Categorieën
Economie Openbaar vervoer

BIJDRAGEN TOT DE GESCHIEDENIS VAN HET SPOORWEGVERKEER TE BOOM

III De spoorontsluiting van Boom

1. De Société Veuve Van Enschodt (1845): Duffel – Temse

Op 9 juli 1845 vraagt de weduwe Van Enschodt aan het gemeentebestuur van Boom steun voor haar concessieaanvraag voor een “Yzeren Spoor-Baen en Stoombootvaert van Duffel naer Temsche”. De bedoeling van de lijn zou zijn om goederen en personen naar het station van Duffel te brengen om daar over te kunnen stappen op de trein naar Brussel. In Schelle, net voor de abdij van Hemiksem, zou de stoomboot aanmeren en konden de mensen er op de trein stappen. Vanuit Boom wilde de Antwerpse maatschappij van de weduwe Van Enschodt een zijlijn naar Dendermonde aanleggen. Hiervoor zou er een brug over de Rupel aangelegd moeten worden.

Nog dezelfde maand, op 26 juli, bleek een aanpassing nodig: de trein diende immers in Mechelen aan te komen en niet te Duffel, terwijl een aanlegsteiger én station in Hemiksem ook voordeliger leek. Op 4 augustus 1845 reageerden de Boomse pannen- & steenfabrikanten Lamot, Van Reeth, Spillemaeckers en Verstrepen tegen deze aanvraag die door hun steenaardeputten zou lopen en de goede werking van hun bedrijven zou hinderen, waardoor de tewerkstelling van een 5.000 mensen, tweeduizend werklieden “en dat de vrouwen en kinderen er ook voordeelig gebezigd worden” in het gedrang zou komen, aldus hun redenering.

Dezelfde maatschappij richtte  in 1853 een tolbrug in tussen Boom en Klein-Willebroek die in 1945 werd gesloopt. Het plan van deze brug bevindt zich in het archief van Ten Boome                               (V-0423)

Het bleef enkele maanden rustig. Op 23 februari 1846 bepleitte het gemeentebestuur van Willebroek bij de collega’s van Boom om de verbinding Boom-Antwerpen-Düsseldorf niet in Boom te laten stoppen, maar dat “il est indispensable de le continuer vers Termonde en travers le canton industriel et commercial de Puers”. Alle gemeentebesturen van het kanton steunden deze vraag, die ze op 20 februari 1846 ook als petitie aan de minister van Openbare Werken hadden opgestuurd. De Boomse steenbakkers roken onheil en op 6 maart 1846 ondertekenden ze allen een petitie tegen de treinplannen.

Het stedelijk particularisme zorgde daarnaast ook voor enige opschudding. Dendermonde ageerde tegen de plannen van Aalst om een spoorlijn Brussel- Gent over Aalst te laten lopen en vroeg in hun strijd de steun van het Boomse gemeentebestuur. Mechelen ageerde niet alleen tegen dat traject, maar ook tegen een directe lijn Brussel-Leuven. Een trajectverlenging naar Lier werd verdedigd en werd door de weduwe Van Enschodt op 30 mei 1846 ook toegegeven omdat dit noodzakelijk geworden was nadat graaf Vanderstegen de Putte een concessie had aangevraagd voor een lijn Temse&Zeeland via Sint-Niklaas. De veranderingen bleven aanslepen en op 24 juni 1853 werd door de Société Veuve Van Enschodt een concessie voor een spoorweg Mechelen-Schelle via Boom aangevraagd.

2) Antwerpen – Dendermonde – Denderleeuw (1856-1863)

Na 1853 werd het concessieplan nog enkele keren bovengehaald. Op 28 januari 1856 was er een aanvraag voor een lijn Antwerpen-Dendermonde, via Boom, Niel, Schelle, Hemiksem en Hoboken. In Boom zou er een zijspoor naar Kontich aangelegd worden, zodat men van daar de link naar Lier, Herentals en Turnhout zou kunnen leggen.

In 1858 werd de concessieaanvraag van 1853 opnieuw gelanceerd. Pas in 1862 kwam er terug leven in de grote spoorlijnplannen. Op 29 augustus vroeg het gemeentebestuur van Asse de steun van het Boomse college om de spoorlijn Antwerpen-Denderleeuw via Boom en Asse te laten lopen. De link naar het Franse Douai en naar Lier zorgde de volgende jaren nog voor de nodige briefwisseling. Op 31 juli 1862 had het Boomse gemeentebestuur in ieder geval een aansluiting met het station van Kontich bepleit, om zo naar de Kempen te kunnen. De spoorwegmicrobe was in Boom duidelijk aangewakkerd door de concessieaanvraag van de spoorlijn Mechelen-Terneuzen in 1861. Op 20 februari 1862 vroeg het Boomse gemeentebestuur aan de minister van Openbare Werken of men de draagkracht van de Rupelbrug mocht testen om de spoorweg Mechelen-Terneuzen eventueel vanop de rechter Rupeloever te kunnen laten vertrekken.