Categorieën
Boerenkrijg oorlog

DE BOERENKRIJG TE BOOM

Welnu, wij moeten het hier vlakaf en in geweten verklaren, wij zijn innig overtuigd, dat er hier van den kant der Republikeinsche ambtenaren, én te Schelle aan de monding van den Rupel, én te Hemixem en Berchem, én te Willebroeck eindelijk, eene  schaamtelooze bedriegerij is op touw gezet. ‘t Is de eerste en laatste maal niet, dat de aanhangers van het Republikeinsch bestuur gepoogd hebben, onze Jongens, zoowel als hunne aanvoerders, van hunne eer te berooven en hunne gedachtenis, hoewel allen eerbied waardig, te bezoedelen door hunne lastertaal.

Wij zijn van gevoelen, dat de executie van Quarteer te Willebroeck door de Jongens, dat zijne veroordeeling aldaar door Rollier en Apers, volstrekt  onmogelijk zijn in het tijdstip, door de aangehaalde berichten der Republikeinen aangeduid. Waren deze betreurlijke feiten daar wezenlijk voltrokken, dan zeker hadden zij ten laatste, ten allerlaatste, moeten plaats grijpen in den avond van 27 October. ‘t Is immers gekend, dat Castagnies, op zijn afgelegen eskader, ‘s anderendaags, den 28 der maand, den dood van Quarteer getuigde; hij deed zulks zoo voegt hij er bij, volgens een verslag, dat hij ontvangen had. Welnu, op het aangeduide oogenblik, den 27 October, was Rollier niet te Willebroeck ; met den besten wil van de wereld kon hij er niet aanwezig  zijn, en daarbij de Republikeinen waren er tijdelijk meester.

Armand Panis, ‘Rollier te paard in Willebroek’, overgenomen uit: J. VAN OVERSTRAETEN, “Boeren in ‘t geweer” in Historische verhalen (www.breendonk800

Gelijk wij reeds gezegd hebben.  Willebroeck, in de onmiddellijke nabijheid van Boom gelegen, was betrekkelijk rustig tijdens de gevechten van het naburige hoofdkwartier en de Vaderlanders  bleven er meester tot op den 26 of 27 October. Toen en niet vroeger, veroverde Pradier Willebroeck. Doch een ander feit nog, een onbetwistbaar feit, dat wij zullen vaststellen en door bewijzen staven in den Oostvlaanderschen Boerenkrijg dient hier vermeld te worden. Dit feit alleen werpt gansch het trouweloos stelsel der Republikeinen, nopens den dood van Quarteer, omver.

Op het ogenblik dat Rollier zijnen kollega, den aanvoerder van Boom zou hebben moeten veroordeelen te Willebroeck, was de held van Klein-Brabant met zijne 3 of 4000 krijgers nog in de stad of in de onmiddellijke nabijheid van Dendermonde. Met die uitgebreide korpsen begon hij toen te wijken in de richting van Baesrode en van den Ouden Briel.  Den 26 October was hij  zeker en vast nog in de stad Dendermonde; laat in den avond van dien dag verliet hij de stad, na haar gedurende 5 dagen bezet te hebben met zijn leger.
‘s Anderendaags, den 27 October, werd de stad betrokken door eene Fransche kolom van Gent, ook door die van Lochet en Dallecourt. Deze drie vereenigde kolommen hebben met de wijkende korpsen van Rollier dien zelfden dag van 27 October nog volop geschermutseld in den omtrek. 1Een eerbiedwaardige vriend, wien wij om zijne aanmoedigende belangstelling en welwillende mededeelingen dank verschuldigd zijn en betuigen, de Heer Kanunnik J. Muyldermans, schonk ons onder andere ter inzage eene aflevering van « De Famillekring, 4de jaar, 1869, 7de deel, bij Van Moer, Mechelen. Het boekje bevat een Vaderlandsch Kronijk van 1780 tot 1812, oorspronkelijk opgesteld door eenen inwoner van Baesrode, bij Dendermonde gelegen. De Eerw. Heer Ed. Van Droogenbroeck had dit Kronijkje in een oud schrift gevonden en schonk het den lezers van « De Familiekring.» Het stuk, alhoewel zonder samenhang en enkel hier en daar eenige uitgekipte feiten verhalend, is echt historisch. Als men in andere, wat meer gevulde historische oorkonden den samenhang der voorvallen van den Boerenkrijg opzoekt en nagaat, ontwaart men aldra, dat de uitgekipte feiten, zooals zij in heu Kronijk voorkomen, waarlijk juist zijn en nauwkeurig.

De Eerwaarde Heer Van Droogenbroeck heeft er op het einde een Bijvoegsel aan gehecht, dat eenige krijgsfeiten, in Klein-Brabant voorgevallen, wat meer uitbreidt. Het Bijvoegsel ook heeft grootendeels en wat den grond der zaken aangaat, zijne historische waarde ; hier en daar nochtans is er, wat de aanvullende omstandigheden bijzonderlijk aangaat, in dat bijvoegsel wel iets of wat aan inbeelding toegegeven. Uit het Kronijk nu blijkt, dat de door Rollier bijeen geschaarde Vaderlanders van Klein Brabant, den 22 October uit St Amands langs Baesrode naar Dendermonde zijn getrokken, dat zij eenige dagen later, die stad verlatende, naar Klein-Brabant zijn weergekeerd. Het Archief van het Ministerie van Oorlog te Parijs bevestigt uitdrukkelijk deze getuigenis van het Kronijk. Volgens de oorkonden aldaar voorhanden, werd er van den 22 tot 27 October te Dendermonde op gansch bijzondere wijze geijverd voor de inrichting en uitrusting der oproerige scharen. Het geld (les guinées) van Engeland was er overvloedig voor handen, en nadat Rollier er 5 dagen lang verbleven had en zijne vijanden verdreven, moest hij den 26 October ‘s avonds wijken voor drie aanrukkende kolommen van Republikeinen. Eene dezer kolommen
kwam dien dag van Gent ; de tweede kwam van St. Niklaas, 
afgezonden door Laurent en gelukte er in zich te vereenigen met
de derde kolom, die van Lochet.

Deze laatste was reeds eenigen tijd belast met de herovering van Dendermonde; tot dan toe waren hare pogingen ijdel gebleven en reeds drie dagen lang was Lochet door Rollier volkomen afgesneden van alle gemeenschap  met Laurent, den opperbevelhebber, die te St. Niklaas verbleef. Deze afsnijding had bij de Fransche krijgsoversten, tot  in het hoofdkwartier van Brugge toc, kickenvleesch op het vel
doen komen. Zie voor al de feiten, in het tegenwoordige verhaal
voorkomende, Ministère de la Guerre, Paris, Archives historiques,
Armée d’Angleterre, chemise du 26 Octobre 1798, Bonnard
au ministre de la Guerre le 5 Brumaire an VII — Chemise
du 27 Octobre, Bonnard au ministre de la Guerre le 6 Brumaire — Chemise du 28 Octobre, Bonnard au ministre de la Guerre le 7 Brumaire. In de « Guerre des Paysans» van Orts wordt ook uitdrukkelijk vermeld bl. 117, dat het Rollier was, die aan ‘t hoofd der Brabantsche Jongens, den r Brumaire, 22 October, de stad Dendermonde betrok, er verbleef, gelijk wij komen te bewijzen, tot
den 27 October en op dezen laatsten dag, ten einde toe, in de
onmiddellijke nabijheid vocht met de republikeinsche kolommen.
Zonder het bovennatuurlijk charisma der bilocatie, dat de toenmalige republikeinen moeilijk zullen aannemen, wordt Rollier’s
aanwezigheid te Willebroeck den 26 of 27 October volstrekt onmogelijk en tot onze innige voldoening, houden wij hier de goddelooze lasteraars in hunne eigene klem gevangen.
Het waren de Fransche hulptroepen, drie duizend man sterk en  bijzonder voor Vlaanderen bestemd, den 26 October uit Holland te Antwerpen aangekomen, die Rollier hebben genoodzaakt met zijne korpsen te wijken van Dendermonde.  Hoe wil men nu denzelfden Rollier den 26 of 27 October te Willebroeck de zaak van Quarteer doen onderzoeken? Hoe wil men hem aldaar eenen krijgsraad doen houden en het vonnis uitvoeren? Het onmogelijke dezer bewering springt volkomen in het oog.  Gelijk wij dan terecht hebben  bestatigd, Rollier was niet te Willebroeck en kon er niet aanwezig zijn den 26 of 27 October, alleruitersten dag, die voor de  zoogezegde veroordeeling en executie van Quarteer aangeduid kan worden. Er ligt jets geheimzinnigs, in de  omstandigheden der dood van den kloeken aanvoerder. Als Castagnies haar den 28 October voor de eerste maal aankondigt, dan doet hij zulks in korte woorden en zonder de minste bemerking, die te kennen geeft dat die dood eerloos is geweest.

Waaraan is het toe te schrijven dat de overste van het eskader een der eersten onderricht werd van de dood van Quarteer, haar de  eerste van allen heeft bekend gemaakt? Hieraan, volgens ons, dat hij met de zeemacht aan de monding van den Rupel, tegen het gewest van Schelle post had gevat. Waarschijnlijk is in dit laatste gewest de laster tegen het slachtoffer, gedeeltelijk ten minste, uitgevonden.

Één der beschuldigingen was, dat Quarteer het schoonste paard van Schelle gestolen had en op zijne vlucht meegenomen. De aard dezer beschuldiging geeft genoegzaam te kennen, dat zij van het aangeduide gewest, van nergens anders kwam. En indien der aangehaalde beschuldiging van Schelle oorspronkelijk is, dan zullen de andere aantijgingen, het verraad en de legerkas betreffende, ook wel van daar herkomstig wezen. Er huisden aldaar ijverende verraders der vaderlandsche zaak; de Provinciale Archieven van Antwerpen bevatten verscheidene brieven, die dit feit  ontegensprekelijk bewijzen. Doch genoeg hiervan. De namen der echte daders in het geheimzinnig drama van Quarteer zullen waarschijnlijk te allen tijde onbekend blijven.

Wat in deze zaak onze achterdocht nog opwekt, het is de bescheidenheid der Republikeinen en Republikeinsgezinden, in het aankondigen der onverwachte dood. Weinig, zeer weinig uiten zij zich over dit feit, dat nochtans onder alle opzichten aanzienlijk was, in gewone omstandigheden met algemeene en uitbundige zegekreten zou begroet zijn geweest, en waarvan al de omstandigheden te allen kante met vreugde zouden verkondigd zijn geworden. Niets van dit alles zien wij hier gebeuren. Men is als beschaamd, het voorval uit te bazuinen, en omtrent zo dagen naderhand, den 16 November, moest er nog te Willebroeck, waar Quarteer’s  doode lichaam begraven was, eene ontgraving en lijkschouwing plaats grijpen, enkel om het Middenbestuur van Antwerpen te overtuigen, dat de brigandsoverste wel wezenlijk dood was. Zoo karig en zoo gebrekkelijk waren de inlichtingen, door de ingewijden geleverd, over de merkwaardige gebeurtenis!

Misschien hebben zij de wroegende stem van het geweten niet teenemaal kunnen verdooven ; in alle geval -hebben zij met reden  gevreesd, dat de openbare denkwijze het gepleegde naar verdienste zou schandvlekken, mocht het gekend worden. Daar en daar alleen vinden wij eenen uitleg voor de schuchtere houdingen voor het betrekkelijk stilzwijgen der Republikeinen van dien tijd en van dit gewest in de belangvolle, doch duistere zaak die wij hier eenigszins trachtten op te helderen.  Doch verder nog willen wij gaan en de geheimzinnige dood van Melchior Quarteer nader toelichten. Wij aanzien zulks als eene plicht, na de zaak met al hare omstandigheden zoo zorgvuldig mogelijk onderzocht, zoo rijpelijk, als wij vermochten, overwogen te hebben. Wij hebben het verhaal van den Boerenkrijg gewis niet ondernomen om loutere gissingen als historische aanteekeningen  aan den dag te brengen. In dit opzicht, wij durven het verhopen, zal de lezer niet heel gemakkelijk ons een gegrond verwijt toesturen. Doch wat de geheimzinnige dood van Quarteer aangaat, in deze zaak en in haar alleen, voelen wij ons genoodzaakt eene gissing voor te brengen, eene echt  gegronde gissing, die bij ons gelijk staat met eene wezenlijke zekerheid.

Hoe mag dan toch de vermaarde aanvoerder aan zijn einde zijn gekomen? Eerst en vooral, wij meenen het te hebben bewezen, hij is door Rollier te Willebroeck noch geoordeeld, noch veroordeeld en hij heeft aldaar evenmin eene geweldige dood ondergaan. Wie iets  of wat kennis heeft gemaakt met de historische oorkonden van den beroerden tijd, zal ook niet aannemen, dat Quarteer in de aanhoudende gevechten van den 25 0ctober, of in die der volgende dagen te Boom of te Schelle gesneuveld zij. Was zulks het geval geweest, dan zou de lucht vervuld zijn geworden met de zegekreten der Republikeinen, der generaals bijzonderlijk, die, naar bestendige gewoonte, zouden gejubeld hebben, daar hunne zoo vermogende krijgers den bevelhebber der brigands zelven hadden neergeveld!

Wanneer Corbeels, Meulemans en Constant van Roux-Miroir werden gevangen genomen, wanneer men in de weiden van Diest het lijk vond van Theodoor Van Dyck, dan komen wij herhaalde bestatigingen, zegepralende grootspraken tegen over die feiten. Hier is niets van dit alles; Béguinot, Bonnard, Colaud, het Departementeel  Bestuur, die allen over de zaak van Boom spreken, zij reppen geen woord over de dood van Quarteer. Bijgevolg, noch in een gevecht, noch door toedoen van Fransche krijgers op het slagveld, is de aanvoerder gevallen.

Er blijft dan enkel over, dat hij omgekomen zij den 26 of 27 October, buiten de gevechten. ‘s Anderendaags, gelijk wij gezien hebben, den 28 October, was zijne dood bekend. Waar heeft zij plaats gehad? Waarschijnlijk te Willebroeck, vermits het zeker is, dat het doode lichaam aldaar is begraven. ‘t Is waar, al de aangehaalde  omstandigheden zeggen ons, dat hij met zijne Jongens van Boom geweken is naar den hoek door de Schelde en den Rupel gevormd. Hij was herkomstig van dit oord en daarbij de Republikeinen hadden uitdrukkelijk order, het wijken der Vaderlanders langs dien kant te bewerken, waar Castagnies zou bereid wezen, hen te verwelkomen met zijne kanonnen. Doch Quarteer, na Schelle te hebben bereikt, trok even als nog andere vaderlandsche korpsen, den Rupel over en snelde te paard, gelijk het eerroovend verhaal van Commissaris Lemercier van Berchem te kennen geeft, over Wintham naar Willebroeck. Hij wilde er de vaderlandsche strijders inhalen en met hen overleggen, wat er te doen  stond.