Categorieën
Boerenkrijg oorlog

DE BOERENKRIJG TE BOOM

Wie zal hier zeggen, hoe de Republikeinsche korpsen den 25 October en ook de volgende dagen zich te Waelhem hebben afgetobd, om zich eenen weg te banen tusschen de talrijke Jongensafdeelingen, die gansch het gewest bezetteden ?… Den 25 October duurde de strijd aan de brug gansch den dag voort. Den 26sten nog  werd de kolom van Pradier van alle kanten door de vaderlanders aangerand.  Den 26n of 27n, na twee dagen vechtens, rukte de Fransche bevelhebber met zijne troepen naar Willebroeck en zoo naar Boom, om er zich aan te sluiten bij kapitein Lamaire, die daar ook sinds twee of drie dagen het Jongensleger bevocht.  Le 6 Brumaires, den  27 October, zoo schreef Pradier den 17 Brumaire aan den adjudant-generaal Lautour:  je fus jusqu’à Boom,  pour communiquer avec le citoyen Lamaire, qui y commandait alors. 1Zie den hierboven aangeduiden brief van Pradier aan Lautour,
no 654, Archives Prov. d’Anvers.
 

Vast en zeker maakten de Jongens te Waelhem gebruik van die  gedwongen afwezigheid van den bevelhebber, om de brug opnieuw te bezetten. De postbestierder, wij hebben het gezien, kloeg bitter ‘s anderendaags, den 28 October, over de herhaalde verhindering der gemeenschap met Parijs. ‘t Was geene lichte taak voorwaar, die Pradier in die dagen te Waelhem ‘en te Boom volvoeren moest.
Na twee volle dagen te hebben gestreden, werd hij den derden dag genoodzaakt zijnen kollega ter hulp te  snellen in het hoofdkwartier van Boom. De Opperbevelhebber der Fransche krijgsmachten had hem daarenboven eene andere, eene hoogst belangrijke taak aangewezen. Wij hebben in den Boerenkrijg van Mechelen gezien, hoe de bezetting dier stad zonder ophouden door de Jongens werd in ‘t nauw gezet. Welnu Pradier had uitdrukkelijk order aldaar ook de Republikeinen te gaan bijstaan en verlossen. Omringd als hij was van talrijke Jongensafdeelingen, die hem te Waelhem en in de aanpalende gewesten van alle kanten besprongen, werd het hem volkomen onmogelijk naar Mechelen voort te rukken. Onze hardnekkige vaderlanders wilden hem volstrekt geene toelating verleenen. 

Wat kunnen wij nu eindelijk vaststellen over de krijgsbewerkingen der afdeeling, van Antwerpen naar Boom gezonden, en over de bekomen uitslagen in het hoofdkwartier zelve van het oproer ? Volgens de aangehaalde officiëele bescheiden, bestond zij uit 2 compagnieën grenadiers, makende rond de 140 of 150 mannen en uit eene afdeeling jagers, gezamenlijk bijgevolg een korps uitmakende van ongeveer 200 krijgers, zonder de gendarmen te rekenen. Zij was voorzien van grof geschut en stond onder het bevel van kapitein Lamaire, gelijk de reeds aangeduide brief van Pradier aan generaal Lautour het ons getuigt. Zonder den minsten twijfel hebben de Republikeinsche krijgsoversten hier wederom hunne krijgsmacht geringer opgegeven, dan zij wezenlijk was.

In de aangehaalde oorkonden van het ministerie van oorlog zien wij, dat Desjardins al zijne nog eenigszins beschikbare troepen, na aftrek der kolom van Lier, bij die van Boom had ingelijfd. Welnu, de 8  compagnieën der 15de half-brigade werden naar Waelhem gezonden; de compagnien der 49ste half-brigade, rond de 1200 man sterk, werden gedeeltelijk naar Lier, -gedeeltelijk naar Boom gericht.
Als het waar is, wat de Fransche aanvoerders zelven getuigen, dat  zij voor de afgevaardigde kolommen nog beschikten over al de krijgsmachten, die zij onder de hand hadden, dan bevatte  klaarblijkelijk het korps van Boom meer dan 200 krijgers.

Ook de zeemacht van Castagnies en Bourdon te Schelle moest de kolom van Boom en de aanzienlijke afdeeling op Waelhem  afgezonden, zooveel mogelijk ondersteunen.

Reeds vroeg in den morgen verscheen Lamaire den 25 October vóór Boom. Het valt sterk te betwijfelen, of hij in de eerste dagen van gevechten, wel iets ondersteuning van zijnen kollega Pradier heeft mogen genieten. Ongenadig en van alle kanten werd deze laatste zelf door de onversaagde Jongens van het gewest aangerand, gelijk wij gezien hebben, en meer dan genoeg had hij te doen, om zich zelven te redden. Al wat hij in den beginne doen kon en wezenlijk deed voor. Lamaire, het was den Jongelingskorpsen van Waelhem en Rumpst krachtdadig het hoofd bieden en hen beletten bijgevolg, hunne broeders in het hoofdkwartier van Boom te gaan bijstaan.

Volgens de officiëele opgaaf van Hatry aan den Minister van Oorlog, bezetteden de Jongens Boom bij het aanrukken der Franschen, ten getalle van 600 tenminste. Quarteer, gelijk wij gezien hebben, had in het gewest ten minste 15oo mannen onder zijn gebied. Bijgevolg  is het zeker, dat er verscheidene korpsen van vaderlanders elders hadden post gevat, in de richting van Rumpst en Waelhem, misschien ook in die van Schelle of St Bernard’s abdij. Betreuren wij hier nog eens, na zoeken en herzoeken, nergens het zoo  belangwekkend verhaal der gevechten, in en rond Boom geleverd, te hebben mogen aantreffen. Doch zoowel daar als  te Lier en elders, hebben onze Jongens heldhaftige pogingen aangewend, en dapper gestreden, en het vuur van den vijand hardnekkig getrotseerd, om hun hoofdkwartier te verdedigen. Wij kunnen en wij zullen dit punt vaststellen en bewijzen.

Volgens de nog bestaande overleveringen, werden bij het begin van den aanval tegen Boom, de verschansingen der Jongens door het vernielend vuur der Republikeinen teenemaal omver geschoten en verwoest. De Vaderlanders moesten wijken en, zooals het eenige dagen later te Herenthals gebeurde, zij betrokken de huizen en de andere min of meer beschutte standplaatsen der gemeente, om tezamen met al de beschikbare kampers  die er verbleven, den vijand te bevechten. Dat er in de straten van Boom den 25 October, een aanhoudende en woedende strijd is geleverd, dit lijdt niet den minsten twijfel. Gansch den dag bijna, tot tegen den avond, vuurden de Jongens, nu hier, dan verder, met immer aangroeienden drift, op de Fransche overweldigers, en zoowel van den kant dezer laatsten als van hunnen  kant, sneuvelden er menige slachtoffers. Dat ook de burgers van Boom echte vaderlanders waren, der vaderlandsche zaak van harte genegen en onverzoenbare vijanden der goddelooze verdrukkers, dit wederom valt niet te betwijfelen, en de inrukkende Republikeinen hebben het te Boom tot hunne gevoelige schade moeten ondervinden. Ik vind het bewijs van dit alles in een enkel nog overblijvend register, behoorende aan de verzameling, in welke de verslagen der zittingen en der akten van den Municipalen Raad der gemeente werden ingeschreven.

De zittingen van het  Republikeinsch bestuur, zoo zien wij in het aangeduide register, in het gemeentearchief van Boom nog  berustend, zijn aldaar opgeschorst den 18 October. Zij werden plechtig hernomen den 19 Brumaire, 9 November 1798. In de zitting  van dezen dag was Levêque, de Centrale Commissaris van  Antwerpen, aanwezig. De hooge ambtenaar hield er eene rede vóór de zetelende Municipalen en vóór het vergaderde volk.  Hij deed   gevoelen, zoo lezen wij in het verslag, aan hoe groot  een schelmstuk het meestendeel der inwoners zich  had plichtig gemaakt, met op te staan tegen de wetten der Republiek. Hij deed nog zien, wat  gruweldaad de Boomenaren hadden bedreven, met deel  te nemen  aan de echte moorderij, in hunne gemeente aangericht in de rangen der dappere verdedigers van het Fransche vaderland. Zij zelfs die maar enkel hadden toegelaten, dat zulke euveldaad onder hun oog gepleegd werde, waren reeds volop plichtig. Nochtans, zoo voegde Levêque er bij, groot en overgroot is de goedertierenheid van het Fransch bestuur, dat bereid is vergiffenis te schenken aan degenen, die zwak genoeg waren om zich te laten meesleepen in het oproer en om de standaarden der brigands te volgen.

Als in de aangehaalde woorden van ‘t verslag van 9 November niet  opgesloten ligt, dat de Franschen duchtige slagen kregen te Boom, op den dag van 25 October, dan, wij moeten het bekennen, verstaan  wij onze taal niet meer. Lees de hierboven aangehaalde woorden van generaal Bonnard, getrokken uit zijnen brief van 28 October aan den Minister van Oorlog ; zij ook zij geven te kennen, dat de  zaken der Franschen te Boom niet heel zoo gemakkelijk van stapel liepen. In den aangeduiden brief doet de generaal aan zijnen Overste, verslag over den toestand der zaken in de 5 Departementen, aan zijn gezag onderworpen.

Hij doet hem dit verslag volgens de officiêele opgaven zijner onderhoorige bevelhebbers. Le général Béguinot me mande, zegt hij onder andere, que diverses colonnes,  qu’il avait dirigées, ont remporté beaucoup d’avantages sur les brigands, notamment à Boom, sur la  route  d’Anvers à Malines, chef-lieu de leur rassemblement ; les troupes y  ont combattu toute la journée   d’hier et la nuit du 5, et ont fini par s´emparer de ce poste, qui est très important.2Archives du ministère de la Guerre, Paris, Armée d’Angleterre, chemise du 28 Octobre 1798, Bonnard au Ministre de la Guerre le 7 Brumaire (28 October),

Geheel den dag bijgevolg van 27 October, ook geheel den nacht tusschen 26 en 27 October, duurde te Boom de strijd voort, die den 25 October heel vroeg aldaar was aangevangen. Enkel op het einde van den 27 October gelukten er eindelijk de Republikeinen in, den post van Boom te overmeesteren. Aldus de Fransche bevelhebbers zelven, die, wij weten het, de uitslagen der gevechten door hunne soldaten geleverd, bestendig overdrijven en de duchtige slagen, hun meermaals toegebracht, stelselmatig verzwijgen in hunne verslagen.
Ook waren de Republikeinsche krijgers van het begin af boos,  razend van woede, om den krachtigen en onversaagden weerstand onzer Jongens, en wanneer deze tegen den avond van den eersten dag, den 25 October, voor het grof geschut eenigszins wijken moesten, dan viel Boom ten prooi aan eene plundering, die gansch den nacht en tot in den volgenden dag voortduurde, dan vielen ook verscheidene en zelfs weerlooze burgers onder het moordend staal en vuur der verbolgen krijgers.

Canon de 12 Gribeauval 12 cm geschut dat tijdens de Slag van Waterloo werd ingezet(Foto: Wikipedia)

Aldus werd onder andere, Isabella Ceulemans, weduwe van Pieter De Maeyer en vrouw van Frans Verhelt, zeven en dertigjarige dochter van Jan Ceulemans van Niel en van Barbara Van Reeth van Rumpst, die met schrik bevangen het wreede tooneel wilde ontvluchten en naar buiten snellen, door de woedende grenadiers ongenadig omver geschoten; hetzelfde lot trof Frans De Backker van Willebroeck, eenen in ouderdom gevorderden man van 67 jaren, zoon van Egidius en van Joanna Catharina Wielox van Liesele, man van Isabella Maria Van Reeth van Rumpst. ‘t Was op de brug van den Rupel, langs den kant van Boom, dat deze ouderling, naar  Willebroeck vluchtend, den moordenden kogel kreeg van de Sansculotten.3Zie voor deze twee slachtoffers het doodenregister van Boom, ten gemeentehuize berustend. De akten zijn ingeschreven door den herder E. F. Van Minderhout, S. T. B. F. et J. C. L.4De sansculotten waren de handwerkslieden, kleine handelaren en winkeliers tijdens de Franse Revolutie. Zij vormden een heterogene groep bestaande uit de middenstand en de elite uit de verschillende wijken van Parijs. De Sansculotten werden zo genoemd, omdat zij geen elegante kniebroek droegen zoals de adel, maar een lange werkmansbroek met daarboven een jas. Zo werd sansculotte ook de spotnaam voor een Franse soldaat uit de tijd van de Eerste Franse Republiek. Vaak hadden de sansculotten als onderscheidingsteken een rode muts op het hoofd, droegen een kokarde en waren lid van de Club van de Cordeliers. Ze noemden elkaar citoyen (à la Rousseau) en waren voor directe democratie. (Bron: Wikipedia)

De plundering, gelijk wij zegden, en de verwoesting waren te Boom ijselijk en langdurig. Gansch de gemeente, gansch dat hol van  brigands5Brigand is de naam die de Fransen gaven aan de Vlaamse opstandelingen die in de Boerenkrijg tegen de Franse bezetter streden op het einde van de 18e eeuw. In de Franse taal betekent brigand gewoon struikrover. (Bron: Wikipedia) werd er aan ten prooi geleverd. Gelijk eenige burgers van Boom de schade, bij den eersten inval van 21 October geleden, hadden aangeteekend, zoo ook deden eenige anderen zulks voor de plunderingen en verwoestingen van 25 October en van den volgenden dag.

Alzoo vinden wij in het meermaals aangehaald nummer 654 van het Provinciaal Archief van Antwerpen, dat op 25 October het huis geplunderd en verwoest werd bij de weduwe Andries Willem Somers, bij Antoon Hendrieckx, bij J. Pulinckx, bij Kornelis Struyf, Egidius De Prost, Frans De Bruyn, Egidius De Bruyn, den smid en winkelier Leonardus Van Der Straeven, Pieter Schoeters, de weduwe Cools, de vrouw van J. F. Mommen, den steenbakker Jan Baptist Van Reeth, Frederik Mampaey, den winkelier Michiel Huysmans, Egied Van Stichel, Gilles Van Cauwenbergh, Kornelis Coeck, Michiel Struyf ; bij Frans Van Reeth plunderden de Franschen voor meer dan 1100 franken; ook roofden zij bij Kornelis Van Reeth, Judocus Van den Neucker, Jaak Van De Velde, Jan Baptist Lemmens, Frans Selleslaghs, winkelier, Jozef Dehon, Pieter Clemens en Isabella Lemmens.

Bij de weduwe Quarteer werd er voor omtrent 15oo guldens geroofd ; bij Frans Teullens plunderden de soldaten, ook bij de weduwe Melchior De Wachter, bij den schipper Jan De Cock, bij den winkelier Willem Lamot voor bijna 700 guldens. Onderstonden nog de plundering : Pieter Nauwelaers, weduwe De Cock, de schoenmaker Jan Hermans, Jan Jacob, de weduwe Jan Baptist Teullens, Gilliam Arts, Elisabeth Van Oosten, Kornelis Reyniers, Pieter Mampaey, weduwe Kinnie, Anna Maria De Prost weerdin in de Schipvaart, de kinderen van wijlen Adriaan De Bruyn, eindelijk de winkelier Jaak Van Reeth, die meer dan 1200 franken verloor.

In den nacht van 25-26 October werd er o. a. geplunderd bij Frans De Landtsheer, bij Adriaan Kenfis, bij Pieter Andries Struyf, bij Filip Bal en bij Kornelis Mampaey. 6 Fransche soldaten namen bij de weduwe J. B. Teullens aan Gilliam Steenackers zijn geld en zijne gespen af. Eindelijk ‘s anderendaags, den 26 October was het nog plundering o. a. bij de weduwe Adriaan Mampaey; bij den brouwer Hendrik De Loock eischten de Fransche hoezaren eene som geld af van de vrouw. 6Archives Provinciales d’Anvers, Insurrection de l’an VII, n. 654.

Volgens het Provinciaal Archief van Antwerpen, Insurrection de l’an VII, carton III, no 133-20, hebben de twee Fransche officiers, Trotin en Clapier, die te Boom uit het gevang verlost werden, getuigd, dat tijdens den inval der Republikeinen te Boom den 25 October, al de burgers gewapend waren, dat zij op de schildwachten volop  vuurden, dat in den nacht van 25 tot 26 October 7 inwoners met de wapens in de hand en krijgsvoorraad in den zak werden in hechtenis 
genomen. Eenige Franschen ook werden, volgens hunne getuigenis, gedood en gekwetst.

Als wij nagaan, dat de strijd te Boom gansch den dag tot in den nacht toe, van weerskanten hardnekkig werd voortgezet ; dat de  enigszins zegepralende Republikeinen van tegen den avond af, gansch den nacht door, alsook nog den volgenden dag hunne woede bot vierden met plunderen, moorden en verwoesten ; dat den 27 October nog, Pradier van Waelhem en over Willebroeck naar het verwoeste hoofdkwartier is gekomen, om er zich bij Kapitein Lamaire aan te sluiten ; dat hij om zulks te kunnen doen, de brug van Waelhem, die door zijne troepen bezet werd, heeft moeten in den brand laten, en dat zij onmiddellijk daarna wederom in de handen der hardnekkige
Jongens viel ; als men nagaat, dat men eindelijk den 29 October en  met behulp van het eskader, dat op de Schelde had post gevat, eenige gemeenschap langs Gent met Parijs had kunnen aanknoopen ; als men eindelijk  in ‘t midden der holklinkende zegekreten, door de Republikeinsche krijgsoversten aangeheven, den zoo zorgvuldig
wakenden generaal Béguinot betrapt, die niet meer wetende wat aanvangen, beangstigde alarmkreten en allerdringendste  smeekingen om hulp naar den bevelhebber van Valencijn overzendt den 27 October, dan zal men zich een gedacht kunnen vormen van den benepen toestand der Franschen in het gewest van Boom zoowel als te Waelhem, te Duffel en te Lier.  Een gedeelte van het Departement van Jemmapes,  bijna gansch de Dyle en de Beide-Nethen, zijn in  vollen opstand, zoo schreef Béguinot uit Brussel den 27 October aan zijnen kollega van Valencijn. Talrijke korpsen van rebellen geven zich over aan allerlei verwoestingen, plunderingen en afgrijselijkheden.