Categorieën
Algemene geschiedenis Boom Auteurs Beroemde Bomenaars

VICTOR DE MEYERE

Victor De Meyere als volkskundige

Het ziet ernaar uit dat V. De Meyere vanaf 1900 de weg naar de volkskunde definitief heeft gevonden. Op dat moment waren in Antwerpen enkele Franstaligen al jaren zeer actief bezig met het verzamelen van interessante objecten uit de materiële volkscultuur. Twee onder hen waren de Franstalige dichter-advocaat Max Elskamp en de advocaat Edmond De Bruyn, die samen met Emile Van Heurck, Laurent Fierens, Paul Buschmann sr., Pol De Mont en anderen behoorden tot de vriendenkring “Conservatoire de la Tradition Populaire” ook wel “Vereniging tot bewaring der Vlaamsche volksoverleveringen” genoemd.

Deze vereniging had in 1903 haar medewerking verleend aan een succesvolle volkskundige tentoonstelling georganiseerd in het Brusselse justitiepaleis. Het was hun doel deze verzameling van volkskundige voorwerpen permanent tentoon te stellen in Antwerpen. De stadsambtenaar De Meyere slaagt erin de stad, in het bijzonder Burgemeester Jan Van Rijswijck en Schepen voor Schone Kunsten Frans Van Kuyck, over de streep te trekken, zodat op 18 augustus 1907 tijdens de Gemeentefeesten, het “Museum voor Folklore” in de Heilige Geeststraat voor het publiek toegankelijk wordt gesteld.

Meteen is dit het oudste volkskundig museum in Vlaanderen. Edmond De Bruyn (verzamelaar van het eerste uur en collega van Max Elskamp) werd de eerste conservator en Victor De Meyere adjunctsecretaris (Georges Serigiers was eerste secretaris). Pas op 7 augustus 1933 wordt V. De Meyere benoemd tot conservator van het Antwerps volkskundemuseum.

Terwijl De Meyere nog zeer actief is als literator – zijn eerste novellenbundel Uit mijn Land verschijnt in 1904 en zijn laatste tevens bekendste roman De Beemdvliegen in 1930 – verdiept hij zich in de studie van de volkscultuur.

Een eerste belangrijk resultaat daarvan is zijn boek ‘De Volkswoning en hare versiering’. Folkloristische studie, die verschijnt in 1912 als veertiende jaarboek van De Scalden in Antwerpen. In de inleiding breekt De Meyere een lans voor de “folklore” als “de wetenschap die ons inlicht overhet weten van een volk” (blz. 9). Hij gaat heftig tekeer tegen de dilettanten -hij bedoelt hier de verzamelaars – die eigenlijk niet weten en beseffen waarmee ze bezig zijn en zowel groen als dor materiaal bijeenbrengen.

Welnu hun activiteiten schaden de “folklore”, die niets te maken heeft met “factoren van hoogere beschaving” maar met “het nederig-levende, primitief-denkende volk, het volk dat nog van weinige individualiteiten doordrongen is, het volk waarin het Volksdom zich het best weerspiegelt” (blz. 9), duidelijk geïnspireerd door de sociologie, met name zijn professor Guillaume De Greef, deelt De Meyere de “folklore” in in zeven grote onderverdelingen: liefde en familieleven, bestaan, schoonheidszin, geloof, wetenschappen, rechtsleven en bestuur, maatschappelijk leven (blz. 11-14). Deze opdeling is voor die tijd weliswaar nieuw, maar beslist ook vatbaar
voor ernstige discussie. In het kader van een artikel over “De Vlaamsche Folklore” in het Jaarboek van de Vlaamsche Toeristenbond 1927 heeft V. De Meyere deze indeling herhaald (blz. 205-207).