Categorieën
Boerenkrijg oorlog

DE BOERENKRIJG TE BOOM

Ongelukkiglijk, wij hebben het gezien, had juist op dit oogenblik de bevelhebber van Waelhem, alhoewel van alle kanten en zoo  hardnekkig door de Jongenskorpsen aangerand, den tijd en de kans gevonden en waargenomen, om tot Willebroeck voort te rukken met zijne troepen, deze standplaats tijdelijk aan de Vaderlanders ontrukt en er de Republikeinsche gevangenen verlost. Quarteer liep er bijgevolg den wolf in den muil, viel er in eene hinderlaag, werd op de eene of andere wijze door de Republikeinen vermoord. Korts te voren nog, den 26 October, wij hebben het hooger bewezen,  stonden er de Republikeinen voor de vierschaar der Vaderlandsche kapiteins, die enkel Franschgezinden vonnisten ; het was den Republikeinschen bedriegers niet moeilijk — en vele redenen, licht om vatten, zetteden er hen toe aan — de zoo verdachte en luttel vereerende dood van Quarteer valschelijk toe te schrijven aan het gerecht der Vaderlanders, dat nog maar pas geleden door Pradier was omver gesmeten te Willebroeck. Ware er niets van dien aard gebeurd, dan zouden gewis al de aangehaalde omstandigheden van Quarteer’s geheimzinnig einde volkomen onuitlegbaar worden.

De kloeke Rollier ten anderen, had volle vertrouwen in de  dapperheid en begaafdheden van Quarteer, den ouden aanvoerder der dragonders van Tongerloo tijdens de Brabantsche  Omwenteling, en terwijl deze laatste het opperbevel voerde in ‘t gewest van Boom en van Klein-Brabant, poogde de eerste van  Dendermonde en omstreken de hand te leenen aan de Oostvlaandersche muiters van het Noorden, die hem met Engelsch geld ook Engelsche wapenen wisten te bezorgen. Gedwongen door de overmacht der Republikeinen, keerde Rollier terug naar Klein-Brabant. Slechts na de dood van zijnen gezel Quarteer, voerde hij er het opperbevel over de Vaderlandsche scharen.

Wie overigens zou lichtelijk kunnen aannemen, dat Melchior  Quarteer, een man van echten bloede en aangespannen met de inrichters van het oproer; een man, die tijdens de Brabantsche Omwenteling ook en door hetzelfde christelijk gevoelen gedreven, eerst als kapitein  der jagers en daarna der dragonders van de abdij van Tongerloo, de wapens had aangevat, om eenen anderen vervolger te bestrijden ; een man, die zijne broeders, waaronder een priester1Dat Quarteer’s broeders allen, ten getalle van vier buiten den priester, van het Jongensleger deel maakten, staat uitdrukkelijk vermeld in het Provinciaal Archief van Antwerpen, brief van den departementeelen Commissaris van Antwerpen aan den Minister van Policie den 19 Augusti 1799 geschreven. Zie Insurrection de l’an VII, no 460., aan het Boerenleger  had geschonken, die niet geaarzeld had een eervol ambt van Vrederechter met goed en bloed in de weegschaal te werpen voor den verdrukten Godsdienst en voor het verdrukte vaderland, wie, ik vraag het nog, zou, enkel op de verklaring van eenige toenmalige Republikeinen en op een gerucht, wiens echo het kanton van Boom nauwelijks is te buiten gegaan, wie zou daarop kunnen aannemen, dat zulke man de Vaderlandsche zaak, onmiddellijk om zoo te zeggen, zou hebben willen of kunnen verraden? 

Den 27ste Mei 1801  schreef P. J. Claes, meier van Reeth, aan den  prefekt Herbouville, om af te dingen op de schadevergoedingen, voor de bestierders van 1798 van zijne gemeentenaren afgeëischt. Hij leert ze kennen in zijnen brief, die vermaarde ambtenaren der Republiek, in het kanton Boom en elders. ‘Ik zal niet  uit weiden, zoo zegt hij, over den aard der Omwenteling, die toen is uitgeborsten’.

Ik kan u verzekeren nochtans, dat de ambtenaren zelven er meest de schuld van waren. Zij die nu zulke overdreven eischen opdringen, zij zijn het zelven, die door hunne brutale handelwijs, door hunne aanhoudende verdrukking en dwingelandij, het vuur van bet oproer in aller  harten hebben ontstoken. 2Zie zelfde plaats, no 654.

Alles is mogelijk bij menschen. Doch stel van den eenen kant eenige gewetenlooze schuimers en Godvergeten dwingelanden ; van den anderen kant Quarteer, met zijn verleden van edelmoedige  opofferingen en godsdienstzin. Dan reeds zult gij, en met reden bekennen, dat de laatste moet zegepralen over de eersten. Neemt gij daarbij onze aangehaalde bewijzen in aanmerking, dan wordt het om zoo te zeggen historisch .zeker, dat zijn naam en zijne faam zuiver en ongeschonden blijyen, dat zij ais die van eenen roemrijken geloofskamper aan het nageslacht moeten worden overgeleverd.

De stamvader der familie Quarteer te Schelle was Jacob of Diego Quarteer, die zich in 1675 op het Tolhuis vestigde, en hetzelfde jaar Schepen genoemd werd. Na zijn overlijden in 1695, werd zijn zoon  Jan Baptist Drossaard in 1701; hij bleef het tot 1706. Een andere zoon, Pieter, vas in 1717 notaris en ontvanger op het Tolhuis. Het jaar daarop huwde hij Catharina Parys.

Het ontvangerschap werd erfelijk in de famille Quarteer. Na het  overlijden van Antoon Frans, werd het gegund aan Jan Pieter  Merten Quarteer in 1780. Bij dezes overlijden, den 24 April 1789, (zijn overlijdensakt zegt van hem: praetor de Laer, aetatis 73 annorum, maritus Annae Ceulemans, sepultus 26 in forma solemni), noemde de generaal Van der Meersch den 14 December 1789 zijnen zoon Guilielmus Michaël tot ontvanger. De Franschen  schaften het ontvangerschap af in 1792. De aangehaalde Jan Pieter Merten Quarteer had 7 zonen:
1) Melchior, de vrederechter van ‘t kanton Boom, die te Niel verbleef; hij was geboren den 2 Februari 1764.
2) Frans Alexander, de priester, geboren den 8 November 1765. Deze was een gewezen kloosterling, door de Franschen uitgejaagd. Hij stierf den 4 Maart 1834, pastoor zijnde te  Bautersem-Overvelp.
3) Guilhelmus Michaël, geboren den 24 September 1767. Na van 1789 tot 1792 ontvanger van het Tolhuis te zijn geweest, werd hij later, in 1815, burgemeester van Schelle ; hij bleef het tot 1818. Later werd hij sekretaris der gemeente. Van dit ambt afgesteld zonder pensioen in 1832, tegen het verlangen van den Gouverneur der Provincie en tot ergernis der bewoners van het gewest, ging hij zijn laatste verblijf nemen bij zijne zuster, die, gehuwd met eenen pachter der gemeente Reeth, aldaar verbleef  op het gehucht den Klementschen hoek.
4) Petrus Jozef, geboren 29 Augusti 1769, na 5 dagen overleden.
5) Filip Jan, geboren 9 Maart 1773.
6) Jozef, id.
7) Jan Baptist, geboren 22 Augusti 1778. 

Buiten de 7 aangehaalde zonen, had Jan Pieter Merten Quarteer ook 3 dochters.  Guilhelmus Michaël alleen tusschen de 6  overgebleven zonen, vind ik nergens werkzaam in de rangen der Vaderlanders. Toch heeft hij zich niet onthouden. Gelijk in 1789, zoo ook in 1798, huisden er op bel Tolhuis, zoowel als op het aanpalend kasteel van dien naam, bewoond door Caimo-Van der Cruyce, niet dan vurige ijveraars der vaderlandsche zaak. De vader van den  laatstgenoemde, Frans Karel Caimo, deed in 1790 de wethouders van Schelle kanons aankoopen voor de patriotten; de vergaderingen der kopstukken van de Brabantsche Omwenteling werden op het  kasteel gehouden, en in 1798 werd waarschijnlijk daar ook het  vaderlandsch komplot beraamd en gesmeed.

Tolhuis Schelle, tegenwoordig restaurant-café. (Foto: seniorennet.be)

Op het einde van 1798 en ook het volgende jaar, werden de gebroeders Quarteer om hunne vaderlandslievende gevoelens  ongenadig achterzocht en vervolgd door de Republikeinen. Een hunner, Filip, den 19 April 1799 in het Tolhuis ontdekt, werd oogenblikkelijk aangehouden. Ontsnapt aan de gendarmen, werd hij in Juni daaropvolgende opnieuw gevat te Wintham. De jury van Mechelen sprak hem vrij ; doch de Midden-Commissaris van Antwerpen bekloeg zich over dit gunstig vonnis bij den Minister van Policie. Hij voegt er bij in zijn beklag, dat er vier broeders van den vrijgesproken brigand als oversten hadden meegevochten tegen de Republiek en dat een hunner voor den kop werd geschoten.

Waarom dien moord er bijgevoegd, ais de brigands zelven hem pleegden, en als hij bij den Minister ten voordeele der Quarteer’s pleiten moest? Ten anderen, wanneer de leden eener familie met zulken aanhoudenden drift worden achtervolgd, dan valt er volstrekt niet te denken dat het vuur der vaderlandsliefde bij hen ooit verflauwd was of uitgedoofd. Dit vuur nochtans zou  noodzakelijk verflauwd zijn geweest en wellicht bij de overgebleven broeders plaats hebben gemnaakt voor volkomen onverschilligheid, zoo de Vaderlanders zelven hunnen broeder Melchior, het hoofd om zoo te zeggen der familie, zoo streng veroordeeld en zoo  onmeedoogend getroffen hadden.

Al deze vervolgingen tegen de Quarteer’s staan te lezen in het
Provinciaal Archief van Antwerpen, Insurrection de l’an VII, no 460. Waarom, wij vragen het nogmaals, zouden de Republikeinen na Melchior’s dood aldus hebben gehandeld, indien de  aanvoerder der oproerige scharen zijne loopbaan gekroond had door een verraad ? indien hij tot in den dood toe, niet de zaak van het Belgisch Vaderland, maar om zoo te zeggen de zaak der Republiek verdedigd had, en die verdediging uitboetend, gevallen was ?… Nog eens dan en om te sluiten, al wat de sansculotten  over Quarteer’s geheimzinnig drama gezegd hebben, is heel eenvoudig leugen en bedrog!

Na aldus volgens vermogen den Bevelhebber Quarteer  in zijne eer te hebben hersteld, gaan wij voort met het verhaal der nog ontdekte bijzonderheden van den Boomschen Boerenkrijg. In den meermaals vermelden bundel van het Provinciaal Archief van Antwerpen, Insurrection de l’an VII, no 654, vonden wij de lijsten van eenige burgers van Boom, Niel, Schelle , Reeth en Rumpst.

Deze welgevulde lijsten zijn opgemaakt cloor de drie bijzondere Commissarissen, Julhe, Cuylits en Hennequin, die te Boom en in de omstreken de vijanden van het Republikeinsch Bestuur en de medeplichtigen aan het oproer zorgvuldig hadden opgezocht. Fel gepeperde rekeningen, van honderden franken somtijds,  kregen de aangeduide Vaderlanders te huis, en al de schade tijdens de  botsingen van 21 en 25 October, te Boom en in de naburige gemeenten door de ambtenaars en de aanhangers der Republiek geleden, moesten zij dubbel en dik betalen. Zeer vele Boomsche burgers en ook anderen uit de naburige gemeenten, hadden zoowel als de ambtenaars der Republiek deerlijk te lijden gehad. In groot getal waren zij uitgeplunderd bij den inval der Franschen; van geld en haaf beroofd, hadden zij hunne woningen volkomen zien verwoesten. Rond de tachtig Boomsche slachtoffers der Fransche furie waagden het derhalve ook, hunne rekeningen van geleden schade bij de Commissarissen in te  brengen. Te vergeefs, helaas smeekten zij om hunne beurt van schadeloosstelling. :
Er valt op te merken, zoo spraken de Commissarissen den 9  December bij  het Departementeel Bestuur, dat meest al die staten van schade herkomstig zijn van personen, die een  aanzienlijk deel hebben genomen aan de euveldaden der brigands. Pas lieu à délibérer, er kan zelfs niet  aan gedacht worden hunne vraag in te willigen.