Categorieën
Boerenkrijg oorlog

DE BOERENKRIJG TE BOOM

Het tweede bericht, door den bevelhebber Castagnies afgezonden en gelijktijdig met het voorgaande afgekondigd, bevat het volgende:

 Tweede bulletijn. — Aan de monding der Nethe  (Rupel), in de  tegenwoordigheid der brigands, den 7 Brumaire, jaar VII, 28 October 1798, te 7 uren  ‘s avonds :
Wij hebben geheel den verleden nacht en ook den geheelen dag van heden elkander met kanonnen geweerschoten begroet ; doch de ballen, die bij ons  aan boord komen, eerbiedigen de kinderen der vrijheid. Niemand van ons is tot hiertoe getroffen, de  Chouans zullen zoo niet kunnen spreken.  Wij zijn dezen namiddag te 2 uren aan wal gegaan, om Rupelmonde (linkeroever der Schelde) te  bezoeken. De brigands, die van den overkant schieten,  hebben een arm kind uit het dorp gedood, dat  de nieuwsgierigheid bij ons had gelokt. Volgens een bijzonder verslag, dat ik ontvangen heb, is Cartier  (Quarteer), generaal der brigands, gesneuveld.  De brigands kunnen van 7 tot 800 man sterk zijn;  zij hebben gebrek aan krijgsvoorraad.

Een ander verslag heeft mij verzekerd, dat er geene vijanden  aanwezig zijn tusschen St. Niklaas en Klein-Brabant en dat de Republikeinsche troepen niet verder dan ééne mijl van ons verwijderd zijn.  Volgens de getuigenis dan van Castagnies zelven, was de bezetting van het fort St. Margriet, door het bijkomen der wijkende Vaderlanders van Boom, tot rond de 800 man geklommen. De kloeke bezetters — en het is eene ware zeldzaamheid, die om zoo te zeggen in gansch den Boerenkrijg niet voorkomt — wisten hier ten minste, afdoende gebruik te maken van de kanonnen, die zij in de versterking hadden aangetroffen.

In eenige officiale oorkonden hebben wij reeds bestatigd en later zullen wij verder bewijzen, dat de Engelschen in het noordelijk gedeelte van Oostvlaanderen geweren en ook eenige kanonnen aan de Jongens hadden weten te bezorgen. Wat de kanons aangaat, wij denken dat zij allen of bijna allen werden afgenomen  door de  republikeinsche troepen, in allerijl uit Vlissingen afgezonden.

27 stukken ten minste, vielen aldus in de handen der Franschen. Volgens eene ontdekking, die wij komen te doen in het Provinciaal Archief van Oostvlaanderen te Gent, N. 158- D F,  Correspondance générale du ri. Fructidor an 6 au 23 Germinal an 7, ne 6476-7516, le Commissaire départemental au Commandan général du  Département Milhaud, n. 7092, le 2 Nivôse, an 7, zouden deze 27 stukken niet allen van Engelschen oorsprong zijn geweest en gedeeltelijk behooren tot eene lading door Louissens en zoon, handelaars te Vlissingen, langs de binnenlandsche wateren naar Duinkerke gezonden, om er een Fransch kaperschip meé te wapenen. De Jongens hadden te Philippine deze lading aangeslagen, en generaal Osten had ze hun afgenomen, even als meest al de  overige kanons, die zij zich hadden kunnen aanschaffen op de Engelsche booten, die volgens de getuigenis van generaal Bonnard te allen kante op de kusten rondfladderden. Ook meest al de overige kanons, zegden wij, niet allen bij gevolg, werden hun afgenomen. En niet zonder reden. Want in eene kronijk van 1798, door Van Aelst van St. Niklaes opgesteld, vinden wij uitdrukkelijk vermeld, dat de Jongens bij hunne gevechten in die stad, nog van twee overgebleven stukken kanon voorzien waren, die hun aldaar door de troepen van Laurent werden afgenomen.

Zie voor dit feit de aangeduide kronijk, in de Annales du Cercle Archéologique du pays de Waes, op het einde der belangvolle mededeeling van den Heer Willemsen, boekdeel. 

Een deel der Engelsche geweren ook werd overmeesterd door de grenadiers van generaal Osten Doch het blijft zeker, wij bewezen het in ons 5de hoofdstuk, dat de vaderlanders aanzienlijke ladingen van Engelsche karabijnen uit het Noorden van het departement der Schelde tot Dendermonde hebben kunnen aanvoeren. Rollier heeft in deze laatste stad en in den omtrek er zijn leger zeer goed van voorzien en met voile handen ook heeft hij er geput aan wel gevulde beurzen van Engelsche guineeen. Wij veronderstellen hier, dat de Jongens de kanons, met welke zij  van het fort St. Margriet het Fransch eskader zoo dapper beschoten, in de sterkte zelve hebben aangetroffen. Nergens ontdekten wij, dat zij kanonnen, uit den vreemde ontvangen, tot in het gewest van ‘s Rupel’s monding hebben kunnen aanvoeren. Het feit nochtans is niet onmogelijk; en door meer dan 15000 Jongens besprongen in de tweede helft der maand October, heeft generaal Laurent bij voorbeeld in het huidige Oostvlaanderen zeer bedenkelijke toestanden gekend. Doch het moet worden erkend, in de beslissende oogenblikken en in de wezenlijk dringende noodwendigheden, schijnt nooit de krijgskunde der republikeinen aan hare taak te kort te zijn gebleven.

Het Fort Sint-Margriet (Foto: Geopunt.be)

De Republikeinsche krijgsoversten meenden alles zeer nauwkeurig te hebben berekend. Castagnies, wij hebben het reeds gezegd, was reeds in den avond van den 25 October met het eskader  aangekomen en had post gevat aan de monding van den Rupel. Den 
volgenden nacht weken de Vaderlanders van Boom en de Fransche grenadiers achtervolgden hen in de richting van de Schelde. De wijkende Jongens gelukkiglijk ontsprongen den strik. Door hunne spionnen onderricht,  dat Castagnies op loer lag met zijn grof geschut, zetteden zij onderweg den Rupel over. Zij hadden alle kans om zulks te doen, te Boom aan den molen van Niel, te Wintham en aan het Tolhuis.1Buiten de vier hier aangehaalde plaatsen, op welke men destijds den Rupel overzette, bestond er nog eene vijfde overzettingsplaats te Rumpst. Te Niel, Boom en Rumpst bestonden er ponten of overzettingsbooten. Tot aan het tolhuis kon eene kanonsloep den Rupel opvaren en zelfs tot Niel, als er geene zandbanken waren. Al deze inlichtingen werden door Jan De Becker zoon, oud-commissaris van het kanton Boom, alsdan te Antwerpen verblijvende, in eenen brief van 12 Brumaire, 2 November 1798, aan commissaris Levéque aldaar meegedeeld. De Becker voegde er bij, dat de brigands uit Klein-Brabant nog altijd den Rupel overstaken recht over den molen van Niel en te Wintham. Het was een verrader, de doktor van Schelle, F. G. De Becker, later meier dier gemeente, die door eenen spion deze onderrichtingen nopens het gewest aan den zoon Jan te Antwerpen had overgezonden. Volgens de getuigenis mij afgelegd door eenen eerbiedwaardigen ouderling van Niel, den oud-burgemeester Delaet, was deze republikeinsgezinde arts F. G. De Becker van Schelle in zijnen tijd gekend als groote liefhebber van sterke dranken. Zie voor de hier aangehaalde feiten Archives Provinciales d’Anvers, Insurrection de l’an VII, n. 231.

Hun wijken was bijgevolg volstrekt geene ordelooze vlucht. Zij vonden heel wel den tijd, om den Rupel over te trekken en van verre eenen beleefden afscheidsgroet aan den zoo vreeselijk gewapenden Overste der Zeemacht toe te sturen. Ook is het niet te  verwonderen, dat Bourdon in zijnen brief aan Lombard de Langres, deze eerste teleurstelling der Republikeinen met zooveel nadruk betreurt. De Fransche grenadiers, die de wijkende Vaderlanders achtervolgd hadden, verlieten dan de boorden der Schelde en keerden terug naar Boom, of gingen het terrein onderzoeken in de richting van Contich. Castagnies, gelijk wij gezegd hebben, vatte post met zijn eskader rechtover St. Margriet.

Hij zou de vesting, door de Jongens bezet, innemen kost wat kost; hij zou haar vergruizen en zijne stoutmoedige vijanden verpletteren!

Tweede teleurstelling der Republikeinen. De Vaderlanders
waren en bleven op het fort. Zij bleven er tot den 5den of 6den
November, tot bij de eindelijke neerlaag van Rollier. Bij die neerlaag en geen oogenblik vroeger, werd het vaandel, dat Ste. Margriet bekroonde, met geweld neergerukt, door de vereenigde pogingen der zeeschutters van het eskader en der Republikeinsche kolommen, uit Antwerpen, Brabant en Vlaanderen afgezonden. Prieur, de commissaris-bestierder der oorlogsmachten, levert ons in het 6de gevolg van zijn verslag, den 19 Brumaire, 9 November, aan den Minister van Oorlog verbonden, het ontegensprekelijk bewijs van hetgeen wij hier bevestigen. 2Zie Archives du Ministère de la Guerre, Paris, Armee d’Angleterre, chemise du 9, I0, 11 Novembre 1798.

Er bestaat een spreekwoord dat zegt : gij wordt boos, dus gij hebt ongelijk. Met dezelfde reden mogen wij hier van Castagnies en zijne gezellen besluiten : 
Zij zijn razend, dus hunne zaken loopen niet van stapel en de Jongens spelen hun zeer slechte toeren.

Uit het verslag van den Franschen krijgsoverste blijkt, dat van in den avond van 26 October en niettegenstaande een vreeselijk  kanonvuur, wiens ladingen zij op alle manieren trachtten te ontkomen, de Jongens aanhoudend, nacht en dag, de zeekrijgers gingen aanranden door huis geweervuur. Tot op den oever toe,  tot in de onmiddellijke nabijheid der twee schrikwekkende watermonsters, la Tempête en la Corvette,  waagden de Jongens dat vreeselijk spél.