door twee stenen tegen elkaar te wrijven met de bedoeling al het overbodige weg te nemen en ze hun model te geven. De ene diamant noemt men de opzetter, de andere de meesnijder. Als men spreekt van model, dan zijn het ronde, peervormige of spiralen, markiezen genoemd. Vroeger werden de stenen met de hand gemaakt tussen twee houten stokjes,
nu gebeurt het echter op de snijmachine.
Hierdoor zijn de stenen ook beter rond.

De snijmachine werd uitgevonden door de Antwerpenaar Leyten. Na deze uitvinding verdween de handmethode volledig, want op de machine gaat het veel beter en sneller. De snijder heeft geen rekening te houden met de wassen, hij kan wrijven in alle richtingen. Het gezegde van de slijper is dat ze bij hen altijd lopen. De stenen worden versteld in cement van schellak en carborandum, op koperen doppen, waarvan de ene op de machine en de andere in de hand. Zij worden dan zo tegen elkaar gewreven tot het te bekomen resultaat bereikt wordt. Het poeder of afval valt in een zift en wordt gebruikt door de slijper om de schijf in te smeren.

Het verstellen

Verstellen gebeurde alleen vroeger, nu gaat alles mechanisch.
Het verstellen had tot doel de stenen in de soldeerdop te plaatsen voor de slijper. Men had ongeveer 7 tot 8 slijpers voor een versteller op de fabriek. Om de 57 facetten aan de steen te slijpen, moest hij 18 maal versteld worden. De soldeerdop had de vorm van een eikel en moest warm gemaakt worden op een gasfornuis. Dat moest op de juiste warmtegraad gebeuren, want anders smolt de soldeer.
De moderne methode gaat veel sneller vooruit. Wanneer de steentjes goed lopen, kan men er druk op zetten, wat vroeger niet kon, want dan zakten ze weg in de soldeer. Deze bewerking is zoals gezegd helemaal verdwenen en behoort nu tot de folklore van het diamantvak.

Het slijpen 

Het eigenlijke slijpen van de diamanten bestaat uit twee bewerkingen: het kruiswerken en het briljanderen. Het eerste is het model geven, het tweede de afmaak of de duurzame schittering aan de steen geven. Wanneer hij gebriljandeerd is, is de steen verkoopsklaar en gaat hij naar de beurs om verhandeld te worden. Vandaar komt hij in de handen van juweliers, die hem in juwelen plaatsen. De kruiswerker slijpt de vier hoeken van boven, de vier hoeken van onder en de tafel. Dus te samen slijpt hij 9 grote facetten. De briljandeur slijpt echter veel meer: hij maakt van boven 4 bezelen, nogmaals gebroken door 8 sterren en 16 halven;
van onder maakt hij 4 paviljoenen en 16 halven. Vroeger sleep hij soms nog 17 van onder op de punt van de steen “kollet” genoemd. Dit is echter geen mode meer en wordt nog slechts bij vlakke stenen toegepast. Dus de briljandeur slijpt in totaal 48 facetten. Alles te samen zijn dit 57 facetten. De slijper moet op één zaak goed letten: wanneer het slijpvlak groot genoeg is, moet hij het goed polijsten,
in vaktermen “afzoeten” genoemd, en dit om een duurzame glans te bekomen.

Het schijvenschuren

Dit is het zwaarste werk van heel het vak en vraagt de grootste lichamelijke inspanningen. Het werk van de schijvenschuurder heeft niets te maken met het model van de steen. Hij heeft tot taak de afgewerkte schijven terug glad te schuren. Wanneer de slijper op zijn schijf werkt, komen er groeven in, die de schijvenschuurder er terug moet uitwerken. Hij gebruikt hiervoor een amarilsteen waarmee hij na langdurig wrijven een duurzaam resultaat bekomt. Wanneer de eerste bewerking gedaan is, begint hij voor een tweede maal. Dit gebeurt met de “Godlandsteen “, die veel zachter is en de poriën van de schijf dicht. Eén ding moet de schuurder goed in het oog houden en dat is dat hij de schijf goed vlak houdt, anders is ze onbeslijpbaar. Dan volgt natuurlijk de nodige kommentaar van de slijpers, dat kunt ge u voorstellen! Vroeger gebeurde deze bewerking volledig met de hand, nu gebeurt ze echter ook mechanisch.

Tot zover dan de fabricatie. U weet nu al een en ander over het verloop van de ruwe diamant tot een schitterend juweel.

Hoofdstuk III: Diamanten en juwelen door de eeuwen heen.

Juwelen blijken zo oud als de mensheid zelve. De magische kracht van fonkelende stenen en glanzende parels, geplaatst in goud en zilver en bewerkt tot zeldzame juwelen, hebben altijd macht en grootheid van de vorsten hier op Aarde bevestigd.
Filips de Goede van Boergondië legde de grondslag voor de eenheid van de Nederlanden. Hij slaagde er onder meer in door de stichting van de orde van het Gulden Vlies. In 1430 wist hij te Brugge de adel rondom zich te groeperen en alzo een sterke eenheid te smeden. Zo werd ook voor de Ridders van het Gulden Vlies het ordeteken hun standjuweel.

Vorsten en machthebbers plunderden de schatkisten om met dat geld de mooiste edelstenen te verwerven. Beroemde diamanten, robijnen, smaragden en saffieren vonden er hun plaats. Men denkt maar aan de grote Wittelbachersdiamant van de voorvaderen van koningin Elisabeth. De steen bevond zich eertijds in de schatkamer van de Habsburgers, die hem na de Tweede Wereldoorlog zo plots te Antwerpen lieten opduiken, waar hij openbaar op de beurs werd geveild.

Eén der beroemste goudsmeden aller tijden was de Floretijn Benvenuto Cellini, die omstreeks 1500 tot 1571 leefde. Hij werkte voornamelijk voor keizer Karel V en voor paus Paulus Farnèse, van wie hij zeer voorname opdrachten kreeg. Hij plaatste onder andere edelstenen en diamanten in mijters, tiara’s en heilige vaten, die nu nog steeds te bewonderen zijn in het Vaticaans museum.

In het Vlaanderen van de 18de en het begin van de 19de eeuw was voornamelijk het Vlaamse kruis op de borst of de harthanger zeer in trek. Dat was vooral te wijten aan de grote devotie tot O.-L.- Vrouw. Zij werden dan ook voornamelijk geschonken op moederdag of het feest van O. -L. -Vrouw Hemelvaart. Het juweel was als volgt voorgesteld: drie delen zijn gescheiden en bengelen vrij bij het dragen. Een opengewerkte rozelaar boven een gouden diadeemband en met email getooide madeliefjes vormden de bekroning. Hieraan is een krans van rozenslijpsel met opengewerkt takwerk, waarvan de bloemknopjes versierd zijn met smaragden. Centraal midden in de krans prijkt het Heilig Hart van Maria, het is het mooiste en de grootste van alle diamanten. Het bevindt zich in een loshangend dopje dat bij de minste beweging een grootse schittering uitstraalt.

De slijpvorm van de diamant was een hartvormige volle Antwerpse roos en het geheel was gevat in goud en zilver. Het verheerlijkte de pracht en de luister van onze Vlaamse kooplieden en patriciërs. Zo ontstond tevens een Vlaams juweel dat grote vakkennis en traditie in zich verenigde. Het is heden nog een zeer op prijs gesteld juweel en moeilijk te vinden. Kroonjuwelen werden echter gedragen door de machtigsten der aarde. Het was niet zo zeer ze te bezitten of het geld dat ze waard waren, maar veeleer een teken van macht, roem en adeldom. Het is daarom ook dat de meest zeldzame en dure edelstenen een plaats vonden in kronen en scepters van keizers en koningen. De Zuid-Afrikaanse regering schonk destijds de grootste tot op heden gevonden diamant (de cullinan) van 3.420 karaat of 620 gram aan koning Edward VIII van Engeland. De steen werd gekloven en bewerkt in negen stuks, waarvan de grootste ongeveer 500 karaat bedroeg en het zwaard van de koning sierde. De andere stenen werden in de kroon geplaatst.
Dezelfde geschiedenis onderging de Koh-I-Noor of Lichtrots. Het is de meest beruchte diamant ter wereld. Hij troonde in volle glorie op het hoofd van de koningin-moeder bij de kroning van koningin Elisabeth II.

En dan nu de drie beroemdste kronen ter wereld. Dit zijn de kronen van koning Christiaan IV van Denemarken, de tsarenkroon van Peter de Grote en de Franse kroon van Lodewijk XV.
De Deense kroon werd gesmeed door een Duitse juwelier uit Augsburg. Deze is geheel in goud, versierd met parels en veelkleurig email en bezet met een fortuin aan grote diamanten. Hij is dagelijks te bezichtigen in het slot te Rozenborg.
Wij vervolgen met de kroon van Peter I, bij genaamd de Grote Meester van alle Russen (1682). Deze vorst was zeer vooruitstrevend en kunstminnend. Zijn kroon in massief goud is een prachtstuk, bezet met talrijke zeldzame smaragden, granaten en diamanten. Zijn huidige verblijfplaats is het museum van het Kremlin in Moskou.
Tot besluit een woordje over de Franse kroon van 1722. Hij werd ontworpen door de gebroeders Duflos. Het bovenstuk van de Franse lelie bevat de Sancy, één van de zeldzaamste diamanten ter wereld in kleur en zuiverheid. In het front plaatsten zij een andere enorme en waardevolle diamant, genaamd regent. Naar aloud gebruik werden de stenen na de kroningsplechtigheden vervangen door getrouwe kopieën. De echte stenen werden veilig opgeborgen in de koninklijke kluis. U kunt de edelstenen nu gaan bewonderen in het Louvre te Parijs.
Een tweede zeer beroemde goudsmid was de Russische edelsmid Carl Fabergé (1846-1920). Zijn atelier genoot wereldfaam en zijn meest beroemde werken zijn de gouden paaseieren bezet met diamanten. Zij waren eigendom van de Russische keizerlijke familie en dienden tot speelgoed van de keizerlijke kinderen. In zijn atelier werkten reeds in de jaren 1880 ongeveer 700 werklieden. Fabergé stierf in 1920 te Lausanne, waarheen hij gevlucht was omwille van de bloedige Bolsjewistische revolutie van 1917, die een einde maakte aan het keizerlijke gezag.
Het was Salvatore Dali, die terug de kunstenaars begon te betrekken bij juwelen (Milaan, 1954) . Tussen zijn surrealistische juweelontwerpen is ‘het oog van de tijd’ het meest beroemd. Kunstschilders en beeldhouwers van vandaag ontwerpen opnieuw juwelen, waaronder ‘de vredesduif’ van George Bragne als bijzonderste wordt aanzien.

Hoofdstuk IV: Diamant in nijverheid en industrie
Industriediamanten zijn stenen die ongeschikt geacht worden om te schitteren en te pronken. Daarom worden zij gebruikt om het zwaarste werk te verrichten. Tot nog toe is diamant het hardste van alle gekende dingen. Carborandum of wolframcarbide worden met gediamanteerde werktuigen bewerkt. Het klinkt u misschien heel onwaarschijnlijk in de oren, maar zonder diamanten hadden er nooit computers, supersonische vliegtuigen of electronica bestaan. Het is zelfs volledig onmogelijk bij benadering een overzicht te geven van de duizenden toepassingen van diamant in de moderne techniek en wetenschap.

In Indië was de techniek van het graveren met diamant al ver voor het begin van onze jaartelling bekend. Ook in China had men die mogelijkheid al uitgevonden. Er is een oud Chinees manuscript,
het boek van de meester Lie of “Lie Tjen” van 100 voor Christus, waarin een aantekening is opgenomen over het graveren met een ruitvormige punt, gemaakt van diamant. De pen zou door de handelaars zijn meegebracht uit Rome. Uit alles blijkt dat de Chinezen en Indiërs als naaste buren goede handelsbetrekkingen onderhielden, zowel vele eeuwen voor onze jaartelling als daarna. Het eerste werktuig waarin de diamant gebruikt werd, was de glassnijder. Deze werd later ook gebruikt om vazen en glazen ter versiering te slijpen of te graveren. Een ander voorbeeld: electriciteit is ondenkbaar zonder draad. Draad wordt getrokken door zogenoemde trekstenen, in feite matrijzen met een steeds kleinere diameter, waarvan de laatste de verlangde diameter van de draad heeft. Hiervoor wordt diamant genomen van uitgelezen kwaliteit, zeer zuiver gekristalliseerd, zonder scheuren of barsten van 0,2 tot 10 karaat.

Wat nog vreemder klinkt, is dat de mens eerder zijn instrumenten op de maan wist te brengen dan in zijn eigen aardmantel. Dit was alleen mogelijk door de diamant. Raketten ontwikkelen een zeer hoge wrijvingswarmte, waardoor zelfs de hardste metaallegeringen smelten. Een bemand ruimtevaartuig mag echter niet smelten en dat gebeurt ook niet dankzij de buitengewoon harde vuurvaste keramiek waaruit de neuskegel gemaakt is. Het voert de warmte uitstekend af wanneer het volmaakt glad en aërodynamisch bewerkt is. Dit is alleen mogelijk met diamantwerktuigen.
Ik zou nog tal van andere mogelijkheden kunnen aanhalen, die de uitzonderlijke waarde van diamant aantonen. Het is niet alleen een ijdel siermiddel, maar het kan in deze wereld niet gemist worden als werktuig. Het is zelfs uniek in onze wereld van mechanisatie en modernisatie.

Hoofdstuk V: Folklore rondom het diamantbedrijf
Hetgeen ik u hier ga vertellen, is datgene wat mijn grootvader mij vertelde, toen ik een jongen van 15 jaar was.
Mijn grootvader was en bleef een uitstekend verteller. Het verhaal situeert zich in de tijd dat de diamantbewerkers onder geen beste mouw aangeschreven stonden. Je merkt het in de volgende tekst van een spotliedje, dat destijds door alle kermisorgels werd afgedraaid:

Slijperkens, slijperkens allemaal, Die hebben het heel royaal,
Als ge er mee vrijdt,
Zijt ge rap uw bloemeke kwijt.

En het tweede spotliedje ten teken van welstand en grof geld
verdienen, luidt als volgt:

En de meid, van achter de vest,
Die lag om halvertien nog in heure nest,
o, wat is zij lui geweest, die meid van aan de vest.

Het diamantbedrijf is steeds anders geweest dan de andere bedrijven. Zij hebben hoogten en laagten gekend, maar in goede tijden hebben zij steeds rijkelijk van het leven en het geld genoten. Daarom deden vele sprookjes de ronde, doch ieder die ogen in zijn hoofd had, kon zien dat er verschillende armoezaaiers onder hen waren.

Maar het grote geld verdienen kon toch helemaal geen sprookje zijn, want er werd wel eens kwistig met het geld omgesprongen en groot vertier gemaakt. Dat zou je van een gewoon werkmansloon van die periode niet kunnen bekostigd hebben. Toch moest er een brok waarheid in gelegen hebben in dat geld verdienen en zeker voor diegene met vlugge en vaardige handen. Sommige snijders en klievers gingen zaterdags met een aardige dot geld naar huis. Potters en duitenklievers vond men in hun rangen niet, dat waren eerder zeldzame exemplaren. Vandaar dat ongewone en ongebondene. Zij die mee van de volle teug konden genieten waren de mannen die de toon aangaven van de onheiligheid, de wallebakkerij en het lichtekooien gemoes.

En grootvader vertelde verder, want de herinnering ligt me nog vers in het geheugen. Het was op een vredige maandagmorgen. De meeste mensen waren aan het werk, de vrouwen zorgden voor het eten. De kinderen hadden vrij af op school, daarom was de straatjeugd buiten goed vertegenwoordigd. Eensklaps klonk er een eigenaardig muziek in ieders oren. Het was niet de muziek van een fanfare of militaire kapel. ’t Was meer het lawaai van potten en pannen en tegen elkaar gegooide ketels, met daarbij nog enkele schrille kreten. Het werd steeds harder en wilder, naarmate het dichterbij kwam en uiteindelijk was het buiten alle maat en elke regel. Moest Bachus alzo met zuiplappen en hoeren een zegetocht door de stad hebben ingezet. In een ommezien stond de hele straat buiten te klappeien en werd er aan geen eten koken meer gedacht. Het was echter Bachus niet, maar wel een bende diamantslijpers. Zij reden per open ‘calèche’ de stad af en deden alzo al de kapelletjes van de processieweg aan.

Het was de maandagmorgen-ziekte die ze in het hoofd hadden gekregen. Ze waren ongeveer meteen twintigtal personen en drie rijtuigen. Ze hadden blauwe kielen met witte knopen en een hoge zijden hoed op het hoofd, in de mond stak een dikke havanna. Als een gonzende zwerm raasden ze voort, de koetsier aanmanend voor ieder kabardoesken halt te houden. Op de bok naast de koetsier zat een slijper in het wilde weg op een instrument te blazen. Zo gezegd zo gedaan, voor ieder bordeeltje werd halt gehouden en iets als een serenade ten beste gegeven. Daarna gingen ze naar binnen. Was er een knappe meid in huis, dan bleven ze een stonde langer, was de bazin ook een toffe griet, dan bleven ze nog een wijle langer en dronken ze nog een dikkop jenever meer.

En zo trokken ze steeds maar verder, straat in straat uit, bordeel in bordeel uit. Steeds trouw gevolgd door de prille straatjeugd en de plichtverzuimende huismoeders. Deze hadden de kookpot in de steek gelaten en dachten niet meer aan eten klaarmaken. Ja, zoals deze optocht er een was, waren er in het diamantvak vele. Daarom werd er wel eens misprijzend over de slijpers gesproken door de anderen. Zij moesten zich immers doodsloven om het mes in het brood te houden, in plaats van op zwier te gaan. Ja, de slijpers waren echte pierewaaiers, wijvenzotten en nachtbrakers, die het bij kwezels en pilarenbijters dikwijls lelijk te verdieren hadden. Wie in de biechtstoel dierf zeggen dat hij slijper was, had veel kans geen absolutie te krijgen.

En wanneer grootvader over al deze zaken uit zijn jeugd vertelde, wist hij van geen ophouden en bemerkte men een gulle glimlach op zijn gelaat. Het deed hem werkelijk deugd… en hij zuchtte dan: “Ja, zo waren ze !!”.
Het waren nieuw opgekomen baronnen. Ze aten de beste spijzen, dronken wijn bij hun eten en rookten de beste sigaren. Zelfs de welgestelde man kon een gevoel van afgunst niet onderdrukken bij de gedachte aan deze mensen, die letterlijk leefden als God in Frankrijk. Je moet nu niet denken dat iedere diamantslijper met grijze haren een tot inkeer gekomen zondaar is en nu leeft als een Franciscaner monnik. In die dagen leefden ze nog uit de hoorn des overvloeds, maar stilaan raakten de mijnen uitgeput en de crisis kwam in het vak. Wat moesten ze nu beginnen? Velen waren reeds zonder werk en geld hadden ze niet, want dat was vertierelierd met de straatmadelieven van Antwerpen en Boom. Sociale voordelen bestonden er nog niet, en werklozensteun nog minder.

Nu kraaiden ze heel wat minder dan ‘Victorie’, want velen onder hen moesten een brood gaan vragen in het genootschap van de H.Vincentius a Paulo. Dit ging in de volksmassa als een lopend vuurtje rond. Ogenblikkelijk waren er gelegenheidsdichters om de miserie van de slijpers te bezingen: “De weelde is voorbij, nu gaan ze hunne pere zien”. Met vastenavond werd er door jong en oud het volgende schampliedje gezongen en afgezaagd door de dreunende orgels bij “Toontje van de Platte en Jan de Kerre”:
Meskes betrouwt de slijpers niet,
ze lopen allen zonder werk,
het slijpen is ermee gedaan,
nu zullen ze naar ’t gelaag moeten gaan, maar op het gelaag kunnen ze niet werken, ze zeggen dat is alleen voor de sterken,
in kruiwagen vallen ze dood,
ge kunt ze vangen met een stukse brood,
in den blouwen put vallen ze plat,
ge kunt ze vangen met een stuk chokolat …!

Nadien evolueerde de toestand terug normaal en konden de slijpers
hun werk wederom hervatten. Gelukkig zijn deze geschiedenissen reeds lang voorbij, diamantslijpers zijn mensen zoals andere arbeiders. Nu zijn zij misschien de nederigsten, want zij genieten veel minder voordelen dan andere arbeiders. Dus zijn de rollen praktisch omgekeerd in vergelijking met vroeger.
Heel dat stukje romantiek van hierboven behoort volledig tot de folklore. . . !

Digiprove sealCopyright beveiligd door Digiprove © 2017 Marc Verlinden

Geschiedenis van de gemeente Boom