Categorieën
Algemene geschiedenis Boom Artikels jaarboeken Cultuur

Herinneringen aan de Rupelzonen

MERKWAARDIGE DIRIGENTEN

Tijdens mijn twintigjarig lidmaatschap speelde ik onder twee zeer bekwame dirigenten: Louis De Laet en Emiel Brants. Vader Frans De Laet en zoon Louis waren respectievelijk 25 jaar en 42 jaar muziekleider van de harmonie, die openbloeide tot een homogeen geheel. In 1948-49 volgde ik pianoles bij Louis De Laet. Deze lessen waren niet op uitvoering, noch begeleiding gericht, maar alleen bedoeld om vlotter harmonisatie-oefeningen te spelen. Tijdens die lessen werd soms meer gepraat dan geoefend. Louis De Laet sprak steeds met veel respect over zijn vader, die hem de kans gaf om te studeren. Louis bespeelde bijna alle instrumenten, zowel koper als hout. Zijn studies deed hij op piano. Het Koninklijk Conservatorium van Luik was befaamd door zijn vioolklas. Hij mocht er naartoe, maar de vioolstudie moest hij onderbreken wegens zijn nogal gedrongen gestalte. Als geboren en getogen Bomenaar kende De Laet alle muzikanten en hun families. Hij was zeer voorzichtig in zijn uitlatingen en alzo vermeed hij wrijvingen en conflicten.

Emiel Brants was Ere-Luitenant-Kapelmeester van het leger. Hij was een echte flapuit, die zich niets aantrok van de plaatselijke omstandigheden. Het zat er dan ook meermaals bovenarms op. In de vroege vijftiger jaren heb ik talrijke repetities en enkele concerten meegespeeld met de fanfare van Eikevliet, waar Brants dirigent was. Ik speelde er sax-tenor. Dankzij zijn tomeloze ijver en zijn rake opmerkingen heb ik veel geleerd over het fanfareorkest, wat mij later goed te pas kwam.

Hoe dan ook: Louis De Laet en Emiel Brants hadden enkele gemeenschappelijke eigenschappen: een onfeilbaar muzikaal gehoor, waardoor men als muzikant “gerust” zat, een stevige theoretische vorming met tot de praktijk gerichte harmonie en contrapunt, een grondige kennis van instrumentatieleer, een duidelijk en gevoelig gebaar.

Vele jaren heb ik als versterker of vervanger meegespeeld in heel de omtrek en ook bij enkele Antwerpse verenigingen. Dit heeft mij geleerd, dat wij bij de Rupelzonen qua dirigenten verwend waren en dat elders de minst bekwame muziekleiders meestal de dikste nek hadden. De achteruitgang van de liefhebbers-muziekverenigingen was het eerst te merken in de grote steden. Vanaf 1948 tot 1956 werkte ik in Antwerpen en ik werd er vaste versterker bij enkele harmonieorkesten met ronkende namen. Meestal vroeg men de versterkers om één herhaling bij te wonen. Als piccolo-dwarsfluit nam ik geen risico’s en ik repeteerde twee of drie keer. Dan waren alleen de eigen muzikanten aanwezig en zo viel het op, hoe dun de bezetting was. . .

Terloops: vooral in Antwerpen-stad droeg men potsierlijke operette-uniformen in helle kleuren, veel versieringen, klakken met pluimen. Als wij met tien à vijftien versterkers die vesten, broeken en klakken aan ‘t passen en aan ‘t verwisselen waren, hebben we ons dikwijls krom gelachen.

DE EERSTE OPNAMEN

Men heeft mij meermaals verteld dat mijn peter Emiel De Raeymaecker en zijn vriend Pol Lauwers reeds voor 1900 in heel de omtrek de balzalen en kermissen afschuimden om de “laatste” dansmuziek te beluisteren en te noteren. Zij deden het te voet en – volgens mijn moeder – namen zij na 1900 ook de stoomtram om door te dringen tot Mechelen en tot “op’ t Kiel”. Thuis harmoniseerde mijn nonkel die muziek en “kapte” de orgelboeken. Pol Lauwers verwerkte de gegevens voor zijn dansorkest je. Aan die vorm van “opname via dictee” is nog niet zoveel veranderd, want in het muziekonderwijs betekent melodisch, ritmisch en harmonisch dictee een vaste opdracht (en voor velen een te zware klus).

Het elektronisch “opnemen en weergeven” bleef lange tijd het voorrecht van radiozenders en radioconstructeurs. Toch waren de Rupelzonen er vlug bij dankzij Abel Van Kerckhoven. Dat zal niemand verwonderen, want deze enthousiaste man was werkelijk in alles geïnteresseerd én bevoegd. Tijdens de winter van 1948 werden de Rupelzonen voor het eerst op “draad” gezet. De draadopnemer was de voor loper van de bandopnemer; er bestonden reeds bandopnemers, maar nog niet in serieproductie, dus ongelooflijk duur. Het toestel van Abel was eerder een meubel, want het was bijna zo groot als een (kleine) lavabo. Van het inwendige was niet veel te bemerken, maar als de draad brak, werd hij gewoon aaneengeknoopt. Het resultaat was zeker geen hi-fi, maar het was wel spannend zichzelf te horen spelen. Ook de fouten werden ontmaskerd en dat gaf aanleiding tot plezante commentaar.

Als ere – luitenant – kapelmeester van het leger had Emiel Brants vele relaties in de muziekmiddens. Hij was bevriend met Jef Van Hoof; deze nam audities af om voor de radio te spelen. Bij onze auditie kwam Jef Van Hoof binnengestapt: “Dag joenges ! … zeg Brants, ik heb nog niet gegeten sinds deze middag!” … Onze eerste opname werd uitgezonden einde 1954. Het bleef niet bij deze ene keer, integendeel: er werden opnamen gemaakt in de feestzaal van de Technische School, in ‘t Rupelhotel en in de (nu afgebroken) zaal van ‘t Volkswelzijn. Ik bezit nog een (doffe) bandopname van een uitzending op 6 januari 1957 met o.a. de mars “Rupelzonen” van Emiel Brants en een mars “Ad multos annos”, die ik schreef en opdroeg aan de heer Brants. De aankondiger van dienst noemde mij “Pieter”.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.