Categorieën
Artikels jaarboeken

DE OVERSTROMING VAN 12 MAART 1906

Wie van deze slachtoffers een schadevergoeding heeft ontvangen is in het dossier van de overstroming niet te vinden. Feit is wel dat er op zondag 25 maart een groot feest werd georganiseerd ten voordele van de getroffen huisgezinnen. Dit is op te maken uit een brief die op 23 maart naar de burgemeester werd verstuurd. De afzenders waren de werkliedenpartij van Willebroek. Ook in Willebroek had de overstroming ellende veroorzaakt.

De werkliedenpartij, welke hun lokaal gevestigd was op de Veert nr.1, nam het initiatief om kaarten te verkopen ten voordele van de Willebroekse slachtoffers. Zo hoopten zij kaarten te kunnen verkopen in Boom, tijdens het feest. Om hiervoor toelating te verkrijgen schreven ze een brief naar de Boomse burgemeester. Die antwoordde echter negatief. De reden is niet bekend. De brief luidde als volgt:

Willebroeck, 23 maart 1906.

Waarde Heere Burgemeester te Boom.

Wil uwe medewerking verleenen tot ondersteuning onzer overstroomde medeburgers. Ik vraag u enkel de toelating om kaarten te mogen verkoopen aanstaande zondag te Boom, kaarten van 25 centiemen. Daar in uw gemeente een grootsch feest ingericht wordt voor dien dag, hopen wij inrichters voor deze liefdadigheid, een bijzonder gul onthaal te mogen ontvangen. U op voorhand dankende, Mijnheer, bied ik u mijne achtingsvolle groeten.

Namens de werkliedenpartij

Het uitvoerend komiteit

Het antwoord op hun vraag zal wel uitgebreider geweest zijn dan datgene wat in het dossier van de overstroming te vinden is.

Burgemeester Van Reeth Emile (°Boom 1842 +Boom 1923)

Van het “Bestuur der provincie Antwerpen” ontving het gemeentebestuur van Boom op 29 juni 1906 een brief waarin het bedrag werd vermeld dat ter beschikking was gesteld voor de overstroomde gemeenten. De voorwaarden tot uitbetaling van de schadevergoeding werden hierin uitvoerig beschreven. De brief kreeg als referentie “griffie, nr.70” mee.

Aan het gemeentebestuur van Boom

Mijheeren,

De wet van 28 mei 1906(Staatsblad van 30 mei) heeft ter beschikking van het Staatsbestuur een krediet van fr. 750.000 gesteld, bestemd tot het verleenen van buitengewone toelagen aan de gemeenten door de overstroomingen geteisterd.

Een gedeelte van dit krediet heeft ten doel de beproefde huisgezinnen te helpen om hunnen vakarbeid te hernemen.

Ten einde eene rechtvaardige en gewetensvolle verdeeling dier som te verzekeren, heb ik de eer u onder dezen omslag een aantal inlichtingsstaten te sturen, die ik u verzoek, op uitnoodiging van den Heer Minister van Landbouw, zeer nauwkeurig te willen invullen voor de belanghebbende inwoners uwer gemeente, en ze zoo spoedig mogelijk weder te zenden, bekleed met echtverklaring en advies.

Ik moet uwe aandacht vestigen, Mijnheeren, op de volgende belangrijke punten, die bij het opmaken dezer staten dienen in aanmerking genomen te worden:

1) Volgens de wet is deze toelage uitsluitend bestemd om de door de overstroomingen geteisterde huisgezinnen in het hernemen van hunnen vakarbeid te helpen.

2) men moet dus bij de schatting der gevallen wel rekening houden van het inzicht des wetgevers, die voor doel had, niet de belanghebbenden voor al hunne verliezen schadeloos te stellen, maar hen te helpen tot het hervatten van hunnen vakarbeid. Het verlies door de overstrooming geleden is de grondslag der toekenning van toelage, maar deze mag niet in al de gevallen verleend worden waar er bestatigde schade is, zoo min als zij mag geschat worden naar de uitgestrektheid der geleden schade. Zij is uitsluitend ten voordeele der personen die, zonder buitegewone hulp, hunnen vakarbeid niet zouden kunnen hernemen en in de noodige verhouding met dit doel. Daaruit volgt, dat de huisgezinnen die voldoende hulpmiddelen zouden bezitten, >t zij gelijk waarvan deze zouden voortkomen, om hunnen vakarbeid te hernemen, daar geen aanspraak kunnen op maken; doch zij, die zonder behoeftig te zijn, nochtans hun beroep niet in de vroegere voorwaarden kunnen voortzetten en die, zonder buitengewone hulp, aan het afdalen eener trede op de maatschappelijke ladder zouden blootgesteld staan, hebben recht op deze hulpgelden.

3) Hoewel dit krediet in de begrooting van Landbouw ingeschreven staat, moet het nochtans toegepast worden op alle huisgezinnen, van welk beroep ook: Ambachtlieden, kleine winkeliers, enz. en niet enkel op de landbouwers.

4) Men mag deze toelagen niet verwarren met de voorschotten die het Staatsbestuur ter beschikkng stelt van de provincie- en gemeentebesturen, welke bij middel van leeningen zonder interest, de door de laatste overstrooming beproefde inwoners zouden helpen om hun vee en noodig materiaal op den vroegeren voet te herstellen.

Dit krediet wordt door het departement van Financiën beheerd, dat door mijne tusschenkomst de vragen der geteisterde personen zal ontvangen, die niet in de voorwaarden verkeeren om van het onderhavig hulpgeld te genieten.

Indien gij overweegt, Mijnheeren, dat elk onbillijk verleende som nadeel aan de wezenlijke rechthebbers berokkent, dan zult gij het belang dezer aanbevelingen naar weerde schatten.

5) Ten slotte raad ik de gemeentebesturen aan, die zouden aarzelen zelven dezer vragen van hulpgeld op te stellen, die zorg over te dragen aan de liefdadigheidscomiteiten die in vele gemeenten opgericht werden, en in de overige nog kunnen samengesteld worden.

Het gemeentebestuur heeft dan slechts de gegrondheid dezer voorstellen te onderzoeken, en ze met zijne echtverklaring en advies aan mijn bestuur over te zenden.

Voor de schatting der noodige sommen, die de landbouwers tot het hernemen van hun beroepswerk behoeven, zullen de Staatslandbouwkundigen, met toelating des Ministers, hunne medehulp verleenen.

Het ware mij aangenaam, Mijnheeren, uwe volgens deze onderrichtingen opgemaakte voorstellen binnen den kortst mogelijken tijd te ontvangen.