Categorieën
Algemene geschiedenis Boom Auteurs Beroemde Bomenaars

VICTOR DE MEYERE

De eigenlijke studie – het boek is in feite eerder een accurate beschrijving van wat de auteur in en rond een volkse woning observeert – bevat drie naar kwantiteit ongelijke delen: de huiskamer (blz. 15-61), de slaapkamer (blz. 63-67) en de tuin (blz. 69-75). Deze indeling biedt De Meyere de kans te schrijven over onder meer meubilair, keramiek, diverse soorten prentkunst, gereedschap, planten en bloemen en hun volksgeneeskundige en andere kwaliteiten.

Deze hoe dan ook interessante publicatie is een soort descriptieve en af en toe interpreterende inventaris van allerlei voorwerpen die zich toen in het Antwerpse “Museum voor Folklore” bevinden en die men, zo suggereert de auteur, in (elke) volkswoning in Vlaanderen weer kan vinden. We betwijfelen of dit wel zo is, want “volkswoningen” waren toen zeker ook heel verschillend ingericht, tenminste als men rekening houdt met de geografische setting en de sociale status van de bewoners, hun beroepsleven, de samenstelling van het gezin en andere relevante factoren. Van deze mogelijke differentiëring is helaas geen spoor te bespeuren…

Al is kritiek op de aanpak van het boek en of de definiëring van de “folklore” door de auteur gegrond, toch moet erkend worden dat Victor De Meyere met deze publicatie totaal nieuwe paden in de Vlaamse volkscultuur bewandelt. Dit werk, hoe onvolkomen ook, is een eerste aanzet en beslist innoverend, want het verruimt het volkskundig perspectief gevoelig. Het is immers de eerste keer dat in Vlaanderen volle aandacht wordt besteed aan diverse facetten van de materiële cultuur uit het dagelijks leven. Tevens levert V. De Meyere met dit boek het bewijs dat hij de collectie van het Antwerpse “Museum voor Folklore” door en door kent en dat hij de geïnteresseerden op het belang van dit verzamelde materiaal wil wijzen. Vermoedelijk wil hij de verzamelaars ook betrouwbaar leesvoer aanreiken, opdat ze voortaan met wat meer kennis van zaken hun hobby zouden kunnen bedrijven.

In 1920 treedt V. De Meyere toe tot de redactie van het tijdschrift Volkskunde, waaraan hij reeds sedert 1912 geregeld meewerkt: een huldebijdrage over Alfons De Cock naar aanleiding van het verschijnen van diens Natuurverklarende sprookjes ( zie Volkskunde 23(1912) 47-55); in samenwerking met Leo Verkein publiceert V. De Meyere over “Volkshumor en volksgeest” en “Vlaamsche moppen’ (Volkskunde23 (1912) 127-141; 24 (1913) 61-66, 119-123, 25 (1914) 172176, 187-192); een artikel over “Het Foklore-Museum te Antwerpen’ (Volkskunde25 (1914) (6681) en een boekrecensie (Volkskunde 24 (1913) 40).

Met redacteur Alfons De Cock lijkt V. De Meyere goed op te kunnen schieten, want in de jaargang 1912 van Volkskunde complimenteren ze elkaar (cfr. supra en blz. 165-166: lovende bespreking van De Meyeres Volkswoning door A. De Cock). Vanaf De afleveringen 4 -5 -6 van de jaargang 34 (1929) voert V. De Meyere de redactie en het beheer van Volkskunde. Niet te verwonderen dat dit tijdschrift voor hem een uitzonderlijk platform is om de eerste resultaten van zijn wetenschappelijk werk uitvoerig mee te delen. Vanaf jaargang 41 (1937) deelt hij, helaas voor een zeer korte tijd, de redactie met professor Jan de Vries uit Leiden.

Een totaal nieuw geluid brengt V. De Meyere met zijn verrassende vierdelige sprookjesverzameling De Vlaamsche vertelselschat, die van 1925 tot 1933 in boekvorm verschijnt bij De Sikkel in Antwerpen. Voordien waren de meeste van deze teksten gepubliceerd in Volkskunde 27 (1922) – 38 (1933) en in een zestal afzonderlijke boekdeeltjes (1926-1927). In de inleiding tot deze 489 sprookjes, die alle subgenres vertegenwoordigen (namelijk dieren-, novelle- en wondersprookjes, verklarende en legendarische sprookjes, grappige vertelsels, verhalen over de gefopte duivel, overgangsvormen sage-sprookje), bericht de auteur over de genese van deze merkwaardige verzameling: hij heeft vroeger verhalen gekregen van seminaristenvrienden van Pol De Mont en Albrecht Rodenbach; vertellers hebben hem sommige verhalen bezorgd, en zelf is V. De Meyere actief gaan optekenen.