HISTORISCHE NOTA OVER HET LAND VAN KONTICH

image_pdfimage_print

Terug naar overzicht jaarboek 1994-1995

door Marcel Thys
(Foto: Cover boek ‘Geschiedenis van Kontich’ bibl. Ten Boome B0027)

Graag wil ik al de studiegenoten van “Ten Boome” er op wijzen, voor zo ver dit nog nodig is, dat praktisch al de gemeenten van de Rupelstreek als parochies voortkomen van de aloude en
uitgestrekte moederkerk van kontich. Dit groot gebied omvatte namelijk: Mortsel, Hove, Lint, Waarloos, Reet, Terhagen, Boom, Niel, Schelle, Aartselaar en Hemiksem.

De afscheiding van het “moederhuis” Kontich geschiedde niet altijd op dezelfde manier, want Aartselaar en Reet werden al in 1309 rechtstreeks van Kontich-kerk afgescheiden met toestemming van de bevoegde instanties, terwijl voor Boom de zaken enigzins anders liggen. Volgens kanunnik Em. Steenackers was Boom, samen met Rumst, Heindonk, Willebroek en Ruisbroek, eerst begrepen onder de grote bezittingen der “Heren van Grimbergen”, maar in 1290 werd het Land van Rumst (bevattend Rumpst, Boom, Heindonk, Willebroek en Ruisbroek) afgescheiden van het Land van Grimbergen. Boom is veel later, namelijk in 1663, een aparte
heerlijkheid geworden vanuit het Land van Rumst. Het gaat hier over bestuurlijke aangelegenheden.

Karel Roelandts zegt het op een andere manier in zijn inleiding over” Hoe Boom groeide” van Prof. B. Lamot. Hij komt er duidelijk voor uit dat na elkaar de volgende dorpen zich in het oude Land van Kontich hebben ontwikkeld: Waarloos, Hemiksem en Niel ( in 1149 nog
afhankelijk van de kerk van Kontich); Aartselaar en Reet, afgescheiden van Kontich-kerk in 1309; waarschijnlijk ook Schelle, Edegem en Hove (omstreeks 1200 al een parochie), en Boom dat al vroeg bij het gebied van Rumst werd ingelijfd en pas in de 13de eeuw als zelfstandige parochie van Kontich werd afgezonderd.

Er is spraak van een eerste pastoor Joannes voor het gehucht Boom in de jaren 1310-1312, volgens een handschrift dat op de dekenij bewaard wordt. Op gebied van ouderdom staat Boom dus ongeveer gelijk met Aartselaar, maar we mogen hierbij niet vergeten dat al de
pastoors van de afgescheiden gebieden schatplichtig bleven aan de pastoor van Kontich. Zelfs niet alleen aan hem, want het geval van Aartselaar toont duidelijk de verschillende afhankelijkheden aan.

Laten we ons beperken tot de aloude moederkerk van Kontich. Was Kontich dan zo speciaal in die oude tijden? Ja, want het werd al in de 7de eeuw tot graafschap verheven. Het was de heilige Renildis (dochter van graaf Witger en van diens echtgenote de heilige Amelberga), die al haar goederen aan de abdij van Lobbes (in Henegouwen) schonk, waar haar vader als monnik was ingetreden. Vandaar dus de macht en zeggenschap van Lobbes in onze streek.
Kontich bezat echter nog een veel oudere adelbrief, want het was het “Land van de samenvloeiïng”, waar de Kelten, Franken, Romeinen en zelfs Noormannen ooit verbleven hebben. De Latijnse naam “Condacum” (volgens prof. Van Passen) verwijst naar die fameuze samenvloeiïng, maar we weten niet goed of hiermee de grote samenloop van Rupel en Schelde wordt bedoeld, dan wel de samenvloeiïng van Nete en Dijle (met haar bijrivieren), zoals we die in Rumst nog kunnen vaststellen ter hoogte van het huidige café-restaurant “De Drie Rivieren” want daar begint in feite de Rupel, als derde rivier.

Naast de Latijnse naam “Condacum” bezat Kontich nog een oude West-Frankische naam, namelijk “Conteke” , die in oude teksten voorkomt en ook op schepenzegels is te vinden. In die oude plaatsnaam bemerken wij het woord “eke” of “eik” (of “ek”) en dit verwijst naar een bebossing met eikebomen. Denk hierbij aan het “Ekerenveld” in Terhagen, en zelfs aan de familienaam Vereycken met de oude eyck in ‘t midden. Een andere schrijfwijze voor Kontich
was Contich en Contyck. De eerst lettergreep van Condacum is dus duidelijk bewaard gebleven in Conteke en Contyck, en zelfs in het huidige Kontich.

Tenslotte wil ik hier nog verwijzen naar een treffende overeenkomst met een zeer bekende samenvloeiïng in Duitsland, namelijk die van de Moesel en de Rijn of het Deutsches Eck. De Romeinen hebben daar hun werkwoord “co-fluere” (of confluere) achtergelaten en dat is vele jaren later de stad Koblenz geworden, waarin je nog altijd het Latijnse co- of confluere terugvindt. wij kunnen dus het condacum van Kontich gerust naast het confluere van Kloblenz leggen, al is onze samenvloeiïng minder bekend. Maar de Romeinen wisten wel
waar het om ging en van welk strategisch belang de Nete en de Dijle waren.

Ga toch eens kijken op de dijk van Rumst, waar je de Rupel ziet ontstaan, die zich in Schelle als een brede opdringerige rivier in de Schelde stort. Dit alles mocht hier wellicht eens gezegd worden door een Booms Antwerpenaar, die nog gaarne op verkenning komt in het Land van de Drie Rivieren, in Conteke en in de Pierstraat.