Categorieën
Boerenkrijg oorlog

DE BOERENKRIJG TE BOOM

Marc Verlinden

    

 

EERSTE INVAL DER FRANSCHEN IN BOOM

Zooals blijkt uit de bescheeden, in het Provinciaal Archief van Antwerpen berustend,1Zie Archives Provinciales d’Anvers, Registre des Séances de 1’Administration Départementale, fin du mois de Vendémiaire an VII.  den 18 October 1798 reeds waren de gemeenten langs de Schelde gelegen, Berchem, Hoboken, Hemixem, Puers en St. Amands in volle gisting. Te allen kante Kwamen er in al die gewesten korpsen van vreemde muiters den opstand aanvuren, die in het naburige Vlaanderen volop woedde.

Op den aangeduiden dag schreef Gengoult-Kuyl, Commissaris van het Directorium te Boom : “Dag en nacht waken wij met eene brigade gendarmen en eenige burgers, om de brigands van Niel te beletten binnen Boom te komen. Tusschen Schelle en Rupelmonde kwamen de Vlaandersche muiters aanhoudend de Schelde overgesteken ; zij zetteden gansch het gewest van Boom in vlam en vuur.”2Zie Archives Provinciales d’Anvers, Insurrection de l’an VII, carton l-er, n. 40.

Het Departementeel Bestuur, onderricht over dien hachelijken toestand, smeekte te allen kante om hulp. Bij den Minister van Policie onder andere, gelijk wij gezien hebben, vroeg en hervroeg men troepen. Den 19 October smeekte men de Overheden der Zeemacht te Vlissingen, het oversteken der Vlaandersche muiters op de Schelde te komen beletten. Eenige dagen daarna, in den nacht van 22-23 October, kwam voorloopig eene kanonsloep van Antwerpen tot dit einde post vatten tusschen Schelle en Rupelmonde. Zij vuurde zooveel immer mogelijk op de aanrukkende scharen ; doch het was den schutters volkomen onmogelijk de van alle kanten toegestroomde overweldigers tegen te houden. Kost wat kost wilden deze laatsten het Departement der Dijle zoowel als de Beide-Nethen teenemaal in vlam en vuur zetten.

Te Boom, Niel en Schelle woekerde het oproer aanhoudend voort. In den nacht van 20 tot 21 October trok eene nog al aanzienlijke afdeeling van gewapende Jongens den Rupel over tusschen Schelle en Niel. In deze laatste gemeente sloegen zij bijeen, en van daar rukten zij in den voormiddag van 21 October op Boom aan. De plaatselijke Commissaris Gengoult, van het immer meer nakend gevaar bewust, had te middernacht den gendarm Bréart naar Antwerpen gezonden om hulp; denzelfden nacht te drie uren, zond hij ook den burger Jan Asselberg, om in zijnen naam eenen laatsten alarmkreet bij het Departementeel Bestuur te doen hooren.

“Spoedig hulp , zoo luidde deze laatste brief,  de brigands rukken aan! lk verneem dat de muiters der Schelde (van Vlaanderen) aan het hoofd staan. Wij hebben krijgsvoorraad noodig, om aan de goede burgers, die onder de wapens zijn, uit te deelen.  Niget van Rupelmonde is de aanvoerder.”3Zie Archives Provinciales d’Anvers, Insurrection de l’an VII, n. 40, voor deze en volgende bijzonderheden.

Te 11 uren voormiddag kwamen 8 dragonders onder het bevel van eenen officier van Antwerpen aangerend. Nauwelijks hadden zij te Boom, aan de herberg “de Ster”, hunne paarden onttoomd, of een korps van 120  Jongens, onder het geleide van kapitein Jozef Quarteer en van zijnen broeder Jan, kwam op hen afgestormd en vuurde met geweld op krijgers, gendarmen en Republikeinsche ambtenaren. Den strijd volhouden was dezen volkomen onmogelijk en in allerijl snelden meest allen den weg in naar Antwerpen. Onze Jongens zetteden de vluchtelingen achterna ; de brigadier der gendarmen, Dominicus Dinucy, zag zijn paard getroffen door eenen kogel en werd zelf neergesabeld.4Volgens de getuigenis van den Commissaris van Boom, Gengoult-Kuyl, ook volgens die van Nadreau; kantonalen Secretaris van Willebroeck, is het vast, dat de brigadier Dinucy ook het leven verloor in deze botsing. Den 31 Mei 1799 herhaalde Nadreau nog zijne bevestiging desaangaande v66r de rechtbank van Antwerpen. Zie Registre Criminel de l’an VII, Archives du tribunal d’Anvers, Palais de Justice, alsook Archives Provinciales d’Anvers, Insurrection de l’an VII, no 251. 

Een zijner onderhoorigen, de gendarm Lacour, sneuvelde ook in de botsing, de bijzondere Commissaris Gengoult werd er in gekwetst. Spijtig voor de Jongens, gelukkig voor de vijanden, kwam korts daarna een onverwacht opdagen de zegepralende jacht der eersten op de Republikeinen verhinderen. Mazingant en Conroux, aan het hoofd eener afdeeling van 50 voetgangers en 30 dragonders, met twee kanonstukken gewapend, verschenen aan den Krekelenberg,
op de baan van Antwerpen gelegen. De Jongens, alhoewel verrast door die plotselijke verschijning, wilden stand houden tegen de versche kampers, doch toen de kanons op hen losbrandden, werden zij gedwongen tot wijken. De Fransche kolom rukte vooruit, de gemeente Boom binnen. Het was meer dan tijd, want terwijl een troep Jongens handgemeen was met de Republikeinen op de Antwerpsche baan, zat een andere troep in de gemeente zelve achter den Commissaris van het Directorium Gengoult-Kuyl, achter zijnen kollega, den Commissaris Spiette en den kantonalen sekretaris Nadreau, beiden van Willebroeck, ook achter eenen gendarm, die in de gemeente was gebleven. De twee genoemde ambtenaars van Willebroeck waren waarschijnlijk veiligheidshalve naar Boom gesneld, om in hunne gemeente de slagen der oproerigen te ontkomen. Van alle kanten bestormd door de verbitterde Jongens, was Gengoult-Kuyl met zijne drie gezellen in de  gendarmerie gevlucht. Zoo stevig mogelijk hielden zij den toegang tot hun verblijf gesloten, en juist op het oogenblik dat de Jongens deuren en poorten met geweld poogden open te breken, bulderden de kanons der aanrukkende hulptroepen, en kwamen deze Boom binnengestormd.

Eenige oogenblikken slechts van vertraging hadden de ingesloten Republikeinen in de handen doen vallen der verbolgen Vaderlanders. Volgens de getuigenissen van Gengoult-Kuyl, Nadreau en van den agent P. J. Van Den Herreweghe, policiecommissaris te Boom, over de gevechten van 21 October, zouden de Jongens onmiddellijk voor het Fransche korps zijn geweken. Wie hunne verhalen nauwkeurig wil onderzoeken, zal aanstonds bemerken, hoe partijdig zij zijn opgesteld en hoe zorgvuldig alle omstandigheden ten voordeele der Republikeinen, ten nadeele der vaderlanders aangehaald en uitgelegd worden5Het verhaal van Gengoult-Kuyl, Commissaris te Boom, berust Arch. Prov., Insurrection de l’an VII, no 40; — dat van Nadreau, Sekretaris van Willebroeck, zelfde plaats, nos 142 en 251; — Dat van Van Den Herreweghe, no 253..

‘t Is waar, de bijzonderste strijdmachten der Vaderlanders, die Michaël Quarteer aan het hoofd hadden, schijnen den 21 October nog niet te Boom aanwezig te zijn geweest. Bij het inrukken der Franschen verbleven zij waarschijnlijk in de gebuurte. Doch klaarblijkelijk is te zien en zeker is het, dat hunne voorposten, bij tal Boom hadden bezet en zich meester hadden gemaakt van de gemeente. Ter strate en vooral van uit de huizen hebben zij dapper gevuurd op de Republikeinsche aanvallers, en slechts gedwongen door het aanhoudend kanonvuur dezer laatsten, zijn zij geweken. Het was korts na den middag, toen de Franschen de gemeente binnen stormden ; het was tusschen 4 en 5 uren van den namiddag, toen de Jongens weken langs de Antwerpsche baan. Wat er intusschentijd, geheel den namiddag door gebeurd is, daar reppen de Republikeinen, en met rede, geen enkel woord van.

‘De Boerenkrijg’ van Constantin Meunier (°Elsene 1831 +Elsene 1905)

Wederom zijn wij hier genoodzaakt te allen kante de nog bestaande oorkonden van den beroerden tijd op te zoeken en te doorsnuffelen, om er toch maar een deeltje der echte waarheid in vast te krijgen. Bij nauwkeurig onderzoek der menigvuldige rekeningen, waarin de Boomsche burgers de verwoestingen aanhalen door de Franschen aangericht in den namiddag van 21 October6Deze rekeningen zijn te vinden Archives. Provinciales, Insurrection de l’an VII, no 654. De Boerenkijg. — 19. , hebben wij iets, niet alles nochtans, kunnen achterhalen. IJselijk voorwaar, moet het er toen te Boom zijn toegegaan. De Jongens van de Antwerpsche baan naar binnen geweken, en ook zij, die in de gemeente zelve waren gebleven, zij hadden zich, om het kanonvuur te ontkomen, in de huizen en in andere min of meer versterkte standplaatsen verschanst, en vuurden van daar dapper op hunne vijanden.

Het Republikeinsch korps, met de kanons aan ‘t hoofd, zettede hen achterna, en bestormde met woede de woningen der Boomenaren. Voor de Jongens hadden deze hunne deuren wijd open gezet, voor de aanrukkende Franschen waren zij gesloten. Bij de weduwe van Frans Cappaert werden ruiten en vensters door ‘t kanon ingeschoten; bij Jaspar Van Der Donck en weduwe Jan Thys werd het geld meegenomen en het huisraad geplunderd ; bij Jozef Arcx werd het huis verwoest ; bij Jan Baptist Verheyden kwamen twee Fransche soldaten te paard langs de verbrijzelde vensters den meester des huizes bespringen, randden zij de vrouw aan, rukten zij de kas open en stolen zij al de zilveren en gouden voorwerpen, die er voor handen waren; bij Maria Catharina Nagels roofden zij insgelijks ; bij Van Landsheer die, na de Jongens te hebben binnen gelaten, ook zijne deur had gesloten, werd deze doorschoten, en toen de weerd haar opende, rukte eene partij woestaards binnen en plunderde zij al wat hij bezat; bij Frans Pauwels werden vensters en ruiten door het kanon verbrijzeld; bij bakker Jan Baptist Delaedt werd  brood en gerief en geld gestolen ; Pieter Vermeylen, steenbakker, man van Maria Elisabeth Van Reeth, werd in de botsing door de Franschen dood geschoten of gekapt en aan het verminkte lijk ontroofden zij de zilveren gespen. de horlogie, den schranslooper en hoed, een zijden neusdoek, en al het geld.

Bij Jaspar De Bruyn werden vensters en ruiten met geweld ingeslagen ; bij Frans Rypens en bij den .schipper Jaak De Landsheer werden de huizen volop geplunderd ; bij de weduwe van Pieter Ramael en dochter stolen de Fransche roovers als de raven, meer dan 5oo guldens in geld alleen. Eindelijk bij den winkelier J. G. Vertongen beukten de woestaards ook de vensterramen omver en plunderden zij den winkel. Ziedaar eenige stalen der Fransche furie van dien noodlottigen dag.

In het Provinciaal Archief van Antwerpen, Insurrection de l’an VII, no 336, vinden wij een rechterlijk verhoor, ondergaan door Jan Baptist De Mont, beenhouwer van Boom, bijgenaamd den Bloed. Hij was beschuldigd van op Zondag 21 October, bij het binnenrukken der brigandskorpsen te Boom, den bijzonderen commissaris  Gengoult, nabij het huis van Filip Beeckmans, eenen messteek in de keel te hebben toegebracht, en ook ‘s anderendaags zijn karabijn op de borst te hebben gezet van sekretaris Nadreau. De Mont loochent het eerste feit. Toen de brigands al vurende Boom binnenrukten, deed hij op de aangeduide plaats het kegelspel met Jan Baptist Mampaey; hij had er Gengoult niet gezien, en toen de brigands volop binnen waren, was hij met zijnen gezel er zijnen neef naar de herberg den Handboog geloopen. Korts daarna, toen de brigands zich volkomen meester hadden gemaakt van de gemeente, was hij langs den hof der herberg naar Filip Michiels getrokken. Daar verbleef hij toen de Franschen Boom binnen rukten en hoorde hij hunne ‘canons bulderen. Op de vraag of hij zich in het Bolhof niet beroemd had Gengoult de keel te hebben afgesneden, antwoordt hij van neen ; hij had den commissaris niet gezien. Als hij zoo iets zou gezegd hebben, zou het slechts zijn, om met de brigands wel te staan, die meester waren te Boom. Voor het tweede feit, loochent De Mont insgelijks. Hij had Nadreau maar gezien, nadat hij gevangen was met den Commissaris Gengoult. Op maandag 22 October had hij nog geen karabijn, hij had het maar dinsdag 23 van Quarteer gekregen. Het eenigste wat hij bekent, is van gezegd te hebben, dat Nadreau in het gevang zooveel niet babbelen moest. Hij had er bij gevoegd dat, zoo de zaak hem aanging, hij hem wel tot zwijgen zou weten te brengen.