Categorieën
Algemene geschiedenis Boom Artikels jaarboeken Cultuur

Herinneringen aan de Rupelzonen

DE MUZIEKSCHOOL EN DE HARMONIES VAN BOOM

Dirigent De Laet was tevens directeur van de Gemeentelijke Muziekschool. Jef Maes dirigeerde de socialistische harmonie “Vooruit” en Jan De Wachter dirigeerde de liberale “L’Union”. Beiden waren leraar aan de school. Frans Tollenier, onderchef van de Rupelzonen, gaf er eveneens les. Men kan zonder overdrijven stellen, dat de drie Boomse harmonies geleid werden door zeer bekwame dirigenten. Toch was er een kwaliteitsverschil tussen de harmonies onderling. Dat verschil kwam mijn inziens voort uit het feit, dat de jongere muzikanten van de Rupelzonen bijna allen de school volgden en meestal beëindigden, waar vanwege de andere harmonies minder leerlingen opdaagden.

Bij de Rupelzonen was er duidelijk méér geld. Men bespeelde er meestal moderne instrumenten, die goed onderhouden werden.
In de klarinet-klas van Frans Tollenier konden de leerlingen van de socialistische harmonie met hun verouderde, moeilijk te bespelen instrumenten niet optornen tegen de jongeren van de Rupelzonen. Het werkte deprimerend en velen gaven het spoedig op. Ik heb dat altijd spijtig gevonden, want alzo is veel jong talent verloren gegaan. De liberale harmonie was niet zo sterk bezet en er waren relatief weinig jonge muzikanten.

In de school zelf was er van politiek of kleur geen sprake. De orkestklas was een bont allegaartje en er heerste een goede sfeer, ook en vooral tijdens de oorlogsjaren. Als leraar notenleer was Jan De Wachter uniek! Hij gaf de laatste vier (van de zeven) jaren. Hij was een goedhartig, innemend mens. Hij kon vloeken dat alles kraakte om nadien op de meest gemoedelijke, vaderlijke manier verder te gaan. Hij droeg ons in het hart, dat is later ook gebleken. De heer De Wachter was ook een fameus trombonist.

LID VAN DE RUPELZONEN

Jarenlang had ik gehoopt ooit klarinet te spelen. De imposante klarinettengroep van de Rupelzonen was daaraan niet vreemd. Na het eerste jaar Muziekschool kwam Frans Tollenier bij ons thuis om de keuze van instrument te bespreken. Hij liet er geen gras over groeien: “Hij is niet veel groter dan een klarinet, … als we moeten wachten tot zijn vingers dik genoeg zijn, is zijn goesting misschien over …”

Frans had gelijk: ik was zeer klein van gestalte en bovendien zeer mager. Alzo begon ik op piccolofluit en na de winter 1940-41 werd ik door dirigent Louis de Laet bekwaam genoeg geacht om “spelend lid” te worden.

Het was oorlog, maar de harmonie repeteerde vrij regelmatig op zondagvoormiddag. Om tijdens de oorlogsjaren een doel aan de herhalingen te geven, besloot men “Repetitieconcerten” in te richten in het Rupelhotel. Voor het eerstvolgend concert was een “Aubade” geprogrammeerd waarin de piccolopartij nogal moeilijk was. Frans Tollenier had de partij er bij mij duchtig ingehamerd en ik was er gerust in. Tijdens mijn allereerste repetitie was dirigent De Laet zo tactvol om na de “opwarmingsmars” die aubade aan te pakken en zo kon ik meteen bewijzen dat ik mijn plaats tussen de uitvoerders verdiende.

Toch heeft het geen haar gescheeld of mijn start werd uitgesteld! Na een opmerking van de dirigent en vlak voor het hervatten, roept Jan Van Dijck (denk ik): “Wacht efkes chef, de Juul moet zijn moustache nog goeleggen.” Algemene vrolijkheid. Op dat ogenblik krijg ik Juul De Bruyn in ‘t vizier doorheen het bos van houten lessenaars. Juul speelde bombardon, dat wist ik al lang. Ik zag hem met zijn rustig maar schalks gelaat, zijn grote snor geperst tegen het al even grote mondstuk van zijn instrument en ik kreeg een eerste lachkramp. Toevallig kijkt Juul ook in mijn richting en hij “pinkt”. Dat was te veel… Ik kreeg de slappe lach, die ik tevergeefs trachtte in te houden. De repetitie ging verder, maar ik slaagde er niet in mee te spelen. Louis De Laet hield op en zei: “Nu serieus newaar” en vergoelijkend tegen de bestuursleden: “‘t Is nog een jong ventje, newaar.” Na de repetitie zat ik ietwat verdoken een limonade te drinken. Juul kwam lachend op me af: “Zeg snotter, als ge nog met mijn moustasj durft lachen, zal ik u eens door mijn boembardon trekken enne, als ge limenaat blijft drinken, zult ge nooit ne goeie muzikant worden …”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.