Categorieën
Posterijen

POSTGESCHIEDENIS VAN BOOM

Na het verschijnen van de eerste postzegel in België op 1 juli 1849 moesten we nog meer dan twee decennia wachten op deze eerste postkaart. Op 17 september 1870 gaf de directeur van de post A. Michaux zijn voorkeur voor het gebruik van de postkaart toe na vele moeilijkheden en klachten van het publiek. Zij werd volledig gedrukt in één kleur met zegelwaarde van 5 centiem in het binnenland, kleur van het karton is geel zoals heden, maar deze kleur was ook al in andere landen in gebruik o.a. Duitsland en Engeland.

De eerste Belgische postwet van 01.01.1836

Op 20 augustus werd dan het “Reglement voor de landelijke postdienst” door de minister van financiën ondertekend en kon deze in België definitief van start gaan. De bedoeling was;” een regelmatige postdienst voor alle gemeenten van het koninkrijk”. Het reglement van de landelijke postdienst telt 56 artikelen en vermeldt o.a. dat de briefwisseling “ten huize” zal worden besteld en opgehaald in alle gemeenten van het land. De wet voorzag ook in elke gemeenten waar geen postkantoor was, een brievenbus moest worden geplaatst, gewoonlijk was dat in de dorpskern meer bepaald aan het gemeentehuis.

In het begin werden de brieven in landelijke gemeenten om de twee dagen opgehaald en in een latere periode dagelijks. De posttarieven werden berekend volgens de afstand tussen het ontvangstkantoor van vertrek en aankomst enerzijds en het gewicht van de brief. Naast deze progressieve porten werd een vast recht van één deciem, de landelijke deciem, geheven op alle brieven verzonden uit of ter bestemming van een gemeente waar geen postkantoor bestond. Op deze brieven werd de stempel SR (service rural) geslagen door het postkantoor van vertrek.

Brieven verzonden uit of ter bestemming van een gemeente zonder postkantoor, maar welke het “arrondissement” van een directie of ontvangstkantoor niet verlieten, waren vrijgesteld van de landelijk deciem. Op deze brieven werd de stempel CA aangebracht. (correspondance d’arrondissement).

Het aantal postronden in 1840 bedroeg 400 en in 1890 ongeveer 1.800. Het “réglement général” van 1845 vermeldt de kledij van de brievendrager: een kleine mantel met kap in koningsblauw, vallend tot op de knieën, gesloten door 9 knopen, broek in dezelfde kleur en zwarte das. De landelijke briefdrager die de brieven van de stad naar de omliggende gemeente moest brengen, droeg een kokarde opgespeld op zijn vest, dit identificatie plaatje was in koper en vermeldt “administration des postes”.

Afbeelding: Bijdragen tot de geschiedenis van de landelijke post van het postarrondissement Mechelen 1836-1855 (Piet Van San 1998)

Voor hun veiligheid hadden de landelijke briefdragers een gaffel bij (vork) zij werd gebruikt om wilde honden en ander gedierte van zich af te houden en ze hadden ook een brieventas of ransel bij. Het reglement vermeldt verder, dat de postbode een hoorn bij zich had om zijn komst aan te kondigen aan postinstellingen en om andere voertuigen te verwittigen om doorgang te verlenen.