Categorieën
Artikels jaarboeken

DE OVERSTROMING VAN 12 MAART 1906

Het was naar aanleiding van deze brief dat Edmond Van Der Meeren op 10 januari 1907 een aanvraag tot schadevergoeding indiende bij het gemeentebestuur. Edmond Van Der Meeren (°Olsene 1873, gehuwd met Jozefina Liekens) , woonachtig in de Statiestraat, was beroepshalve verzender en bezat een magazijn aan de Rupel aan de Vrijheidstraat waar hij hout stockeerde. Dit magazijn werd gedeeltelijk vernield door de overstroming. Burgemeester, Emiel Van Reeth, adviseerde echter negatief op zijn vraag.

Op de inlichtingstaat, opgemaakt door het gemeentebestuur, werden volgende gegevens genoteerd:

1) Beroep en loon van elk der leden des huisgezins: Mr. Vandermeeren is gehuwd en heeft geene kinderen. Hij schat zijne verdienste op 1200 fr. per jaar. Hij is verzender (expéditeur) en had in die hoedanigheid een magazijn in hout tegen den Rupel. Dit magazijn werd gedeeltelijk vernield door de overstrooming. Hij vraagt daarom een billijke vergelding aan den staat, omdat het water over de dijken is gestroomd en hij den staat wil verantwoordelijk maken.

2) Fortuintoestand: Hij bezit geen fortuin

3) Reeds genoten hulp van openbare besturen en openbare comiteiten: Hij heeft geenen onderstand genoten.

4) Nauwkeurige opgave en schatting der geheele schade: De schade wordt door hem opgegeven als volgt: 1900 fr. schade aan de koopwaren in het magazijn. 4000 fr. om het magazijn herop te bouwen, doch verschillige materialen van het oud magazijn zullen kunnen dienen, deze schat hij op 500 à 700 fr.

5) Idem der schade betreffende de uitoefening van den vakarbeid, met omstandige beschrijving: Door onzen gemeentebouwmeester werden de kosten van heropbouw op circa 2000 fr. beraamd.

6) Aanmerkingen: Mr. Vandermeeren verklaart ons zich eerder te richten tot den heer Minister, dan wel tot het komiteit voor de overstrooming.

Advies en voorstel van het gemeentebestuur: Het gemeentebestuur is van gevoelen dat mr. Vandermeeren, eigentlijk niet valt onder toepassing van den hierbijgevoegden omzendbrief nr.70, van 29 juni 1906

De Burgemeester Bij bevel, de secretaris

Edmond Vandermeeren had dus eerder reeds een brief verzonden naar het “Provinciaal comiteit tot onderhoud aan de slachtoffers der overstrooming”. Hij moet erg vlug op de hoogte zijn geweest van deze mogelijkheid tot het bekomen van een schadevergoeding. Het gemeentebestuur werd immers, zoals je eerder in dit artikel kon lezen, officieel op de hoogte gebracht door het provinciebestuur op 29 juni 1906.

Uit de archiefstukken valt op te maken dat het provinciebestuur op 13 juni een brief schreef naar het gemeentebestuur. Daar wordt aan de burgemeester gevraagd om “zonder verwijl” een antwoord te versturen op het schrijven van 2 juni betreffende het verzoekschrift van E.Vandermeeren.

Edmond Vandermeeren had dus reeds voor 2 juni 1906 een brief verstuurd naar het provinciebestuur. Het antwoord van de burgemeester is in de archiefstukken niet opgenomen. Feit is dat de inlichtingstaat, aangaande de schade die Edmond Vandermeeren had opgelopen, pas op 10 januari 1907 werd opgemaakt door het gemeentebestuur.

Ondanks het negatieve advies dat de burgemeester gaf, verkreeg uiteindelijk Edmond Vandermeeren toch een schadevergoeding van 488 fr.

Het gemeentebestuur werd hiervan officieel op de hoogte gebracht op 26 augustus 1907. In deze brief wordt ook gesproken van de overstromingen van maart, april en mei 1906 . Het provinciebestuur vermeldde echter alleen het bedrag, en niet voor wie het bestemd was.

Mijnheeren,

Namens den heer Minister van Landbouw heb ik de eer u mede te deelen dat, bij Koninklijk besluit van 31 december 1906, aan uwe gemeente een hulpgeld van frs. 488 om de huisgezinnen, die door de overstroomingen in maart, april en mei 1906 geteisterd werden, in het hernemen van hun beroepswerk te helpen.

Deze toelage vertegenwoordigen 50% van de helft der schade door de slachtoffers der behoeftige klas geleden en van het vierde der verliezen aan de huisgezinnen der middenklas veroorzaakt, na aftrek (van die helft of van dit vierde) der hulpgelden door de hulpcomiteiten verleend.

Men heeft geene rekening gehouden van de verliezen door de overstroomden der behoeftige klas ondergaan, waarin de hulpcomiteiten voor de helft tusschenkwamen, noch van die door de middenklas onderstaat, waarvan deze comiteiten minstens een vierde der schade vergoed hebben.

Aan de inwoners die in welstand verkeeren, wordt op de gelden van het departement van Landbouw geen hulpgeld gegeven.

De heer Minister verlangt, Mijnheeren, dat gij bij de verdeeling der toelagen, waarvan het betalingsbevel u kortelings zal overhandigd worden, rekening houdet van de hooger voorgeschreven regels

Voor den Gouverneur Ad int.

De griffier der provincie

Pas op 27 september 1907 verstuurde het gemeentebestuur een brief naar de provincie, waarin gevraagd werd naar de bestemming van het bedrag. Op 10 oktober 1907 ontvingen zij volgend antwoord:

Mijnheeren,

In antwoord op uwen brief van 27 september laatsleden, nr.544 reg.A, heb ik de eer u te melden dat de som van Frs.488, waarvan ik u het betalingsbevel heb toegezonden, bestemd is voor den heer Van Der Meeren, de eenige inwoner van uwe gemeente die een hulpgeld heeft verzocht ten gevolge der overstrooming van 1906.

Voor den Gouverneur, ad. int.

Edmond Vandermeeren bekwam dus zijn schadevergoeding. Opmerkelijk is wel dat hij de enige inwoner was van Boom die een aanvraag indiende.Mogelijk hebben anderen zijn voorbeeld gevolgd.

Ik had graag gezien dat het dossier van deze overstroming wat meer gegevens zou bevatten over de getroffen gezinnen. Zo had een verslag van het liefdadigheidsfeest, en de opbrengst ervan, ons een idee kunnen geven van het solidariteitsgevoel dat er ongetwijfeld bestond onder de Bomenaars.

Uiteindelijk moeten we tevreden zijn met wat er nog bewaard is gebleven.