Categorieën
Boerenkrijg oorlog

DE BOERENKRIJG TE BOOM

Aldus luidt de getuigenis van zekeren Gommer Busschots van Schelle, die den departementelen bestuurders van Antwerpen inlichtingen bezorgde. Volgens dezen verrader der Vaderlandsche zaak, was Melchior Quarteer, vrederechter van het kanton Boom, de bevelhebber van het leger der oproerigen, zijn broeder Jozef Quarteer was kapitein, een derde broeder Jan Quarteer maakte er ook deel van, en Frans Quarteer, een vierde, die priester was, bevond zich met den pastoor van Nattenhaesdonck, met den pastoor en onderpastoorvan Ruysbroeck in de rangen der Jongens. Deze, zoo zegt Busschots verder, hebben fijfer spelers en slaan de marsch, gelijk de voormalige Belgische patriotten. De Jongelingen worden gedwongen zich in te lijven, doen zich herbergen bij de boeren en burgers en begeven zich des nachts, na voorposten uitgezet en patrouillen te hebben aan gesteld zoo van voetvolk als van ruiters, naar Boom en Niel. Zij zijn met geweren gewapend; enkelen hebben alleenlijk vorken en stokken.1Archives Provinciales d’Anvers, . Insurrection de l’an VII, 3mo carton, no 167.

Gelijk wij in ons eerste boekdeel, bladzijde 219 en volgende gezien hebben, stond Willem Cools, agent van Nattenhaesdonck, te Boom aan het hoofd eener compagnie van zoo Jongens. Wij komen er de gebroeders Pintens van Ruysbroeck met vele anderen uit Klein- Brabant ook tegen in de rangen der Vaderlanders. Alhoewel Melchior Quarteer eigenlijk het opperbevel voerde in het hoofdkwartier van Boom, bestond er toch volstrekt geene afzonderlijke werking der strijdmachten van dit laatste gewest. Zij handelden in overeenkomst en met de werkelijke medehulp der oproerige korpsen van het naburige Klein-Brabant. Deze korpsen kwamen zonder ophouden den Rupel overgesteken.

Later zullen wij spreken over de kloeke priesters, die aldaar de compagnieën hunner parochiën vergezelden. Een woord hier over die van het gewest van Boom. De eerbiedweerdige herder dezer parochie, F. J. Noël, een ouderling die haar sedert 1758 bestierde, was in ‘t begin van September 1798 door eene schielijke dood aan zijne kudde ontrukt2Op het doodenregister der parochie, na zijne inschrijvingen der maand Septemper 1797, getuigt nog de Eerw. Heer Noël, dat de koster van dan af tot op het einde van het aangehaald jaar 1797 al de lijken van Boom opteekende. ‘t Is dus in september 1798, dat de kloeke ouderling overleed. De geestelijke Overheid noemde in zijne plaats, den E. H. Joannes Baptista Moons S. T. B., onderpastoor te Boom. Op het oogenblik dezer benoeming,  landde de onderpastoor Moons aan te Cayenne in de Fransche Guyane. Den 18 Januari 1798 door de gendarmen aangehouden, was hij overgevoerd naar Rochefort in Frankrijk. Na er in den kerker opgesloten te zijn geweest tot 1 Augusti, werd hij ter ballingschap ingescheept. Van Cayenne werd hij in Januari 1799 overgezet naar Sinamari. In de maand Mei daarop volgende, waagde het de geloofsbelijder met eenige anderen de vlucht te nemen. Onderweg werd hun broos vaartuig door de onstuimige zeebaren op het strand geslingerd van een onbekend oord en in de naburige wouden van Corentin bezweek de arme priester, uitgeput van gebrek en vermoeienissen, of werd hij door roovers vermoord. Eenigen tijd na zijnen dood werd de Eerw. Heer E. F. Van Minderhout herder genoemd te Boom. Den 21 Juni 1801 werd hij tot zijn nieuw ambt ingeleid door den Eerw. Heer J. Van Genechten, pastoor van Rumpst, die door de geestelijke Overheid daartoe was aangesteld. — Zie Kerkelijke Registers ten gemeentehuize van Boom. .

Cayenne (Frans-Guyana) Foto: Wikipedia

De ieverige man, als werkman verkleed, kwam op dit oogenblik weder van eene geheime bediening der H. Sakramenten. Het Provinciaal Archief van Antwerpen, Insurrection de l’an VII, l-er carton, no 40, bevat een relaas der buitengewone zitting, ter Municipaliteit van Boom gehouden den 10 November 1798. Daar ook wordt gezegd, dat Noël sedert twee maanden overleden was. Van Camp, zoo voegen de bestuurders er bij, was den 25 October te Boom in het gevecht. Hij was geweken langs den kant van Niel, den Rupel overgezet te Hellegat en was zoo het kanton Bornhem in getrokken. Frans Quarteer, de priester, was in dezelfde richting geweken. — Zie aangehaalde plaats.

Na de dood van herder Noël, zien wij Van Camp, zijnen kloeken onderpastoor, tot den 13 October 1798 het geestelijk ambt waarnemen. Van dien oogenblik af hield hij op en ijverde hij onverpoosd voor de Vaderlandsche zaak, om in ‘t begin van 1799 de  geestelijke bedieningen wederom te hernemen als deservitor en onderpastoor der parochie. De registers van Boom getuigen ons die feiten. Doch welke waren intusschen, van October 1798 tot 1799,  de lotgevallen van priester Van Camp? Ten gevolge der ongelukkige gevechten van Klein Willebroeck, Bornhem enz., werd hij waarschijnlijk gevangen genomen door de Republikeinen.

F. Van Den Bergh zegt ons in zijn ‘Rollier’, dat hij aan ketenen geklonken, met eenen ijzeren bol aan het been en de armen tegen het lijf gebonden, op eene kar werd geworpen en over Brussel en Bergen naar Rijsel gevoerd. De bedreven man zal er in gelukt zijn aan zijne beulen te  ontsnappen, want in ‘t begin van het volgend jaar 1799, was hij terug te Boom en wijdde hij er in ‘t grootste geheim zijne zorgen aan de  herderlooze parochianen. Hij werd in zijne bediening bijgestaan door den Eerw. Heer Fr. Van Reeth van Niel, toen onderpastoor en coadjutor van Willebroeck. Pater Tuerlinckx, minderbroeder, coadjutor van Boom, reikte hem vervolgens ook eene helpende hand toe. De kloeke vaderlander en ieverige Godsgezant Van Camp overleed te Hemixem den 7 Februari 1845. Ook de overige herders  van het gewest van Boom, de Eerw. Heeren Vannueten bij voorbeeld, pastoor van Niel, Cornelius Besselaers, pastoor van Schelle, Rigouts, pastoor van Aertselaer, waren op hunne beurt der Vaderlandsche zaak verknocht en trotseerden alle gevaren voor het heil der hun toevertrouwde zielen. 3

Ziehier wat o. a. Andreas Joannes Bals, opvolger te Schelle van den Eerw. Heer Cornelius Besselaers, van zijnen voorzaat zegt in het doodenregister der parochie: « Hij alleen, mijn voorzaat weet, wat al bezwaarnissen hij onderstond, wat al vervolgingen hij te lijden kreeg in die droevige jaren. Verbannen uit de pastorij, die door het bestuur was aangeslagen, moest hij in verborgen hoeken en bosschen ronddwalen. Meermaals sliep hij in houtmijten; ‘s nachts doopte hij, hoorde de biecht, gaf de heilige Communie, diende hij de laatste heilige Sacramenten toe, schonk hij den kinderen de eerste Communie en zegende hij in den Heer de besloten huwelijken. Eens viel hij bijna in de handen der vervolgers. Tijdens den oorlog dier rampzalige dagen, hield de goede herder zich krachtdadig ten strijde
bereid. Zijne lichaamskrachten hadden afgenomen ten gevolge der vervolgingen, doch zoolang hij eenigszins kon, oefende hij al zijne bedieningen uit. Op het einde zijns levens werd de brave man, gelijk de oude Tobias, met blindheid geslagen. Hij hield niet op nochtans, zoolang hij immer kon, het heilig offer op te dragen en den Heer te loven en te danken, daar zijne barmhartigheid oneindig is. Hij is mijn leidsman geweest in het heilig priesterambt en toonde mij den weg aan, dien ik bewandelen moest. Daarom smeek ik uit ganscher harte en met innige dankbaarheid den Heer, dat hij zijnen vromen dienaar de eeuwige rust moge verleenen. Aldus in het doodenregister ter pastorij te Schelle. Bij deze noot, de parochie van Schelle betreffende, kunnen wij hier nog eene bijzonderheid voegen, die Niel aangaat. Wanneer aldaar de vervolging der priesters hevigst woedde en de herder afwezig was, kwam somtijds een minderbroeder, Pater Van Eecke, de parochianen bijstaan in hunne geestelijke noodwendigheden.

In de bosschen hoorde hij hunne biecht en op de hofstede van Pachter Van Linden, in de Kwade Wiegstraat, gelegen, verrichtte hij de heilige mysterién. De mandemaker Jan Baptist Van Derauwera wist bij des Pàters komst, de vertrouwde parochianen te verwittigen. Pater Van Eecke was een uitmuntend kloosterling, die bekleed is geweest met de waardigheid van protonotarius apostolicus. Toen later Paus Pius VII te Fontainebleau gevangen zat, waagde het de kloosterling, ais jonker uitgedoscht, den noodlijdenden vader der christenen in die stad te gaan bezoeken en troosten. Na vele aangewende pogingen, geraakte de zoogezegde jonker tot bij Zijne Heiligheid. Zijne kleedij was van binnen teenemaal belegd met gouden muntstukken, die er zorgvuldig waren ingenaaid. Eenige familién van Antwerpen hadden den Pater die kostbare schatten opgedragen, om ze den H. Vader die in nood was, in ‘t geheim te bestelIen. Pater Van Eecke was later biechtvader in O. L. V. kerk te Antwerpen. In 1839 wijdde hij den kruisweg te Niel. Aldus mij verhaald door eenen eerbiedwaardigen grijsaard, den heer Delaet, oud-burgemeester te Niel, die op dit oogenblik zijn vijf en tachtigste jaar begonnen heeft. Tijdens de botsingen van Boom, was herder Vannueten van Niel afwezig van zijne parochie.

In gansch het gewest werden met kwistige handen oproerige schriften tusschen het volk verspreid. Wij laten er hier eenige volgen, uit het Provinciaal Archief  van Antwerpen getrokken4Archives Provinciales d’Anvers, Insurrection de l’an VII, no 210-20 ; ook no 138.:
 Regeerders van dorpen en stê
Waeren de Franschen eens wech, hoe had u daermeê?
Nederlanders blyft nu by een
Wy moeten standvastig wesen
Om te waegen ons lyf en bloed,
Voor de Franschen zyn wy te goed,
Om met schelmen en dieven te stryden
Dat zyn wy niet van zin ;
Liever den kog-el of de guillotien.
 Segd het voorts.
Brabantsche Jongers, schept nu maer moet,
Om voor het geloof te stryen,
Gaet gy naer Vlaendren toe,
En wilt u niet vermeyden.

Ziehier nog een ander :
De Roomsch Catholyke jonkheid van het land
adverteert een ieder dat wie hem zal laten inschryyen of zelf teekenen, om de waepens te draegen voor de Fransche Republique, van hun zal gehouden en vervolgt worden als verraeder van het Vaederland en de Christene religie. Elk segt het voorts.

Een derde schrift luidde aldus:
Borgers, verslaet al wat Fransch is, ‘t is hoogen tyd.
U. zal geene hulp ontbreken. Wee, wee, die zig onder de Fransche begeven, het zyn mannen des doods. 

In het Provinciaal Archief van Antwerpen, no 138, komen wij daarenboven een gansch buitengewoon, een echt wreedaardig plakkaat tegen. Het werd in die dagen van hevige ontroering aangehangen op den vrijheidsboom te Berchem en getuigt, dat de verdrukte Vaderlanders er wezenlijk overdreven waren in hunne woede en wraakzucht. Wij laten hier niettemin het stuk volgen :

 Wee! Wee! Wee! aan de agenten! Jonkheid van  de eerste requisitie van zo tot 25 jaren en ook van  25 tot 30 jaren, laat ons beginnen en blijven wij ten einde toe vereenigd, want wij zijn verkocht door onze zielverkoopers. One ziel hebben zij verkocht, de hunne zullen wij leveren. Laat ons bericht geven aan al de dorpen van ‘t kanton. Dat ieder dorp die zielverkoopers op éénen nacht verscheure of ter dood  brenge, hunne huizen in asch legge, ze plundere of anderszins bestorme, volgens dat zij gelegen zijn. Laat ons den kinderen der agenten of zielverkoopers  armen en beenen breken! Morgen avond te I0 uren  vergadering in het dorp! Daar zullen wij vaststellen, wanneer de uitvoerders van het geweld op hunne beurt zullen worden aangerand. 

Nergens, wij moeten het hier bijvoegen, zagen wij ooit de Jongens  dergelijke bedreigingen uitvoeren. Waarschijnlijk  werden zij geuit in  enen oogenblik van hevige verbittering en beroepen door de tergende geweldenarijen der agenten van het aangeduid gewest.
In tijdstippen van algemeene en diepe ontroering ontbreken er nooit  betréurlijke feiten van dienaard, doch het moet hier tevens erkend worden, van den kant der boerenkrijgers waren zij uitermate zeldzaam.

In ons eerste boekdeel hebben wij reeds eenige Jongens der sterke compagnieën van Boom en van den omtrek doen kennen. Boom bezat er zeker twee, ééne der gemeente zelve, eene tweede van het gehucht Noeveren, die Pauwels, eenen naasten bloedverwant,
den vader denkelijk van wijlen den Vikaris-Generaal van het Aartsbisdom, voor kapitein had.

Aan de compagnien van dit gewest, van Boom bijzonderlijk, hoorden onder andere toe:

  • Melchior Quarteer, vrederechter van het kanton, algemeene
    bevelhebber.
  • Jozef Quarteer, zijn broeder, kapitein te paard.
  • Jan Baptist Van Reeth, kaporaal.
  • Jan Frans Van Reeth
  • Egidius De Bruyn
    schatbewaarders.
  • Filip Quarteer.
  • Jan Quarteer, luitenant-sergeant.
  • Frans Quarteer, priester.
  • P. P. Van Camp, onderpastoor.
  • Jaak Selderslags, 33 jaren, beenhouwer.
  • De zoon van Jozef De Bruyn.
  • De zoon van Jan Baptist Van Reeth, steenbakker.
  • Jan Baptist De Mont, 24 jaren, beenhouwer.
  • Pieter Harle, hovenier.
  • Pieter of N. Vermeylen, steenbakker.
  • Melchior De Wagter, 50 jaren:
  • Wouters, krijgsgevangen genomen 21 October.
  • Frans Antoon Rypens, veearts (artiste vétérinaire).
  • Frans Rypens, kunstsmid (maréchal expert).
  • Willem Cop.
  • De zoon van Van Stichel, metser te Boom.
  • Jozef Deschutter van Bornhem, wonende te Boom.
  • Waarschijnlijk nog: Jan Baptist Cop, alsook de kinderen van J. C. Hellemans, van Jaak Hellemans en van Antoon Zwinnen, allen van Boom, die zich eindelijk ter verlossing hunner ouders5Zie  Registre des Séances de l’adm. Départementale, mois de brumaire; Insurrection an VII, op de aangehaalde plaatsen; Registre de l’adm. Municipale de Boom an VII., in de afwezigheid der zonen  aangehouden, den 16 December 1798 te Antwerpen bij het centraal bestuur als conscrits aanboden. Tusschen de Vaderlanders van Schelle hebben wij, buiten Karel Caimo van het Tolhuis, nog de volgende kunnen ontdekken in het Provinciaal Archief, no 167, onder andere :
  • Jaak Keunesse (Kennes) wonende bij zijne moeder, Peperstraat.
  • Pieter De Groot, wever, Peperstraat.
  • Pieter Jan Wouters, pachter van Cogels.
  • Melchior Verelst, zoon van den pachter, Sausstraat.
  • Pieter Boey, zoon van den brouwer.
  • Frans Schuerwegen, boerenzoon, begin der Heystraat.
  • Antoon Ryckmans, 24 jaren.
  • Sohervez of Schuerweghe, oud-kaporaal, veldwachter.
  • Frans Boey, zoon der weduwe Boey, aan de kerk.
  • Walter Toen, kaporaal.
  • Pieter de Pooter, landbouwer.
  • Michiel Lauwers, landbouwer.
  • Deze laatste Michiel Lauwers, zat voorwaar niet pluis.
    Hij was een gegoede pachter van Schelle, omtrent 28 jaren oud. Den 22 October stond hij met blooten sabel aan het hoofd der wacht, die te Boom het gevang bewaakte van den Commissaris Gengoult.  Den 24 october te 11 uren ‘s morgens, wanneer Gengoult en Nadreau uit het gevang gehaald en naar Bornhem werden gevoerd, stond Lauwers nog aan ‘t hoofd der patrouille. 
    Als ik meester was, riep hij toen  uit, de twee gevangenen zouden zoo ver niet gaan, en op vier stappen van hun gevang, zouden zij reeds  mijnen degen in het lijf hebben! 
    Volgens de getuigenis door Nadreau, in de zitting van 31 Mei 1799 voor de rechtbank van Antwerpen afgelegd, gaf Michiel Lauwers zijne bevelen aan de wachten te Boom op eenen meer schrikwekkenden toon dan die van eenen Pruis, en was hij ook van de bende, toen de gendarmen Dominicus Dinucy en Lacour gedood werden den 21 October. Ook kreeg hij voor zijne heldendaden 4 maanden gevang, de helft van zijn inkomen voor boet en daarbij de kosten van het geding.

    Na zijne gevangenis moesten 4 personen nog voor hem borg blijven, en wat het ergste was van al, als Overste der Brigands, werd hij daarenboven overgeleverd aan den Bestierder van den Jury van Antwerpen, om uit dien hoofde ook., door hem gevonnist te worden.6Zie Archives du Tribunal d’Anvers, Registre Criminel du 24 Nivôse an VII au 12 Vendémiaire an VIII.
    Onder de Jongens van Niel komen wij tegen :

  • Frans Torfs, kapitein.
  • Pieter Torfs.
  • Jan Torfs.
  • Jozef Verstrepen.
  • Jozef Van Denberg.
  • Pieter Van Denberg.
  • Egidius De Cock, agent der gemeente.
  • Jan Baptist Van Hoof, 29 jaren, die met het geweer op den arm werd aangehouden.
  • J. B. Van Reeth.
  • Willem Van Geenhove.
  • Willem De Mayer, 22 jaren.

Eindelijk den knecht van den molenaar, die tamboer was der compagnie.