Categorieën
Economie Openbaar vervoer

BIJDRAGEN TOT DE GESCHIEDENIS VAN HET SPOORWEGVERKEER TE BOOM

IV De tramontsluiting van Boom

I.Voorlopers (1872-1873)

Reeds voor de wet op de tramwegen van 1875 waren er reeds snelle jongens die via de Chemin de fer Américain, een paardentram, niet alleen de stad maar ook het platteland wilden ontsluiten. Zo diende de Elsense ondernemers C., L. & 0. Vander Elst & Cie in 1872 een aanvraag in om met hun Tramways mixtes de la Campine een lijnstuk Anderlecht-Antwerpen uit te bouwen met een speciale aansluiting op de steenbakkerijen van Hemiksem, Niel, Boom en Rumst.

In 1873-1874 ijverde de Antwerpse aannemer A.. Dufrane-Macart & Cie, in associatie met ijzerhandelaar T. Galler, om met hun Tramway d’Anvers à Boom de nodige toelatingen te bekomen. De vraag werd op 26 april 1873 gesteld en zowel het Boomse gemeentebestuur, op 13 juni 1873, als het provinciebestuur, op 19 november 1873, waren akkoord met de plannen.

De aanvragers verwachtten veel van hun onderneming. Zo wilden ze de gemeenten vlotter naar de kantonhoofdplaats en het grote spoor brengen. Belangrijk vonden ze de lage investeringsnood; men zou toekomen met 30.000 frank per kilometer omdat het spoor op de weg zou aangelegd worden, zodat er geen aankoop van grond diende te gebeuren, en er geen terraswerken noch kunstwerken zouden moeten uitgevoerd worden. De provinciale weg Boom-Antwerpen leek hen dan ook ideaal. Daarnaast zou het de tolbarriëres laten verdwijnen. Om het vervoer aan te trekken zou men werken met speciale pendeltreinen voor arbeiders en scholieren. Beide groepen zouden tevens een sterke reductie krijgen. De lijn zou ook de handel kunnen stimuleren en voor het militair depot te Hemiksem werd het als de ideaaloplossing gezien voor de officieren. Die zouden met deze lijn immers in Antwerpen kunnen gaan wonen en leven “volgens hun stand”. Ondanks alle mooie vooruitzichten kregen Galler en Dufrane niet het benodigde kapitaal bij elkaar.

2. De Stoomtram

In 1885 voorzag het provinciebestuur enkele tramlijnen in de regio Mechelen. Op 16 november werden de gemeentebesturen van Boom, Duffel, Terhagen, Rumst, Waalhem, Ste-CatharinaWaver en Onze-Lieve-Vrouw-Waver uitgenodigd om een vergadering bij te wonen. Uiteindelijk kwam men tot een lijnstuk Antwerpen-Boom-Mechelen-Duffel-Lier, dat vanaf 1889 zijn diensten zou aanbieden.

Boom speelde ook mee en diende 70.000 frank te onderschrijven. Die lening liep over negentig jaar en diende elk jaar afgelost te worden met 2.345 frank. Van dit bedrag werd de winstaandeel afgetrokken. Voor het werkjaar 1910 bedroeg de winst 1.992 frank, zodat er nog 353 frank diende opgelegd te worden. De lijnstukken werden uitgebaat door de Kempische Stoomtrammaatschappij met zetel in Heist-op-den-Berg.

1959- De tram in de Kapelstraat met elektrische aandrijving. (Fotoarchief Boom 00077)

Bronnen

Archieven

Rijksarchief Antwerpen, Modern Archief Boom nr. 3390, Spoorwegen 1845-1886 nr. 3389, Buurtspoorwegen

Literatuur

B. Blondé. “Steenwegen, transportkosten, tijdsbesef, economische ontwikkeling en verkeerscongestie in de eeuw van de Verlichting. Het voorbeeld van de Brabantse steenwegen”,

Tijdschrift voor Ecologische Geschiedenis, 11/1 (1997) p. 18-26

L. De Bondt & Ph. Callaert, Leireken. De Geschiedenis van Lijn 61. – Aalst-Antwerpen-Zuid over Opwijk, Londerzeel, Willebroek en Boom (Steenhuffel, 1996)

F. Keersmaekers, -Van diligence naar autobus. De Antwerpse provincieraad en het openbaar vervoer”, Ons Heem, 46/2 (1992) p. 67-77

G. Vandegoor, Het kanaal Leuven-Mechelen in heden en verleden (1750-2000) (Haacht, 1998)