Categorieën
Boerenkrijg oorlog

DE BOERENKRIJG TE BOOM

Onmiddellijk na zijne verlossing, vluchtte hij naar Mechelen, om daar ten minste eenige veiligheid te vinden. Zoo geweldig werden de aanvallen, zoo dreigend de pogingen der Vaderlanders, zoowel te Boom als in gansch den omtrek tot Mechelen toe, dat den volgenden
dag, 27 October, de bevelhebber van Waelhem Pradier,  genoodzaakt werd, zich bij zijnen gezel Lamaire  in het verwoeste hoofdkwartier van Boom te komen aansluiten. Pradier stond aan het hoofd van aanzienlijke krijgsmachten, wij hebben het bewezen.
De bevelhebber van MecheIen, Mazingant, had hem daarenboven eene kolom dragonders, van grof geschut voorzien, over Waelhem te gemoet gezonden. Welnu de Jongens, die ook bij tal het gewest bezetteden, hadden die vereenigde krijgsmachten geenen oogenblik rust gelaten en ze te allen kante, op de baan van Antwerpen tot Waelhem bijzonderlijk, met woede besprongen. De vaderlandsche korpsen, die de verschillende standplaatsen van het naburige Klein-Brabant bezetteden, die van Willebroeck onder andere, zaten ook op de loer en steunden de pogingen hunner broeders, die én te Boom én te Waelhem de aangerukte kolommen van Republikeinen
ongenadig aanrandden. Te Willebroeck, wij willen het hier in ‘t voorbijgaan aanstippen, waren de Jongens nog ongestoord meester en plunderden zij volop bij de plaatselijke Republikeinen den 26 October.

In het Provinciaal Archief van Antwerpen, Insurrection de l’an VII, no 654, no 6542 en no 659 staan de plunderingen van dien dag aangehaald. Bij den Voorzitter der Municipaliteit onder andere, Andries Peeters, was ‘t volop kermis. De zoogezegde brigands vatteden  mij aan en leidden mij naar den ‘Dubbelen Arend’, waar hunne kapiteins zetelden. Een hunner deed mij naar den kerker brengen en ‘s anderendaags (den 27), zou ik den kogel  hebben gekregen, waren de dappere Republikeinen toen niet aangerukt en hadden zij mij niet verlost. 

Uit deze woorden van Peeters blijkt, dat Pradier zich den 26 en 27 October en voor korten tijd ten minste, heeft meester gemaakt van
Willebroeck. Na die gemeente op de Vaderlanders te hebben veroverd, is hij den 27 October met zekere krijgsmachten naar het naburige Boom voortgerukt, om er zich bij zijnen kollega Lamaire aan te sluiten en daar ook de Jongens te helpen bevechten. Dit stellig feit zullen wij ons later te nutte maken. Men late ons toe hier nog eens te bestatigen, hoe zorgvuldig de Fransche bevelhebbers, hier gelijk overal, de echte waarheid hebben verborgen en  verzwegen, zelfs aan hunne oversten. Ten gevolge van dit  stelselmatig stilzwijgen, valt den historieschrijver eene zware taak ten deele. ln eenige bijzonderheden of omstandigheden, door de Republikeinen zonder argwaan aangeteekend,  moeten wij helaas! met immer toenemenden arbeid, de echte gebeurtenissen van den Boomschen Boerenkrijg aan de vergetenheid ontrukken. Wij zullen voortgaan niettemin in onze taak en alles aanteekenen, wat eenigszins in ons bereik kan vallen, nopens de heldhaftige poging van 1798. Wij kunnen wederom verzekeren en al onze aangehaalde bescheiden bewijzen het, dat er den 25 October en de volgende dagen, in gansch het gewest van Boom, volstrekt geen afdoende werk is verricht geworden door de Republikeinsche kolommen.

Een gedeelte der wijkende vaderlanders gelukte erin aan het fort St. Margriet of wat meer zuidwaarts, de Schelde over te steken. Anderen, na te Boom of te Niel den Rupel te zijn overgetrokken, gingen in het kamp der vaderlanders en op St. Margriet, de Jongensbezetting versterken. Dit fort was gelegen in den Zuiderhoek, door de Schelde en den Rupel gevormd en tegen het grondgebied van Wintham. Daar hadden de oorlogvoerende boeren, sedert eenige dagen reeds, den standaard van het oproer, het vaandel met het roode kruis geplant en ongeveer twee weken lang, tot na de eindelijke neerlaag van Rollier, heeft dit zinnebeeld der christene hoop den vaderlanders van den omtrek moed en betrouwen in het hart gesproken.

Het lied Voor outer en heerd werd door de Kempische dichter Jozef Simons geschreven en getoonzet door Armand Preud’homme. Het lied herdenkt de Boerenkrijg en wordt veelvuldig op cantussen gezongen als studentenlied. Voor altaar en eigen haard is de moderne vertaling van de zinsnede; het drukte het verzet van de gewone Zuid-Nederlanders tegen antiklerikalisme, verdrukking van de Kerk en invasies van het eigen land uit. (Bron: Wikipedia)

In het Archief van den Staat te Brussel, Administration centrale et supérieure, Arrondissement du Brabant, Département de la Dyle, no 6o3, Révoltes, pillages et vagabondages, chemise Police générale, correspondance avec l’Etat-Major et généraux commandants, années 4, 5, 6 et 7, vinden wij een kort verslag van Béguinot over de verschillende tochten, door zijne kolommen ondernomen in de drie Departementen, aan zijn gezag onderworpen. Het verslag is gedagteekend van Brussel, le 6 Brumaire, 27 October 1798 en handelt over de operatiën, den 26 en 27 October verricht in de gewesten van Edingen, Lier en Boom. De kanons met schroot geladen, zoo getuigt hij, hadden overal groote verwoestingen aangericht. Onder andere voegt er de bevelhebber bij :  à Cuntich les rebelles ont été également battus hier soir.  Dus den 26 October, tegen den avond, was ook te Contich eene afdeeling volop handgemeen met de Republikeinen. Daags te voren, den 25, zoo vind ik in eenen brief van den Vrederechter Kennes aan Levêque, waren eenige honderden brigands Contich binnen gerukt. Zij hadden den vrijheidsboom uitgeworpen, de stormklok geluid, levensmiddelen gevergd en eenige burgers met geweld bij hunne korpsen ingelijfd. De gemeente was met plundering en vuur bedreigd.1Zie Archives Prov. d’Anvers, Insurrection an VII, no 182.

Eene Fransche afdeling dan, misschien van Antwerpen versch aangerukt, misschien behoorende tot de grenadiers, die Qaurteer tot Schelle hadden achtervolgd, heeft den 26 October te Contich de Jongens aangerand. Volgens Béguinot werden deze laatsten wederom verslagen. Te verwonderen is dit niet, vermits de Republikeinen van dien tijd, in hunne verslagen ten minste, niet anders konden of wilden dan zegepralen. Ongelukkiglijk vonden wij nergens eenig bescheid nopens dit gevecht van Contich, en wordt derhalve eene gestaafde terechtwijzing zeer moeilijk.

Werpen wij dan enkel in ‘t voorbijgaan eenen algemeenen blik op  de oorlogvoerende Jongens der gewesten, wier gebeurtenissen wij komen aan te stippen. Zij bezetteden bij tal Lier en Duffel, zij bdreigden aanhoudend Mechelen, zij betwistten aan hunne sterk uitgeruste vijanden de brug van Waelhem en het hoofdkwartier van Boom, en op den hoop toe, zij bezetteden Contich. Ook in deze laatste gemeente zien zij de aanrukkende Republikeinen in de oogen en wagen zij ook onbeschroomd den strijd. ‘t Zijn geene lafaards  oorwaar, die zoo onverschrokken het vijandelijk vuur zoeken en het zonder opgeven en overal hardnekkig trotseeren. Wat de  lotgevallen aangaat van Melchior Quarteer,  den opperbevelhebber der Jongens in het hoofdkwartier van Boom, tot ons innig spijt werd het ons niet gegund ze in onze opzoekingen volkomen te  achterhalen. Zeker is het althans, dat hij den Franschen wat meer spel heeft geleverd, dan de gewone verslagen ons te kennen geven, en dat zij er op verre na te Boom niet met ongedeerden huide zijn van af gekomen. Levêque  zelven hoorden wij hooger getuigen, dat de Jongens zoowel als de strijdbare Boomenaren, in die gemeente, eene echte moorderij in de rangen der Republikeinen hebben aangericht2Verdere opzoekingen, door ons gedaan, hebben ons hier genoodzaakt, de bestatiging van bladzijde 224, ime boekdeel, eenigszins te wijzigen ten voordeele der Jongens.

In een bulletijn van Castagnies, bevelhebber der zeemacht aan de monding van den Rupel, den 28 October te 7 uren ‘s avonds  gezonden aan Bourdon, agent van het Zeewezen te Antwerpen, lezen wij de volgende woorden :
Volgens een bijzonder verslag dat ik ontvangen heb, is Cartier  (Quarteer), generaal der  brigands, gesneuveld. 3Zie Archives Provinciales d’Anvers, Insurrection de l’an VII,. n. 194bis, Bulletin de Castagnies.

Lemercier, Commissaris te Berchem, gaf den 30sten October aan zijnen departementeelen kollega, Levêque, te Antwerpen, eenen gansch verschillenden uitleg over den dood van Quarteer. Hij schreef hem als volgt: Ik haast mij u te laten weten, dat het den 28 October zeer zeker scheen te zijn, dat de bevelhebber der brigands, Cartier (Quarteer) genoemd, door zijne  troepen was aangehouden en in de gevangenis gestoken, omdat hij hen had in den brand  gelaten en  met de oorlogskas was op de vlucht gegaan ; ook  omdat hij het schoonste paard der gemeente Schelle  op zijne vlucht had meegenomen. ‘s Anderendaags,  den 29 October, werd in de gemeente Hemixem als  volkomen zeker verteld, dat Cartier door zijne eigene  troepen en tot zijne straf was omver geschoten, in  uitvoering van een vonnis, door den krijgsraad der  brigands geveld.
‘t Is burger Prostier, de agent van Hemixem, die mij in zijn verslag dit nieuws komt mede te deelen.4Zie dezelfde plants, n. 215, lettre de Lemercier, Anvers le 9 Brumaire au Commissaire Central, Levéque.  

Zooals te zien is, de eerste inlichting over de lotgevallen van  Quarteer kwam den 28 October van Castagnies, die aan het hoofd stond van het eskader, dat in de nabijheid van Schelle op de Schelde had post gevat. Deze inlichting was ten voile bepaald ; Quarteer was gesneuveld of gedood. Men neme hier de bestendige  gemoedsgesteltenis van den krijgsoverste Castagnies in  aanmerking; zijne verslagen leveren er ons het treffend bewijs van. Nooit laat hij na, der innige verachting, die hij voor de Jongens  koestert, volle lucht te geven, en zelfs van de natuurlijkste omstandigheden, wanneer bij voorbeeld de Vaderlanders zich onmiddellijk v66r eene losbranding van kanonvuur plat ter aarde neerwerpen, om de lading te ontkomen, maakt hij oogenblikkelijk gebruik, om over hen zijnen smaad en zijnen gal te werpen.

Welnu, in de zaak van Quarteer bevatten zijne bulletijns geen enkel woord, om het eerlooze van het gedrag en van de dood des Aanvoerders te schandvlekken. Wij besluiten er uit en met volle recht, dat dit eerloze toen nog niet bestond, dat het in dien oogenblik nog niet was uitgevonden door de ijverende bedriegers.

In het Provinciaal Archief van Antwerpen, Insurrection de l’an VII, no 290, komen wij het proces-verbaal tegen, den 16 November 1798 te Willebroeck opgemaakt door den Municipalen Raad, over de ontgraving en lijkschouwing van Melchior Quarteer. De Commissaris Spiette voegt er een verslag bij over de veroordeeling en rechterlijke uitvoering van den Aanvoerder. Beide stukken werden op den aangehaalden dag aan het Middenbestuur van Antwerpen gezonden. Spiette bekrachtigt in dezelve de gezegden van den Commissaris Lemercier van Berchem en steunende op de getuigenis eener herbergswaardin van Willebroeck, verzekert hij dat Quarteer aldaar in den Arend door Rollier en Apers van Ruysbroeck werd veroordeeld en dat hij onmiddellijk daarna, te 11 uren ‘s avonds op de straat, rechtover de vaartkom, den kogel had ontvangen. Op den aangeduiden 16 November, is de Municipaliteit van Willebroeck tot de ontgraving en de lijkschouwing overgegaan van het slachtoffer, en volgens het verslag van Spiette, heeft zij het ontgraven lijk erkend, als zijnde dat van Melchior Quarteer.