Categorieën
Artikels jaarboeken legendes

DE TRONKENMANSWEG

Alleen de kraaien krasten van de kou; mezekens geraakten moeilijk aan de kost, al dragen ze zo een fijn kleed en ze kwetterden om van Antje broodkruimeltjes te krijgen: wisperdewisp!

Grotemoe was niet wel te pas, maar dat zegde ze nogal dikwijls. Ze had een mooie kerstprent aan de muur gehangen, elk jaar dezelfde; die beeldekens moesten eigenlijk op karton geplakt en uitgesneden worden, je kent dat. Grotemoe prikte het blad elk jaar met spelden aan de muur en zette er een vetlichtje voor, dat is een glazen potje met olie in, waarop een brandend wiekje ronddrijft. Dit gaf een wemelend schijnsel op de figuurtjes en op het blozend engeltje dat uit een nieuwjaarsbrief gesneden was.

Vadertje was weggegaan, hij moest nog hout halen, zei hij, maar grotemoe wist wel beter. Vóór dat hij achter buiten was, verborg hij een in tweeën geplooid geweer onder zijn winterjas en trok door ‘t bos naar Tervuren, naar de herberg. Op zijn terugweg, als de volle maan op de sneeuw scheen en er zeker geen wachter omtrent was, zou hij eens uitkijken en misschien zijn vinger kunnen krom maken, zo paf! Misschien wel voor een ree, er kwam er dikwijls een paar rond de Tronkenman, waar onder de sneeuw altijd nog wat hooi en dorre bladen te vinden was.

Antje had zich al een tijd met schone sparrenkegels geamuseerd, toen ze opkeek omdat grotemoe plotseling wakker scheen te  worden in haar zetel; haar ogen stonden strak en waterig; haar één hand wuifde met schokjes over de leuning, haar kin ging op en neer, ze scheen telkens iets te willen zeggen, maar Antje verstond haar niet. Toen hoorde ze in de verte gerinkel van belletjes en wist dadelijk wat het was. Ze liep buiten aan de weg en daar kwam de slede van het kasteel aangeschoven.

Een grijs paard met lichte vlekjes en dat ze appelschimmel noemen, liep vooraan met blinkende knopen en schelletjes aan zijn krakend gareel. De slee had de vorm van een zwaan, met drie kleine klokjes op zijn kuif. Vooraan zat Sander de koetsier met een deken op zijn knieën; achter hem freule Yvette, ais een gelukbrengende fee, in een kostelijke pelsmantel, en haar handen in een warme poezemof.

Ze lachte op Antje en liet stilhouden. “Pas op, kind, voor de kou!
‘t Zal goed doorvriezen deze nacht.” Ze nam haar op haar schoot – ach ja, dat zou deze nacht nog eens gebeuren – ze rook fijn en dat bont was zo poezelig zacht. “Jij  gaat niet mee naar de nachtmis, hé? Te vroeg nog, te ver en te koud. Wij moeten het kerststalletje nog wat bijschilderen. Overmorgen neem ik je mee om te zien. En kijk eens hier wat ik meegebracht heb!”

Ze haalde van tussen de dozen met glazen bollen en engelenhaar een pakje te voorschijn: wantjes, aan een tint om over de hals te hangen. Die deed ze Antje aan, warme rode wollen wantjes, met een geel bloempje erop gestikt. “Loop nu maar rap binnen, laat ze eens zien aan grotemoe. Hoe gaat het met haar?” vroeg ze nog, terwijl de belletjes al rinkelden, het gespan snel over de sneeuw gleed en links wegdraaide naar de verre kerk toe.

De winterzon was al ondergegaan; gene kant van de hemel stond, achter de wirwar van de takken, zo schoon in paars en goud, jullie zouden blij geweest zijn dit te mogen zien.