Categorieën
Artikels jaarboeken legendes

DE TRONKENMANSWEG

Misschien monniken en paters uit de verdwenen kloosters, uit het Kapucijnenbos, uit Rodendaal en Groenendaal. De Keizersbron geeft lichtend water, en ais je goed luistert hoor je het klokje luiden van het verzonken kerkje in de bevroren Klabolsenvijver. Maar, zie ik goed, ik meende… Als iemand op Kerstnacht sterft, komt er een engel hem halen, opdat hij er nog bij zou zijn als daarboven het feest begint; de engel van de verlossing, wie hem in de ogen kijkt, herkent hem als een vriend van oudsher, laat alles aan God over en is voor altijd tevreden.

Intussen is Antje met veel moeite tot bij de Tronkenman gesukkeld, zakt druilend op de beukestam die daar ligt en beweegt niet meer. Slapen, slapen! Ze voelt geen kou meer, maar wel grote vaak en dat is gevaarlijk, want wie in deze krakende vorst insluimert, vriest dood. Zie-zie-zie fluistert de onzichtbare wind en zift wat sneeuwpoeder ais diamantstof over de bruine jas… Zo ver is ‘t nu. Alleen nog Janneke Maan zeilt daar, boven het groot bos, langzaam naar de andere oever. Zien jullie aan gene kant die schaduwen nader komen? Drie reeën! Zie je de damp van hun adem? Hun dunne pootjes zakken soms door de sneeuw; hun grote oren staan recht naar het fijn gesiep van de ijle wind; ze snuffelen met hun zwartfluwelen neus voorzichtig de lucht op; misschien hebben ze allang geroken dat er een mens in de nabijheid is. Maar de honger doet ze de schuchterheid vergeten; en er verroert immers niets? Antje is aan ‘t doodvriezen.

Ik zeg, dat daar op Kerstnacht alles kan gebeuren. De bovenste dorre tak van de Tronkenman wuift nauwelijks tegen de maanhemel, en floep! daar zit opeens de oude bosuil Loekoefoe. Die kennen we al. – Wat? Of alle uilen stoute vogels zijn?  Neen, zeker niet; maar ieder zal wel zijn karakter hebben, lijk bij de mensen… Deze is een treurige zwartkijker,  die altijd ongelukken voorzegt, allemaal leugens en valse profetieën. Zijn pinkende ogen liggen dicht bijeen in zijn dikke kop, die hij helemaal kan omdraaien; zijn baardpluimpjes bewegen altijd, alsof hij kwade toverwoorden aan ‘t opzeggen was. Hij zet zijn veren overeind en ‘t is net of ik hem hoor spreken tegen de maan: “Koud, koud, mijn oorpluimpjes zijn al rats afgevroren!”

Jullie weten wel dat bosuilen nooit geen oorpluimpjes gehad hebben, zeker? “Chocko chooi! Dat is nu de laatste nacht, het einde van de wereld, zoals ik altijd voorzegd heb.  Nacht en sneeuw, van het Lathouwersgat in het oosten tot de Hazenberg in het westen.

De zon is uitgedoofd, geen lente meer over de bossen, geen meiklokjes meer, noch wilde aardbeien, noch ijsvogelvlinders op de bloeiende bramen. Amen en uit! “En,” zegt hij, “wat onder de sneeuw slaapt, wordt nooit meer wakker. Ik hoor de boomstammen al met een knal openbarsten van onder tot boven. En ik zie een man over de sneeuw komen, met een geweer en hij schiet, hij schiet! Chocho en chocho chooi!” Weg is hij, de tak wuift weer vóór het maangezicht en nu begin ik zelf al te twijfelen, hebben jullie ook die ongeluksvogel werkelijk gezien?

Wie komt daar langs de holle Wolvenweg uit Tervuren aangestrompeld? Als dat Pierejan niet is, Antjes vader! Hij is  dronken, zijn hoed over zijn oren, zijn kop tussen zijn schouders, zijn handen diep in zijn zakken, zo slingert hij wat door de sneeuw en zijn  schaduw schuift aan zijn hielen mee. Naar huis wil hij, maar hij vergeet niet wat hij nog van zins was.