Categorieën
Algemene geschiedenis Boom Auteurs Beroemde Bomenaars

VICTOR DE MEYERE

De belangstelling voor het volksverhaal is er gekomen door kennis te maken met de verzamelingen van het duo Pol De Mont-Alfons De Cock. Aandacht voor de verteller en zijn vertelstijl heet De Meyere ontdekt bij het lezen van werken van de gewaardeerde Franse volkskundige Paul Sébillot, een monument in de geschiedenis van de “ethnologie Francaise”, vooral van de Bretoense volkscultuur.

De Vlaamse vertelselschat van Victor De Meyere heeft nationaal en internationaal een voorbeeldfunctie en dit om volgende redenen. Vooreerst toont V. De Meyere veel belangstelling voor de verteller en de manier waarop hij/zij met het verhaalgoed omgaat. Vandaar vermeldt hij geregeld de sekse, het beroep en de leeftijd van zijn informanten, wat in die tijd vrij uitzonderlijk is. In elke bundel zijn vele bladzijden wetenschappelijke aantekeningen voorzien.

Zij bevatten verwijzingen naar Vlaamse en internationale varianten, die De Meyere kent dank zij de publicaties van Antti Aarne, Bolte-Polivka en vooral van Maurits De Meyer, die in 1921 voor het eerst het Vlaamse sprookjesmateriaal volgens de internationale criteria heeft gerepertorieerd: het betreft Lescontes populairen de la Flandre. Aperçu général de l’étude du conte populaire en Flandre et catalogue de toutes les variantes flamandes de contes populaires d’après le catalogue des contes types par A. Aarne (FFC N:o 3), Helsinki 1921 (FF Communications N:o 37).

Iedereen is het dan ook eens om te stellen dat ‘De Vlaamsche Vertelselschat’ de beste sprookjesverzameling is die in ons land tot stand is gekomen en dit zowel omwille van de uitzonderlijke inhoud als omwille van de wetenschappelijke kwaliteiten.

Als zijn sprookjesproject afgewerkt is, keert V. De Meyere terug naar zijn eerste liefde, namelijk de materiële volkscultuur. In 1934 publiceert hij zijn opus magnum Vlaamsche volkskunst. Meubelen, plateelwerk en porselein, ijzer-, koper- en tinwerk, glaswerk, vlechtwerk, schilderkunst, snij-,boetseer- en beeldhouwwerk, volksprenten, godsdienstige huisversieringen, knipwerk, huiselijke werken, juweelen, snuisterijen (Antwerpen, De Sikkel, 332 blz., ill.).

De ondertitel maakt duidelijk dat de auteur zijn onderzoeksdomein zeer ruim opvat en dat hij als het ware een deel van het Antwerpse volkskundemuseum de revue laat passeren in dertien hoofdstukken. Dit boek is rijkelijk geïllustreerd en bevat honderden buitentekstillustraties, waarvan vijf met de hand gekleurde volksprenten (originele houtsneden). Het is dus zonder meer een bibliofiele uitgave, die vandaag de dag wegens de hoge drukkosten onbetaalbaar is geworden. Merken we op dat de inhoud van dit werk ook vroeger reeds verschenen was in Volkskunde 26 (1920-21) – 3 5 (1930) en dat er eveneens in 1934 een Franstalige editie onder de titel L ‘art populaire flamand op de markt is gebracht (Antwerpen, Brussel).

Merkwaardig eens te meer is de inleiding (blz. 9-25), waarin wij V. De Meyere als wetenschapper beter leren kennen en vooral zijn ideeën over de volkskunst, die volgens hem veel te lang als een assepoester werd beschouwd. Figuren als de Provençaal Frédéric Mistral en de Frans-schrijvende dichter Max Elskamp hebben de waarde van de volkskunst al vroeg onderkend en liggen aan de basis van belangrijke museale projecten in Arles en Antwerpen. Ondertussen is de internationale belangstelling voor de volkskunst toegenomen. De Meyere verwijst hierbij naar de gunstige invloed van de Volkerenbond, die o.m. een paar internationale congressen over volkskunst mogelijk heeft gemaakt (Praag 1928; Antwerpen-Luik-Brussel 1930).