Het kanaal van Willebroek

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1994-1995

Lezing op 25/04/95
door HANS ROMBAUT
(Foto: kanaal grondgebied Willebroek FAB 6492)

Het is tijdens deze lezing niet de bedoeling om voor de zoveelste maal de historische gegevens over het kanaal van Willebroek, beter bekend als “De Vaart “, op een rijtje te zetten.

In een kort overzichtje vindt u reeds alles in nummer IV,l van “Het Wiel”, met eraan verbonden een unieke reeks foto’s van alle sluizen en bruggen. Deze zogenaamde “kunstwerken” werden in het jaar 1899 door fotograaf Louvois vereeuwigd.

Over deze foto’s moet ik toch nog een bijzonderheid kwijt: de opnamen zijn gemaakt op een moment dat de originele sluizen, gebouwd tussen 1550 en 1560, nog in functie waren. Daarom hebben we bij  gaand telkens een tekening van de betreffende sluis gepubliceerd uit de 17de eeuw. De gelijkenissen zijn frappant. In de loop van deze eeuw zijn alle sluizen vervangen, zodat nog 2
van de 5 hindernissen overblijven. Dit heeft de binnenscheepvaart een flinke tijdswinst opgeleverd, wat niet heeft verhinderd dat deze transporttak vandaag de dag zeer noodlijdend is. Ik vind dat transporteurs en distributeurs eens een grondige analyse moeten maken van de  overlast die ze onze landelijke verkeersinfrastructuur aandoen.

Waarom groef men dit kanaal?
Maar blijven wij bij de geschiedenis van het kanaal. Zoals gezegd, wordt het geen gewone lezing vandaag. Het is de bedoeling eens na te gaan hoe het zo ver is kunnen komen dat op een zeker ogenblik de stad Brussel het nodig vond een eigen waterweg naar de Rupel aan te leggen, terwijl er eigenlijk toch al de Zenne was. Toen ik klein was vertelde de onderwijzer in het derde leerjaar mij dat die Zenne te smal, te ondiep en te bochtig was voor de gewone binnenschepen. Hij had gelijk, want er heeft zelfs tot enkele decennia geleden een speciaal type “kempenaartje” bestaan, dat korter was zodat het de bochten van de Zenne kon nemen. Dit scheepstype mat nog geen 100 ton en was dus vrij vroeg niet concurrentieel genoeg meer.
Het is zeer lang mijn mening geweest dat de “Vaart” een creatie was uit de 19de eeuw. Het was dan ook tegen een innerlijke logica in dat ik jaren later vernam dat het sas van Klein-Willebroek met het sluiswachtershuis, origineel 16de-eeuws was. Vaart en Zenne bestonden dus eeuwenlang naast elkaar. De aanleg van de vaart was al gebeurd in een tijd dat het argument van de grotere scheepstypes niet speelde. De karvelen van Columbus, de toenmalige
zeeschepen, waren zeker niet groter dan onze rivierbootjes . Akkoord, hun diepe kiel maakte hen zeewaardig en verhinderde misschien hun verdere tocht op de rivieren van ons platteland.

Maar de “Vaart” maakte van Brussel nog geen zeehaven? Toch wel, vertelde men in de humaniora! Grote schepen bevoorraadden via Willebroek de industrie van Brussel-Noord. Al gauw bleek dat het zeekanaal pas was aangelegd in het begin van de 20ste-eeuw met de
grotere sluis van Wintam. Neen, er zat iets anders achter, maar niemand kon zeggen wat. Hoe langer je er rationeel over dacht, hoe contradictorischer het werd. Wat konden die bochten van de Zenne immers maken: van Leie, Schelde en Dender had men er al zoveel rechtgetrokken! Pas aan de universiteit kreeg ik de sleutel aangereikt. En dan nog totaal onverwacht. In de cursus van Middelnederlands maakte ik kennis met een “historisch lied”, genaamd “De Kloekmoedigheid der Mechelaars”. Het was een spotdicht op de Brusselaars, geschreven door een onbekend dichter, na een militair conflict tussen Mechelen en Brussel, maar waar ook
andere Brabantse steden bij betrokken waren. Het bleek dat Mechelen niet zomaar een Brabantse stad was, maar een aparte heerlijkheid, die afhing van de prinsbisschoppen van Luik. Reeds in een oorkonde van Otto II uit het jaar 980 wordt bevestigd dat Mechelen, naast Hoei, Fosses, Lobbes en Tongeren, “cum onmibus rebus et hominibus ad ea pertinentibus, … in manu episcopi singulariter consistant” .

In een oorkonde van 1006 vernemen we dat een groot gebied tussen de twee Netes en de Demer, van Mechelen tot Heist, aan de Luikse prinsbisschop behoorde. Op zich was dit niet zo van belang. Maar in de 12de en 13de eeuw groeide Mechelen uit tot één van de
belangrijkste economische centra binnen het Brabantse territorium. Er was een intense handel met Engeland en Duitsland op basis van invoer van wol en uitvoer van laken. In de 13de eeuw, vooral vanaf 1231 met Floris Berthout, maar nog meer onder Walter Berthout de Grote, die in dienst van de hertog van Brabant zal sneuvelen in de slag Woeringen (1288), uitgerekend tegen de bisschop van Luik en diens bondgenoten, geraakte die speciale heerlijkheid in handen van de machtige aristocratische familie der Berthouts. De aanvankelijke leenhulde aan de prinsbisschop deden ze niet meer en gaandeweg gaven zij zichzelf de titel van voogd en heer van Mechelen. Hierdoor werd het “onafhanklijke” Mechelen onttrokken aan het beheersniveau van de territoriale vorstendommen en kreeg
Mechelen een particulier statuut dat het behield tot de intrede van de Bourgondiërs. Deze Berthouts werden gesteund in hun streven naar een onafhankelijk Mechelen t.o.v. Luik door de Brabantse hertogen, die maar al te goed wisten welke strategische positie de stad innam in het waterwegennet . In oostelijke en zuidelijke richting bereikte men via de Demer de steden Aarschot, Diest, Tienen, Zoutleeuw, Hasselt en Zichem, via de Dijle Leuven en Waver, via de Zenne Brussel, via de Nete Lier en Herentals en in westelijke richting via de Rupel en Schelde Antwerpen, Dendermonde, Aalst, Ninove, Gent, Oudenaarde, Doornik, Valenciennes, Kortrijk, Ath, Lessives, Leuze, Ronse, Harelbeke, Menen, Wervik, Komen en vele andere steden.

Toen Lodewijk van Male in 1357 als graaf van Vlaanderen de oorlog won tegen Jan III, hertog van Brabant werd Mechelen als een aparte entiteit ingeschakeld in de Bourgondische vorstendommen, die later bekend werden als de 17 provinciën. Mechelen was daar dus één
van, naast en op gelijke voet met het hertogdom Brabant. Vanaf de tweede helft van de 14de eeuw belandde de basisindustrie van Vlaanderen en Brabant in een zware crisis. Overal kwijnde de lakenindustrie en -handel door de grote conflicten tussen Frankrijk en Engeland tijdens de 100-jarige oorlog. Vlaanderen koos de
zijde van Engeland. Brabant en Mechelen profiteerden daar in eerste instantie van. Toen echter Vlaanderen en Mechelen door het huwelijk van Margareta Van Male met Filips de Stoute ingeschakeld werden in de Bourgondische staten, deelde Mechelen in de neergang van de economische tendens in Vlaanderen. De “andere ” Brabantse steden en vooral Brussel konden tegen die crisis nog enkele decennia weerstand bieden. Toen ook werden plotseling de aloude tollen van Mechelen met grote nauwgezetheid
toegepast, omdat de stad zo het verlies trachtte goed te maken dat zij leed voornamelijk in het voordeel van Brussel. Juridisch had Mechelen immers sinds jaar en dag het recht tot het heffen van tol verkregen. Bovendien wordt ook Brabant opgenomen als één der
Bourgondische vorstendommen, waardoor het economische conflict aansleept en evolueert tot een loutere ruzie tussen steden, met als inzet zeer particuliere belangen.

Het was voor de genoemde steden, maar vooral voor de groeicentra Brussel en Antwerpen onduldbaar dat hun schepen bij het binnenkomen van Mechelen moesten overslagen naar Mechelse schepen, dat er tol moest betaald worden en dat bovendien de koopwaren eerst nog op de Mechelse markt moesten te koop aangeboden worden. Het beste deel verdween aldus voor ze op de plaats van bestemming arriveerden. Uiteindelijk werd het conflict zo ver op de spits gedreven dat Antwerpen en Brussel in 1431
Mechelen belegerden. Antwerpen blokkeerde het Wiel (= de monding van de Rupel in de Schelde) en Brussel de Zenne. De respectievelijke stadslegers verhinderden de bevoorrading
van Mechelen, zodat een werkelijke uitputtingsslag volgde. In de hoek gedreven moet het Mechelse leger een uitbraak gedaan hebben en het Brusselse garnizoen achtervolgd hebben
tot Ruisbroek alwaar een bloedige slag werd geleverd.

Uiteindelijk vond het conflict een diplomatische afwikkeling. In 1473 wordt Mechelen zetel
van het Hoogste Gerechtshof van de Nederlanden, de Grote Raad, en wordt het landelijk bestuur, eerst onder Margareta van York, later onder Margareta Van Oostenrijk, te Mechelen gevestigd. Rond dezelfde periode kreeg Brussel het octrooi om een eigen waterweg naar de Rupel te graven, zodat zij Mechelen kon ontwijken. Toch duurde het nog tot 1551 – wellicht
omdat het centrale bestuur zich uiteindelijk te Brussel vestigde en Mechelen bleef weerstreven – vooraleer de eerste spadesteek gegeven werd. Dan gaat alles zeer snel: in 1561, reeds na 10 jaar, werd de Vaart geopend, tegelijkertijd met twee dokken binnen de Brusselse omwalling. In de 17de eeuw zullen daar nog 3 dokken bijkomen.

Aan het verst binnenwaarts gelegen dok werd de vismarkt gevestigd. Het is aan deze bevrijdende realisatie -de Vaart – te
danken dat culinair Brussel zich tot vandaag nog optrekt als maritieme stad, onder meer aan het aanbod van voornamelijk visgerechten, die eeuwenlang via Schelde en Rupel, langs
Klein-Willebroek en de vaart op minder dan 2 dagreizen vers konden aangevoerd worden. Is het schijn of werkelijkheid? Of zouden de Brusselaars juist daarom Kiekefretters genoemd
worden?

KLOECKMOEDIGHEID DER MECHELAARS (1432)
1. Ghy heeren van Bruesele, wy makens u vroet, Dat ghy u harnas ane doet,  Ende sprinct uyt uwer muyten : U soudeniers die scijnen verwoet, Dich en willen op ons niet ruyten.
2. Den scamelen dorplieden ghy verbiet dat sy ons tetene brengen iet, Al willen wy wel betalen. Ghy scijnt ons vrient, ghy en sijghes niet: wy sullent noch self comen halen.
3. Die van Antwerpen laghen ooc stange Int wiel, op dwater, herde lange. Die Mechelers en mochtender niet comen: Maer sint dat wy ons bargien hadden En hebben wy niemant vernomen.
4. Wij trocken eens met snicken uyt. Opt water hoorden wy groot gheluyt Van Gielis Sanders knechten: “Her hoeresoons! ghy Mechelse ruyt! Wy willen teghen u vechten!”
5. Willeken backhijs dat vernam; Peter de Vorster, die sprac gram:
“Set ons aen dlant gheringhe God weet wy en sullen geen hoerensoens sijn! En laetter geen verdinghen!”
6. Wy sloeghen de riemen in den plaseh; Wy royden aen, wy waren ras; Te lande wy gheraecten. Doe dit dander ghewaerscout was,
Thuyswart sy haer maecten. 
7. Wy en hadden ooc geenen waer, Wy terden op ende liepen neer.
“Slaet doot!” waest, dat wy riepen, Dander scoten ute haer pansers daer, Se datse te soerder liepen.
8. Pansers,boghen, groot ende smal, Twas ons gherief : wy nament al, Ende droeghent en die scepen. Doen wy te mechelen binnen quamen al, Gheraet, wat wy begrepen!
9. Wy cochten laken, bey mans ende vrou; Elc dede een tabbart maken blau; Grau waren haer pallueren; Blijfter by stont op de mau:
God laetser in verducren! 
10. Tgeviel op Sente Berbelen dach, Dat onse reyse te Ruysbroec lach: Daer mocht men wonder merken. De Brusseleers men vlieden zach; Sy liepen op der kerken.
11. Daer was te male een groot gheloop; Daer viel er velen over hoop Eer sy daer binnen conden, Sy hadden de pycken in haren cop,
Vele doode, ende vele ghewonden. 
12. Daer was te male een groot ghecry. Buyten riepen sy: “Blijfter by! “Laetse hier inne verbroeyen. “Ghy Brusselers, ghy soudeniers, fy! “Hoe es u nu te moeye,”
13. Doe liepen die Mechelaer ende ron, Tot dat men eerlanc den kerchof won. Sy riepen luyde, al sonder merren : “Her, vier! her, stroy! Dat bolweerc willen wi berren!”
14. Men luydde stoem met haesten groot, Sy lieten weten haren noot; Ontset dat sy begeeren; Maer dbolwere was terstont al vier,
Sy en constens niet gheweren.
15. De dach verginc, de nacht guam aen, Wy moesten tstormen laten staen; Die scutters achterhielden: Het was op davontuere ghedaen,
Oft sy noch scermutsen wilden.
16. Neensy niet: sy waren vro Ende blijde, dat hen verginc alsoo;
De nacht hiel hen daer leven; Want hadde de dach iet langher gheduert, Sy waren daer alle bleven. 
17. In beyder sijden bleefer doot, (Godt help ien sielen uter noot!)
Voert sieken ende ghewonden, Die voor trecht ghestorven sijn bloot, Die worden salich vonden!
Amen.
C.C. Van de Graft Middelned. Historieliederen bl. 73-78.