Categorieën
Algemene geschiedenis Boom Artikels jaarboeken Cultuur

Herinneringen aan de Rupelzonen

Rond 1947 construeerde bestuurslid Alfons Peeters twee karretjes op luchtbanden. Op het chassis stonden autobatterijen en bovenaan was er een langgerekt scherm met elektrische lampen. Elke kar werd geduwd door één persoon. Het resultaat was verbluffend: sterke en gelijkmatige verlichting. In de praktijk viel het minder mee! Bij het vertrek aan het Rupelhotel moesten enkele muzikanten noodgedwongen mee duwen om de berg naar de markt te halen; in de Groenhofstraat liep alles gesmeerd, maar aan de korte draai bergop aan de Leopoldstraat werd het een rare, lachwekkende vertoning. Enkele muzikanten en bestuursleden snelden ter hulp en door de overigen werd in de instrumenten meer geproest dan geblazen. Na mijn legerdienst, maart 1948, heb ik die twee karretjes niet meer teruggezien. Langzamerhand verbeterde de openbare verlichting en de kasseien met hun hobbelige en golvende delen werden vervangen.

Straatdiensten ontaarden soms tot zware drinkpartijen. Echter niet bij de Rupelzonen, want dirigent De Laet hield de teugels strak. Nochtans: in de befaamde Maria – ommegang was de harmonie niet op haar best. Zolang men speelde, ging het goed, maar tussen de processiemarsen in, was het een slordige, praatzieke groep. Men zegde toen: “als de harmonie niet speelt, zou ze beter met het “Volk van Bethlehem” meegaan. Dit was een troep kinderen, volwassenen, geiten en schapen, die figureerden als haveloze menigte op den dool. Men plaatste daarin iedereen waar men geen blijf mee wist.

Tijdens de “uitstappen met bezoek aan de ereleden – herbergiers” ging het er gezellig en plezierig aan toe. Bovendien hebben muzikanten, bestuursleden en ereleden urenlang de gelegenheid tot gesprekken en persoonlijke contacten, wat de vriendschap en de bindingen ten goede komt. Na enkele staties werd de sfeer bepaald vrolijk en werd er “uit de klak” gespeeld. Het café – repertorium was niet uitgebreid, maar het klonk correct. We speelden onder andere “dieje van Troag” en in het volgende stadium van vervoering zongen we steevast met z’n allen: “En ginder is mijn lief,
ja ik zie het aan haar haar”, maar dan in onvervalst Booms. Chef De Laet beleefde dit alles monkelend mee, intussen erop lettend dat het te aanhoren bleef. Hij liet deze fase niet te lang uitlopen. Als hij een sigaar opstak en commandeerde: “Tam-boer !” dan ging het in gestrekte draf naar ‘t Rupelhotel.

ONTSLAG

Na onze verhuis naar Kontich in 1954 bleef ik nog geruime tijd trouw lid van de Rupelzonen en ik verzuimde omzeggens geen enkele herhaling of dienst. Er kwam verandering rond 1956-57. Ik was muziekleider geworden van vier verenigingen en die donderdag in BOOM was er soms te veel aan…. Ik werd een “slecht lid”. Op aandringen van dirigent Brants en van het bestuur heb ik niet afgehaakt. Soms vreesde ik dat mijn collega’s – muzikanten van de Rupelzonen die situatie niet langer zouden dulden, maar dat was niet zo! Integendeel: men had belangstelling voor mijn werk bij die andere verenigingen en dat deed mij zeer veel genoegen.

De gezondheid van dirigent Emiel Brants was niet meer stabiel en ik heb hem zoveel mogelijk de late tramrit met overstap te Antwerpen bespaard en hem naar huis gevoerd. Na het Sint-Cecilia feest van 1959 stelde hij voor dat ik geleidelijk de Rupelzonen van hem zou overnemen en ook voorzitter Tobback sprak in die zin. Een vijfde groep dirigeren, dat werd van het goede te veel en ik ben er dan ook niet op ingegaan. De verenigingen die ik op dat ogenblik dirigeerde, lagen kwalitatief beneden de Rupelzonen en de vergoeding was in Boom veel hoger. Mijn vrouw en ik konden die méérverdienste goed gebruiken: we kregen drie kinderen op drie jaar en in ons nieuwgebouwd huis was nog heel wat te doen. Bij de groepen die ik leidde, had ik intussen nieuwe vrienden gemaakt en ik liet die niet vallen. ‘s Namiddags na de begrafenis van Emiel Brants heb ik aan voorzitter Tobback mijn ontslag meegedeeld.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.