Categorieën
Artikels jaarboeken legendes

DE TRONKENMANSWEG

Maar ‘t ergste van al: haar vadertje, die daar veel verdriet in had, was nu dikwijls bedronken, hij deed zijn boswachterswerk niet goed meer, hij werd afgezet en kreeg houthakkerswerk, bomen vellen en zo. Jullie overgrootvader werd tot woudmeester, zal ik maar zeggen, over hem aangesteld, maar Pierejan wou zijn geweer niet inleveren en overgrootvader wist, dat hij soms stroopte.

– Stropen ? Wild schieten of vangen zonder toelating. Daarvan wist Antje natuurlijk niets, ze was nog veel te klein en de kostbaarste schat van haar vadertje, ook al omdat ze meer en meer op haar gestorven moedertje ging lijken, maar haar haar was lichter blond en haar ogen blauw gelijk het bloempje ereprijs, dat jullie goed kennen.
Nooit ging hij naar de stad of hij bracht iets moois of iets lekkers voor haar mee. Ook nam hij haar wel naar zijn werk mee in ‘t bos; hij droeg de bijl, een zaag en touwen op zijn schouders en zij mocht de boterhammen en de koffie dragen, als het niet te ver was. Dan aten ze bij de Tronkenman en als het regende kon ze daar ook schuilen in de grote overjas van haar vader, met de kap over haar hoofdje. Dit was prettig en je kreeg wel eens bezoek van een eekhoorn of van een specht met blauw en rosrood, die met de kop omlaag van de stammen afloopt alsof ze aan de bomen kleefde.

Bang was ze nooit, was ze niet een kind van het bos? Wonderlijke dingen die je daar zien kunt. Onder de hoge beuken groeien de groene kussens van het lantaarntjesmos en het zuurklavertje heeft er slaapblaadjes, die hangen ‘s avonds slap omlaag, en zijn bloempjes zijn lijk kleine porseleinen bekertjes. Hebben jullie al rode kniptorren gezien? Tik tak, tik tak, hoe laat is ‘t?

Jonge steenuiltjes wonen soms in konijnenpijpen op een steile kant en maken een vreemd gesuis, zodat je eerst niet weet vanwaar het komt. “Uzie, uzie, uzie!” zeggen ze, “bij ons is ‘t altijd ruzie!” haar vadertje kon zó fluiten, dat de bosmuizekens en hagedissen ‘s zomers uit hun onderaardse woongangen kwamen, en ais hij op een kanadablad tussen zijn twee duimen blies, kwamen de witte roofvogeljongen over de rand van hun hoog  nest naar beneden kijken.

Grotemoe deed het kleine huishouden, ze was bijna doof en kon maar gaan met een stoel, die ze altijd voor zich uit schoof. Dat had je moeten zien! Ze zegde dat ze daarmee ronddanste. Ze hadden ze nooit anders gekend. Ver moest ze nooit niet gaan, het huisje was klein en naar de kerk was ze sedert lang niet meer geweest. Antje had nog een tante die op het kasteel diende, Tante Amelie, zuster van haar vader, en daar had ze nog een vriendje, de juffrouw van het
kasteel, die freule Yvette heette. Grotemoe zegde, dat die dikwijls in een vreemd land woonde, om te schilderen, maar altijd naar ‘t kasteel terugkwam en dan duurde het niet lang of Antje zag haar voorbijrijden op een paard. Eens, vóór de deur, had ze Antje vóór zich in ‘t zadel getild. Oei! ze was bang, zo hoog op dat groot beest! Freule Yvette had ze dadelijk weer op grotemoe’s schuifstoel gezet en Antje sprong snel op de grond, zodat het paard omkeek met
zijn mooie ogen, en zijn blinkende teugels schudde.

– Het verhaal? We zijn er, we moeten toch eerst de mensen kennen. Maar het was in die strenge winter, waarvan de lieden nog lang navertelden. Brandhout groeide daar genoeg; sparrenhout ruikt fijn, beuk en berk geven veel warmte. Daags vóór Kerstmis lag de sneeuw zó dik; ‘t was helder weer, zo blauwachtig en bijna helemaal stil in die afgelegen boskanten.